Onschuldig racisme

Onschuldig racisme, bestaat dat? Nee, maar het bestond wel. We gaan naar het begin van de jaren zestig. Daar treffen we mijn moeder aan, die – toen ze nog goed was (op den duur werd haar leven vergald door depressies) – een hartelijke, intelligente, ruimdenkende vrouw was. Ze wilde niemand kwaad doen. En toch zei ze dingen waarvoor ze nu verketterd zou worden.
We gaan naar de winkel van mijn vader, de Crooswijkse slijterij waarvan hij filiaalhouder was. Crooswijk was een witte volkswijk, waar zelden of nooit een zwart persoon werd gezien. Ook nationaal was zwart een zeldzame kleur. Ja, je had de vrolijke acteur met Amerikaans accent Donald Jones en de Surinaamse verdediger van het Nederlands elftal Humphrey Mijnals. Dat was het wel zo’n beetje; zo ver reikte althans de kennis bij ons thuis.
Het was dus een gebeurtenis toen op een dag een zwarte man de winkel binnenstapte. Mijn vader kwam meteen ‘naar achter’ om dat te vertellen en om hulp te vragen. Het was weliswaar opmerkelijk dat die man zwart was, maar dat was het probleem niet. Het probleem was dat hij Engels sprak. Daar wist mijn vader geen raad mee. Mijn moeder wel. Ze kende nauwelijks Engels, maar haar taalgevoel bracht haar ver. Ze ging naar voren om die man te helpen.
En het lukte haar. Na een kwartiertje kwam ze terug. Ze leek opgetogen. Ze zei: “Ik heb een heel gesprek gehad. Zo’n aardige vent… en helemaal niet dom, joh.” Goedbeschouwd is dat een racistische opmerking. Ze was kennelijk verbaasd dat die zwarte man niet dom was. En toch had het niets kwaadaardigs. Ze zei het in volmaakte onschuld. Ik kan erom lachen, maar als iemand dat nu zegt, kan hij rekenen op afkeuring, hoon en misschien zelfs woede.
Mijn moeder, die al meer dan twintig jaar dood is, leed in die tijd aan meer vormen van onwetendheid waar ze niets aan kon doen. Zo was ze ook nauwelijks vertrouwd met het verschijnsel homoseksualiteit. Dat bleek, toen ik haar deelgenoot wilde maken van een zeer intieme gebeurtenis. Ik had, ik denk als dertienjarige, voor het eerst een eigenhandig veroorzaakte zaadlozing gehad. Het zegt veel over mijn moeder dat ik haar dat wilde vertellen. Het was een maandagmiddag en zij stond te strijken. Ik weet nog dat op de radio het programma Onder de groene linde werd uitgezonden, waarin de programmamaker met een bandrecorder boeren in de provincie met krakende dialectstemmen liedjes van vroeger liet zingen.
Ik vertelde mama over mijn klaarkomst, hoewel ik niet wist wat dat was en er dus ook de woorden niet voor had. Ze begreep meteen wat ik bedoelde. En wat ze toen deed: ze feliciteerde me met het feit dat ik niet homoseksueel was.
Ze leerde snel bij.

Bob Frommé

Discriminatie

Ik liep door mijn buurt en zag een man de straat oversteken. Je moet weten dat die buurt Rotterdam-Kralingen is, waar op de Waldeck Pyrmontlaan, de Hoflaan en de Mecklenburglaan mensen wonen van een zekere welstand. De man droeg een rode broek en had in zijn rechterhand een bronsgroene plastic tas met gouden opdruk: Harrods. Hij had ook een pullover met loshangende mouwen om zijn schouders kunnen hebben.
Ik zag die man en ik dacht: daar ga je met je rooie broek en je Harrods-tas. Weerstand tegen de Kralingse kak had zich van mij meester gemaakt. Op de keper beschouwd vond ik dat een nare, op niets gebaseerde, discriminerende houding. Maar ik weet zeker dat die in het algemeen minder erg wordt gevonden dan racisme. Ik vraag me af of dat terecht is.
De man was van het type waar Youp van ’t Hek slechte grappen over zou maken. Die grappen kan hij zich niet veroorloven als ze over zwarten, Joden, Turken of Marokkanen zouden gaan. Dan zou hij een racist worden genoemd. Maar ik zie geen wezenlijk verschil. Racistische gevoelens, die ergens uit de onderbuik komen en mensen  van een andere stam afwijzen, zijn niet anders dan de afkeer die ik van die Harrods-man voelde. Die gevoelens zijn er, daar kun je niets aan doen. Gedachten die daaruit voortvloeien, zijn een vorm van mythisch denken. De vraag is hoe je daarmee omgaat.
Ik hoorde laatst een zwarte man zeggen: “Het is belangrijk om te weten waar je roots vandaan komen.” Ik had daar schik in. En uit mijn onderbuik kwam het signaal – sorry, mensen, niet meteen gaan schelden nu – dat die taalverwarde uitspraak bij die zwarte man paste.
Hallo, alsof witmannen nooit zinnen door elkaar halen! Ik wist natuurlijk meteen dat dat signaal niet deugde. En ik leef niet naar dat soort signalen. Als je zulke signalen voor juist houdt en daarnaar handelt, pas dan ben je een racist.
Als ik in de rij sta voor de kassa van de supermarkt en ik heb een volle wagen en achter mij staat iemand met twee itempjes in zijn mandje, dan laat ik die persoon voorgaan, of het nou een leuke vrouw is of die Harrods-man of die roots-man. Ik ben een man met racistische en klassevijandige aanvechtingen, maar ik handel er niet naar en ondergraaf mijn eigen onderbuikgevoelens.
Laat me hier – enigszins ingekort – een stelling citeren uit het proefschrift van de pedagoge Lea Dasberg: ‘De strijd tegen discriminatie moet uit de emotionele sector gehouden worden, daar (emotionele) aversie tegen andersgeaarden geenszins de (rationele) erkenning en verdediging van hun gelijkgerechtigheid uitsluit.’
Ik heb mijn twijfels over al die heilig verontwaardigde antiracisten. Ik betwijfel of hun zieltjes wel allemaal zo blank zijn. Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.

Bob Frommé

Grievende woorden

Toen Els Borst nog leefde en minister van Volksgezondheid was, decreteerde zij dat de woorden idioot, imbeciel en bedlegerig voortaan taboe waren in teksten die werden voortgebracht door het Nederlandse staatsapparaat. Idioot, imbeciel en bedlegerig beschouwde zij als grievend.
Die woordgevoeligheid bestaat nog steeds en is misschien zelfs verergerd. De krampachtigheid waarmee woorden de schuld krijgen van daden of toestanden of feiten, blijft verbazingwekkend. Verander de woorden, en de daden, toestanden en feiten blijven dezelfde. En toch worden de woorden veranderd, als kentekenplaten op gestolen auto’s.
Nikker werd neger werd zwarte werd – overzee – African American werd gekleurde Nederlander werd Nederlander met een niet-westerse achtergrond werd – inmiddels positief getoonzet – gewoon Surinamer (de Antilliaan blijft hier wat bij achter, ondanks Churandy Martina). Joden werden joodse mensen, Turken werden Turkse mensen. Marokkanen bleven Marokkanen, omdat Marokkaanse mensen te lang is.
Bastaard werd onecht kind werd liefdesbaby werd baby. Poetsvrouw werd werkster werd schoonmaakster werd huishoudelijke hulp werd interieurverzorgster. Oude van dagen werd bejaarde werd oudere werd senior. Knecht werd arbeider werd ondergeschikte werd werknemer werd medewerker werd teamlid. Chef werd superieur werd manager. Zuster werd verpleegster werd verpleegkundige.
Dik werd gezet werd volslank. Kanker werd K werd de gevreesde ziekte werd Volksvijand Nummer 1 werd – wegens hardnekkige, onontkoombare aanwezigheid – weer kanker. Tering werd tuberculose werd tbc werd tb. Bedlegerig werd chronisch ziek. Kinds werd dement werd Alzheimerpatiënt werd bewoner. Cursiefjesschrijver werd columnist. Grondsop of droesem of uitschot of geteisem of grauw werd sociaal gedepriveerde. Achterbuurten werden asociale wijken werden achterstandswijken werden Vogelaarwijken. Gevangenis werd penitentiaire inrichting.
Klant werd consument werd cliënt. Gastarbeider werd buitenlander werd immigrant werd allochtoon werd nieuwe Nederlander werd medelander werd Nederlander met een migratie-achtergrond. Hoer werd prostituee werd gastvrouw. Groenteboer werd groentespecialist en in sommige gevallen groentejuwelier. Putjesschepper werd milieumedewerker. Arbeider bij de plantsoenendienst werd groenmedewerker. Stempelaar werd steuntrekker werd uitkeringstrekker werd uitkeringsgerechtigde.
Vrijgezel werd alleenstaande werd alleengaande werd single. Gevallen vrouw werd bewust ongehuwde moeder (bom-moeder) werd moeder van een éénoudergezin. Schoolmeester en juf werden onderwijzer werden leerkracht. Leerlingen werden werkers en leraren medewerkers, maar dat is alleen zo op de Kees Boeke School in Bilthoven. Gehandicapte bleef gehandicapte, maar dat is een misstand. Moet zijn: iemand met uitdagingen. Een blinde is, althans in de VS, een visueel uitgedaagde, een dwerg een verticaal uitgedaagde.
Een idioot is nog steeds een idioot, een imbeciel nog steeds een imbeciel en een bedlegerig persoon nog steeds bedlegerig, maar de overheid zal die termen niet meer gebruiken. Hoe je een imbeciel of een idioot dan wel moet noemen, is algemeen bekend: iemand met een verstandelijke of geestelijke beperking (of uitdaging). Idioot en imbeciel zijn alleen nog gangbaar als scheldwoorden. Je begrijpt waarom iemand op het idee komt ze te weren. Maar wat zou er verkeerd zijn aan bedlegerig? Al sla je me dood, ik weet het niet. Of nee, sla me maar levenloos, want dood klinkt zo naar.

Bob Frommé

Brulapen

Denk niet dat ik nooit eens omgang heb met de groten der aarde. Echt wel. Aan een van die groten moest ik denken toen ik zijn grote hoofd op de tv-ruit zag. Hij werd met enige bombarie aangekondigd als aanstaande Zomergast: Ilja Leonard Pfeijffer.
Met hem en een andere grote, Tommy Wieringa, zat ik ooit in de jury van een columnwedstrijd voor studenten. De prijs was publicatie in mijn eigen krant, Het Parool. Ik zat daar dus als Parool-ventje. Ilja en Tommy waren heel andere koek. En dat lieten ze duidelijk merken. De ene na de andere schitterende anekdote ontglipte het hekwerk hunner tanden.
Tommy, wiens zelfingenomen hoofd ik inmiddels nauwelijks nog verdragen kan, excelleerde in kampioensverhalen over zijn vrouwelijke veroveringen. Dat hij, schavuit die hij was, via een Amsterdamse regenpijp naar het raam van een uiteraard mooi meisje was geklommen en daar uiteraard was binnengelaten. De rest liet zich raden, hahaha.
Ilja, die ik al eens had zien optreden tijdens de Utrechtse Nacht van de Poëzie (bôh-bôh-bôh), was redacteur van een literair tijdschrift, Raster of De Revisor, daar wil af wezen. Hij sprak tegenover Tommy een idee uit dat hij al heel lang koesterde. Hij zou wel eens een bijzonder nummer willen maken op het thema ‘de vrouw als dier’. Deze superieure geestigheid, dit enorme blijk van originaliteit, werd begroet met gnuivend gelach van zowel de zender als de ontvanger. Wat hadden die mannen een plezier!
Ik weet dat ik nu de verdenking op me laad dat ik van dat machogelul alleen maar een afkeer had omdat ik er maar zo’n beetje bij zat. Dat zal niet hebben geholpen, maar ik moet gewoon niets hebben van mannen die als geciviliseerde gorilla’s tegenover elkaar staan en om het hardst op hun eigen borst rammen.
Het schijnt dat de man anno nu moeite heeft met zijn man-zijn. Hij zit gevangen tussen twee kwaden. Moet hij een macho zijn, liefst met een sportschoollijf, die heel goed weet hoe hij indruk moet maken op vrouwen, maar die voortdurend tegen een #metoo’tje dreigt aan te lopen? Of moet hij een leptosoom gevoelsmens zijn, die zittend plast, goed kan praten over zijn gevoelens en hooguit zijn mannelijkheid zoekt door met andere leptosomen naakt in een zweethut te zitten?
Mannen als Pfeijffer en Wieringa hebben geen last van die worsteling. Die zijn gewoon wie ze zijn: intellectuele brulapen, die in eigen ogen natuurlijk geen brulaap zijn, omdat het intellectuele alles goed maakt.

Bob Frommé

Synchronie

Ik zag aan een praatprogrammatafel een psycholoog zitten. Hoogleraar ook nog. In tijden van crisis staan zelfbenoemde goeroes op, maar worden ook deskundigen aangeklampt om eindelijk eens een duit in het zakje te doen. Psychologen of psychiaters zie je alleen aan praatprogrammatafels als het over de geestelijke gezondheidszorg gaat. Maar in deze crisistijd is behoefte aan overkoepelende gedachten over het menselijk bedrijf. En als het waar is dat psychologen en psychiaters mensenkenners zijn, dan moeten we die erbij halen wegens hun diepe inzichten.
Ik zag dus aan een praatprogrammatafel een psycholoog zitten. Ik moet toegeven dat ik dan onmiddellijk in de scepsis-stand schiet. “Wat kan die man ons nou vertellen wat we zelf niet weten en kunnen aanvoelen op onze klompen die bij de open deur staan?” 
Het ging over het idiote, onuitvoerbare plan publiek toe te laten bij voetbalwedstrijden op voorwaarde dat het een onderlinge anderhalve meter aanhield en niet losbarstte in spreekkoren en gezang. De psycholoog kreeg het woord. Hij stelde me niet teleur.
We moesten begrijpen dat mensen na een doelpunt hun vreugde willen uiten en dat collectief doen. Ze vallen elkaar om de nek, ze gaan brullen, ze gaan zingen. Alles in gezamenlijkheid. De psycholoog: “Dat noemen we synchronie.” Mijn klomp bij de open deur brak. De man voegde niets toe aan wat iedereen allang wist. Nu ja, hij voegde een woord toe dat we nog niet kenden en dat een zeg maar moeilijke (Griekse) afkomst heeft, maar wel ontzettend voor de hand ligt. Synchronie.
Je voelt dat zo’n woord vooral is bedoeld om een vakgebied dat je geen wetenschap kunt noemen, een wetenschappelijk air mee te geven. Zelfbedachte technische termen zijn de grenspaaltjes die voorkomen dat leken het vakgebied zomaar kunnen betreden. Je moet ervoor hebben doorgeleerd. Je moet vertrouwd zijn met de term synchronie, al is dat alleen maar een mislukte poging tot een moeilijk woord. In dat opzicht zijn psychologentermen als mentale chronometrie, introjectie en perverse triade beter geslaagd.
Ik wil niet beweren dat psychologen nooit eens iets zinnigs kunnen beweren. Ik mag graag luisteren naar Dirk de Wachter. Allen: “Dat is geen psycholoog, maar een psychiater.” Helemaal waar. Ik begin opnieuw.
Ik wil niet beweren dat geesteswetenschappers nooit iets zinnigs kunnen beweren. Ik mag graag luisteren naar Dirk de Wachter. Maar dat plezier komt voort uit herkenning. Ik ben het gewoon enorm met die man eens. Ik vind ook dat verdriet en pijn bij het leven horen. Lang leve de blues en de cante jondo. Maar dat kun je geen verrassend nieuw inzicht noemen. Ik vind het prettig dat De Wachter die dingen zegt, ook als tegenwicht tegen het geloei van valse geluksprofeten. Met wetenschap heeft het niets te maken.
Ik hoop vanzelfsprekend dat alle lezers of althans veel lezers of althans sommige lezers het me eens zijn. Dan kunnen we ons collectief overgeven aan een heerlijk potje synchronie.

Bob Frommé

Recordzucht

Kurt Cobain, frontman van Nirvana, is al meer dan 26 jaar dood, maar zijn akoestische gitaar is er nog. Die is onlangs geveild en bracht het ongelooflijke bedrag van zes miljoen dollar op. Een record. (De Fender Stratocaster van Pink Floyd-gitarist David Gilmour bracht vorig jaar anderhalf miljoen dollar minder op. Een koopje.)
Dat record van Cobain haalde alle nieuwsmedia. De media vermelden een record graag, omdat het nieuw is. De mensen nemen er graag kennis van, omdat het nieuw is. En de recordvestigers doen het graag, omdat ze hun naam vermeld willen zien. De recordzucht is algemeen en gaat ver.
Gaafste voorbeeld: de records rond de beklimming van Mount Everest. Sta als eerste op de top en je naam is gevestigd. Iedereen kent Edmund Hillary en zijn sherpa Norgay Tenzing. Maar wat doe je als je geen Hillary heet en je naam toch vermeld wilt zien? Dan heb je een record nodig. Je moet de eerste of beste mens zijn in dit of dat.
Je moet bijvoorbeeld degene zijn die het snelst de top haalde. Of degene die het langst op de top verbleef (21 uur, inclusief een paar uur slapen). Of degene die het vaakst op de top heeft gestaan (sherpa Kami Rita, 24 keer). Of de eerste vrouw op de top. Of de eerste Sloveense vrouw. Of de eerste die op ski’s afdaalde. Of de eerste die de zone des doods overleefde zonder zuurstof. Of de oudste mens die de top haalde (80 jaar en 224 dagen). Of de jongste (15). Of het eerste paar dat de top haalde en daar in het huwelijk trad. Of de eerste blinde die de top haalde. Of de eerste op een goed been en een kunstbeen. De eerste suikerzieke heeft zich ook al gemeld.
Ik verzin die records niet; ze zijn allemaal vastgelegd. De eerste hinkstapspringende of neusfluitende Everestbedwinger heeft zich nog niet gemeld. Degene die het langst in de file heeft gestaan voor de Hillary Step ook niet.
Eenzelfde recordzucht heerst in de veilingwereld. De gitaar van Cobain was echt nieuws. Maar veilinghuizen weten, om de krant te halen, altijd wel een of ander recordje te melden. Dit bedrag was het hoogste dat ooit voor een schilderij van Baselitz is betaald. En als het niet het hoogste bedrag is, dan toch het hoogste bedrag dat ooit in Nederland voor een Baselitz is betaald.
De mogelijkheden zijn onbeperkt. Stel dat die Baselitz voor een schijntje is aangekocht, dan was misschien toch de totale veilingopbrengst de hoogste die een Nederlands veilinghuis ooit heeft behaald. Of het bedrag voor die Baselitz is het hoogste dat ooit tijdens een maandagmiddagveiling om vijf over drie bij onbewolkte hemel voor zo’n flauw op z’n kop geschilderd ding is neergeteld.
Mijn enige eigen recordwaardige wereldprestatie is dat ik er steeds weer in slaag precies de ruimte te vullen die mijn lichaam inneemt. Dat doet niemand mij na.

Bob Frommé

P.S. Intussen is er ook een coronarecordjacht bezig: wie beweert met de meeste stelligheid de twijfelachtigste dingen? Allesweter Maurice de Hond of goeroe Willem Engel? Het is een nek-aan-nekrace.

The Dubliners

Nick en Simon, u weet wel, van Nick & Simon, traden op in een bejaardencentrum in New York (United Hebrew), waar ooit hun helden Simon & Garfunkel op bezoek waren geweest. Mooie bijeenkomst. De bewoners genoten van de manier waarop Nick en Simon Bridge over troubled water zongen. Een golf van herkenning en ontroering sloeg door het schaarse publiek, van wie sommigen de woorden geluidloos meezongen. Prachtig om te zien. Als je ziet hoe mensen intens, geroerd naar muziek luisteren, is dat net zo aanstekelijk als gapen.
Ooit mocht ik als verslaggever lijfelijk aanwezig zijn bij een optreden in Dublin dat niet voor de televisie was bedoeld en nog meer indruk maakte. Barney, John, Sean, Eamonn en Paddy, stuk voor stuk goeie gasten, traden op in een tent naast The Royal Hospital in Donnybrook, Zuid-Dublin. Hoe – be Jaysus en for fuck’s sake – heette die band? The Dubliners, natuurlijk.
In dat ziekenhuis lagen doodzieke bejaarden, gehandicapten en patiënten die revalideerden van een beroerte. Ruim drie jaar daarvoor lag hier de ernstig zieke manager van The Dubliners, Jim Hand. The Dubliners, een vriendenclub waartoe ook de manager behoorde, speelden rond Kerstmis voor hem en zijn medepatiënten. Kort daarop stierf Jim Hand, maar het concert had op de mannen zo veel indruk gemaakt, dat ze sindsdien elk jaar gratis optraden in Donnybrook, tot grote vreugde van de patiënten, hun familie en het personeel.
Het was zonnig en winderig op deze doordeweekse middag in september. De mannen betraden het podium, waarop flessen water stonden die onaangeroerd bleven. In de ontvangstruimte stond drank die meer naar hun smaak was. Ze werden aangekondigd als de band die qua leeftijd alleen The Stones en Status Quo voor moest laat gaan. De tent was gevuld met zwaar gehandicapte mensen, waardoor het applaus onmachtig klonk en veel magerder dan de bedoeling was. Ze genoten zichtbaar van het optreden, maar konden nauwelijks hun handen op elkaar krijgen.
Een oude vrouw in een rolstoel bewoog, steeds net iets te laat, haar scheve mond geluidloos mee met The fields of Athenry, de dramatische ballad die Paddy Reilly (64) zo mooi zong. Violist John Sheahan kondigde af: “That’s young Paddy Reilly here.”
Aan het eind zongen The Dubliners met hun typisch Ierse stemmen klassiekers als Dirty old town, Black velvet band, en Whiskey in the jar, maar ze speelden ook een melancholieke, door Sheahan geschreven walsje. Een oude, doodnerveuze patiënte, uit wier haar een naakte bult stak, strompelde het podium op en sprak van papier een aangrijpend dankwoord van drie zinnen. Sean Cannon zei tegen het publiek: “Dit doet ons ook goed.”
The Dubliners verlieten de tent en gingen naar de binnenplaats van het ziekenhuis. Op de revalidatie-afdeling op de eerste verdieping was een virus uitgebroken, waardoor de patiënten binnen moesten blijven. Onder hen een oude vriend, radioproducer Sean Mac Reamoinn. Voor hem en zijn lotgenoten speelden The Dubliners, hun gezichten naar boven gericht, een opgewekt instrumentaaltje.
De mensen achter de ramen zwaaiden met een zwak handje; ver weg klonk hun applaus. Beneden keken de verzorgsters geroerd toe. Ook dat was aanstekelijk.

Bob Frommé

P.S. Ik doe ook een duit in het coronazakje. Mijn moeder leed aan zware depressies en kreeg antidepressiva. Die hielpen wonderwel. Zij besloot toen zonder overleg te stoppen met de medicijnen. “Het gaat toch goed?” Ja, ma, dankzij die pillen. En ze viel weer in een zwart gat.  

Blijkertje

Vroeger had je mensen van het vrouwelijk geslacht die hun eigen taaltje hadden, de huisvrouwentaal. Dat taaltje liep over van de verkleinwoordjes: buurvrouwtje, kennisje, collegaatje. Dat tedere, geruststellend klinkende taaltje is verdwenen. Maar die verkleinwoordjes worden nog steeds overvloedig gebruikt door een totaal ander menstype, dat van het mannelijk geslacht is: de fors uitgevallen Rotterdammer, die met zijn grote hoofd en zijn handen als kolenschoppen zo’n enorme greep op de materie heeft dat die materie er vanzelf klein van wordt. (Het gebruik van de term kolenschoppen wijst op een zekere leeftijd van de auteur.)
Wij noemen hier Herman den Blijker en Jan(tje) Boskamp. Wat kunnen die kerels verkleinen! Herman staat ergens in een keuken van jonge restaurateurs met wie het slecht gaat. Hij is de redder in de nood. Wat nu volgt is een stukje taal dat doorspekt is met verkleinwoordjes die ik ooit als tv-recensent uit Hermans eigen mond heb opgetekend.
Blijkertje neemt eerst een espressootje dubbel voordat hij een babbeltje heeft met die lui. Het jonge stel dat zijn hulp heeft ingeroepen is een setje dat zijn droompje wil waarmaken. Maar ja, het is hier en daar wel een bendetje in de winkel. En hun marketingdingetjes zijn ook niet je dat. Intussen is het wel weer tijd voor een glas bier of zoals Herman zegt, een lekker sappie.
De conclusie is dat het werk in die keuken toch wel een joppie was waar je een paar extra handjes bij nodig had, anders zou de zaak in mekaar tiefen. Hij laat de kok en zijn meissie een gerechtje proeven (visje uit het oventje) en legt uit hoe hij het heeft samengesteld: “Gewoon die smakies pakken.” Kokkie en meissie blij, natuurlijk.
Hoe zou het Blijkertje tegen de coronacrisis aankijken? Dat coronaatje is natuurlijk wel een dingetje. Daar kan je geen geintjes over lopen maken, want voor je het weet, krijg je een aanvalletje in je klerelijertje. Maar Hermannetje heeft ook echt gereageerd, op TV Rijnmond. Hij heeft zijn terras uitgebreid met een pontonnetje en hoopt op aanloop van de omwonenden: “Of ze nou op hun balkonnetje zitten te eten of hier. En het is niet voor jaren, hè, het is een nooddingetje.”
Een andere kolossale koning van het diminutief (diminutiefie) is die gozer uit Rotterdam-Noord, Jantje Boskamp, ex-voetballer en -trainer, nu sidekickie bij Veronica Inside. Die heeft een voorkeur voor het verkleinachtervoegsel -ie, terwijl het Blijkertje toch liever -(t)je gebruikt. Jan heeft het uiteraard over een kampioensploegie met dat wereldse spitsie, waarbij hij – maar dit terzijde – de naam van dat gassie meestal verkeerd uitspreekt. Sommige woorden of namen zijn niet te verkleinen (en te verlengen) met -ie. Het is rechtsback Karsdorpie, maar een andere verdediger moet Kongolootje heten, omdat Kongolo-tie niet gaat. En wat Jantje aan heeft is een truitje en geen trui-tie. Maar als hij een doodenkele keer een pak aan heeft, is dat wel degelijk een kostuumpie. En een stukkie tekst als het bovenstaande heb ik hem ooit een kollumpie horen noemen.
Sindsdien ga ik af en toe achter m’n laptoppie zitten om effies een kollumpie te tikken.

Bob Frommé

Haak

Ik stond in een kleine rij voor de deur van de scharrelslager en raakte in gesprek met de man voor mij. Dat is een bijkomend, niet onaangenaam effect van deze coronatijd: je loopt vaak met een boogje om elkaar heen, maar je kunt ook – wegens hetzelfde schuitje – gemakkelijker contact krijgen. Toen ik in Ierland was op het moment dat het rookverbod in de horeca was ingegaan en alle rokers dus buiten moesten staan, hoorde ik voor het eerst de term smirting, een samentrekking van smoking en flirting. Ik geef toe dat ik met mijn heterohoofd een lichte voorkeur heb voor een aansprekend vrouwspersoon, maar een man is ook best.
Deze man was hier voor het eerst. Hij kwam uit Crooswijk en stond nu te wachten in de Kralingse Lusthofstraat. Hier komt ook de Kralingse kak en zijn zekere middenstanders niet anders aan te duiden dan met groentejuwelier en kaasjuwelier. “Ik ben maar hierheen gekomen, want Haak is weg,” zei hij. “Dan is dit het dichtste bij. Ik kom hier nooit, man.” Ik wist wie Haak was: een slager aan de Crooswijkseweg. Haak moest de man zijn die – meer dan een halve eeuw geleden nog de zoon van de slager – mijn beste vriend de bril van zijn gezicht had geslagen.
Het was een letterlijke cultuurbotsing geweest. Mijn vriend, die lang haar had, een zwarte cape droeg en vaak werd nageroepen met ‘Jezus’ of ‘John Lennon’, was net als ik een uitzondering in het volkse Crooswijk. Wij waren katholieke gymnasiastjes, die fantaseerden over meisjes, liefde voor de literatuur deelden en in lange gesprekken hadden besloten dat God en het hiernamaals flauwe bedenksels waren van mensen die niet konden verdragen dat de wereld niet te begrijpen was en dat de dood het definitieve einde was. Jongens waren we.
Het incident was mijn schuld. Mijn vriend en ik waren aangeschoten en in een uitheinige stemming. We stonden op de stoep voor de slijterij van mijn vader. (We hadden cola gedronken met uit de zaak gejatte jenever.) Even verderop, voor café Warbaut, stonden twee jonge Crooswijkse gasten pils te drinken. Ik ging met ze praten, op een quasi-romantische, schijtlollige manier. Ik had het onder meer over ‘de verbroedering der volken’. Dat pikten die gasten niet. Maar ze kozen niet mij, maar mijn vriend als doelwit. Hij kreeg bier in zijn gezicht en een klap op zijn Lennon-brilletje, dat zwaar beschadigd op de grond viel. Wij waren verbijsterd en deden niets terug. Die jongens verdwenen het café in. Einde incident.
De moeder van mijn vriend liet het er niet bij zitten en kwam erachter wie het had gedaan: een jongen van Haak. Zij ging naar de slagerij en sprak de moeder aan op het gedrag van haar zoon. De schade aan de bril werd vergoed, maar moeder Haak voerde wel aan dat haar zoon zijn redenen had gehad: “Uw zoon begon effectief te praten.” Ik was niet de zoon van mijn vriends moeder en ik praatte niet geaffecteerd, maar dat zinnetje maakte veel goed.
Tegen de Crooswijker voor me in de rij zei ik alleen maar: “Ja, Haak, die ken ik.” Toen mocht hij naar binnen.

Bob Frommé

Stillevens

Troostende beelden, daar heb je wat aan. Ik zag een plaatje en was er wild van. Het was een stilleven van een schilder van wie ik nog nooit had gehoord: Simon Quadrat, in 1946 geboren in Londen. Degene die dat plaatje op Facebook heeft gezet, Mary Whiteborough, heeft een mooie hand van kiezen. Ik heb in haar posts meer prachtige dingen gezien, vaak van mij totaal onbekende schilders: Walter Grammaté, Ferdinand du Puigandeau en – probeer die naam maar eens te onthouden – Sylvie Quiquampoix.
Ik heb, zij het ongediplomeerd, over beeldende kunst geschreven, maar nooit heb ik zo veel onterecht onbekende schilders bij elkaar gezien. Thanks to Mary Whiteborough. Ik heb mijn bekende favorieten (Bacon, Rembrandt, Hockney). Daar komt Simon Quadrat nu bij.
En ik begrijp het niet. Wat hij schilderde, is een doodsimpel stilleventje waarvan je zou denken: niks bijzonders. Maar het is juist die eenvoud die het hem doet. Een wit gootsteentje met twee kraantjes, een pannetje, een kannetje, een kommetje, een kopje, een bordje, wat bestek, drie teentjes knoflook en nog iets onduidelijk kleins op een blauw doekje. Het wijkt schilderkunstig enorm af van de waanzinnig precieze stillevens van de 17e-eeuwse meesters of moderne realisten als Henk Helmantel. Het is af en toe gewoonweg bewust knullig geschilderd. Zo’n scheef kopje zie je echt niet bij die 17e-eeuwers.
Dat tafereeltje van Simon Quadrat grijpt me aan en het is me een raadsel hoe dat komt. Het vertelt met simpele middelen iets over het menselijk bestaan, al zou ik niet weten wat. Dat is het geheimzinnige ervan, en het aantrekkelijke. Ik houd niet erg van de uitdrukking, maar het lijkt zonder enige protserigheid de essentie van het bestaan te raken. De essentie van het bestaan? Ja, het moet maar: de essentie van het bestaan. Of nog een poging: dit is de mystiek van de eenvoud.
Die ervaring heb ik ooit eerder gehad. Ik liftte als jong ventje naar Parijs, waar ik, omdat dat zo hoorde, niet alleen naar het Quartier Latin ging, maar ook naar het Musée de l’Art Moderne. De Eiffeltoren, daar vlakbij, kreeg je er gratis bij. Ik liep tamelijk onaangedaan door die zalen, totdat ik voor een schilderij van Matisse stond: het stilleventje Le Buffet. Groen kastje met een theedoek en wat vruchten die waarschijnlijk perziken waren. Bepaald niet spectaculair geschilderd. Ook toen was ik stomverbaasd dat het me zo aangreep. Ik vond alleen al de kleur groen fantastisch. (Blijft op reproductie weinig van over.) Ik bleef lang kijken, de rest interesseerde me niet meer. Dit was het.
In die tijd ging ik vaker naar Parijs en steeds moest ik even naar dat museum om stil te staan bij Le Buffet. Een paar jaar geleden heeft wijlen mijn schoonvader op bestelling een kopie van die Matisse geschilderd. Ik zou ook wel een kopie van die Quadrat willen hebben, al zou twee keer de essentie van het leven in één woning misschien wat veel van het goede zijn.

Bob Frommé

Simon Quadrat, The unguarded moment
Henri Matisse, Le Buffet

Sociale omwegen

Het zijn sociaal ongemakkelijke tijden, immers. Mensen die elkaar op een smalle stoep passeren en zonder elkaar aan te kijken en met een licht geërgerde blik opzij gaan omdat de ander mogelijk een wandelende besmettingshaard is. Je ziet het anderen doen en je betrapt jezelf erop dat je ook niet altijd even sociaal reageert.
Maar dat is niets vergeleken bij wat sommige types doen. Ik zag vorige week een kerel een beweging maken die niet ontwijkend was maar agressief afwerend. Een tienermeisje liep met haar hondje over het wandelpad langs de Kralingse Plas, maar week onvoldoende uit in de ogen van die kerel die haar tegemoet kwam. Vlak voordat ze elkaar passeerden stak de man met een bruusk gebaar zijn rechterarm strak opzij, zodat die bijna het gezicht van dat meisje raakte. Hij deed dat zwijgend, de blik recht vooruit, wat een uitermate verbeten indruk maakte.
Daar liep hij, de bezitter van het grootste gelijk van de wereld. Was dit een mens? Nee, eerder een foutief geprogrammeerde robot. (De vriend met wie ik dit van een afstandje gadesloeg, was even verbijsterd als ik. Hij deed op fluistertoon alsof hij de man iets nariep: “Vuile racist!” Het meisje met het hondje was zwart.)
Het komt gelukkig ook voor dat je allebei een omweggetje maakt, maar elkaar aankijkt met een vriendelijke, wetende blik die wil zeggen dat je die ander weliswaar wilt vermijden, maar dat dat geenszins persoonlijk bedoeld is en dat je dat van elkaar weet.
Ik passeerde in de IJsclubstraat een man die stond te wachten bij het poortje van de Arentschool. Hij deed glimlachend een paar stapjes opzij. “We moeten ontzettend oppassen,” zei ik. “We moeten elkaar mijden als de pest.” “Ja,” zei de man, “daarom sta ik nu hier.” Hij wees naar de rode rechthoek op de stoep, die ongetwijfeld een veilige anderhalve meter aangaf rond de ingang. “Iedereen houdt zich eraan,” zei de man. “Ik heb laatst zelfs een kat zien stoppen bij de rode lijn. Hij loopt anders gewoon naar binnen, maar nu ging hij precies op die lijn liggen. Ik heb er een foto van gemaakt. Kijk maar.” Hij pakte zijn telefoon, zocht het plaatje op, strekte zijn arm zo ver mogelijk en liet me lachend het tafereeltje zien. “Het is een wonder,” zei ik.
We waren het erover eens dat ergernissen de mensheid niet verder hielpen. Toevallig hadden we allebei het krantenstukje gelezen van een vrouw bij wie een vliegje in haar keel was gevlogen, waardoor ze een flinke hoestbui kreeg. Een man in haar buurt had meteen gereageerd: “Waarom blijf je niet thuis, trut!” Zo moest het toch maar liever niet.

Bob Frommé

Meer verdwazing (2)

We gaan de boel breder trekken. Dwaze straatnamen zijn nu wel zo’n beetje behandeld, maar daarmee is het onderwerp maffe geografische namen bij lange na niet uitgeput. Reist u even mee? Dan gaan we gezellig naar een plek die ik al eens eerder heb toegezongen.
Ooit in Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch geweest? Nee? Ik wel, en daar ben ik fier op. Ik was ooit in Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch. Het was een regenachtige zomerdag. De schitterende bergtoppen van Noord-Wales lagen in de mist; we moesten een andere bestemming kiezen die ook voor kinderen te genieten zou zijn. Het werd een grote tent die vlinderpaleis heette (Pili Palas) en gesitueerd was bij het plaatsje Llanfair, in het vlakke noordwesten van Wales. Maar dat plaatsje heet in werkelijkheid natuurlijk geen Llanfair, maar Llanfairpwlgwyngyllgogerychwyrndrbwlllantysiliogogogoch.
Is die naam onuitsprekelijk? Dat valt reuze mee. De Welshe dubbele l spreek je uit als gl en de w als oe. Pwllheli (kustplaatsje) wordt dan ‘poeglellie’. Het is even oefenen, maar uiteindelijk kan een kind de was doen. Allen: “Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch!” Juist.
Nu de betekenis nog van Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch: ‘Parochie van de Heilige Maria in het dal van de witte hazelaar bij de snelle maalstroom en de parochie van de Heilige Tysilio bij de rode grot.’ De naam bestaat sinds het jaar 1860 en werd bedacht door de plaatselijke gemeenteraad omdat men de langste naam van een treinstation wilde hebben. En het heeft effect gehad. Mensen bezoeken het station om er een foto te nemen van het bord (of van een reisgenoot bij het bord) met Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch.
Het is niet eens de langste geografische naam ter wereld. Dat is Taumatawhakatangihangakoauauotamateaturipukakapikimaungahoronukupokaiwhenuakitanatahu. Het is de naam die de Maori gaven aan een heuvel van 305 meter hoog. De naam betekent ‘De berg waar Taumata, de man met de grote knieën, de bergbeklimmer, de landverslinder die over de wereld reist, speelde met zijn neusfluit voor zijn geliefde’. Die neusfluit doet het hem.
Ik vraag me al een tijd af wat de kortste aardrijkskundige naam is. Ik kwam niet verder dan het plaatsje Ee in Friesland en de Drentsche Aa. Zij zijn de kortste Nederlandse namen. In landen als China, Japan en Vietnam struikel je over de tweeletternamen. Dat kan korter: éénletternamen.
Op internet vond ik een lijst met 27 geografische namen die uit maar één letter bestaan. Ik noem het dorp A in Noorwegen en nog zes Noorse dorpen die A heten. Y is een buurtschap in Frankrijk, Ø een heuvel in Denemarken. Ö is daarentegen een dorp in Zweden. U kunt ook naar U op Madagaskar. Iemand zegt: “Ga je mee naar E?” Vraag eerst: “Bedoel je die berg in Japan of die rivier in Schotland?” En vraag je dan af of die bestemming heden ten dage wel bereikt kan worden. Goede reis!

Bob  Frommé

Meer verdwazing

Hadden we het vorige week over straatnamen of liever gezegd straatnaamverdwazing en vermeden we het woord corona, behalve in het zinnetje dat het woord corona ontbrak en dat dat ook weleens fijn is – nu komt corona weer in volle hevigheid terug, doordat een lezer uit Buurmalsen geregeld door het naburige Culemborg reed zonder erg op de straatnamen te letten en nu ineens besefte dat hij al jarenlang langs de Coronastraat is gereden.
Jazeker, de Coronastraat. (In Beilen zag ik een snackbar die Isis heette.) De Coronastraat blijkt vaker voor te komen in het Nederlandse straatbeeld, in verschillende varianten waaronder Coronaplein en simpelweg Corona. We vinden deze namen in het ongelukkige Culemborg, maar bijvoorbeeld ook in Groningen, Spijkenisse en Tuitjenhorn. Men kan zich voorstellen dat de aanvechting groot is er in alle gevallen Coronaweg van te maken.
Een andere gewaardeerde lezer wees me op een fenomeen in Amsterdam. Maffe straatnamen die uit een zelfstandig naamwoord bestaan, beginnen langzamerhand gewoon te worden. Je kunt immers wonen op Gouache 18 of Hoorntandmos 27. In Amsterdam kun je aan een bijwoord wonen. Hoe maf is dat. Onze hoofdstad kan bogen op de buurt Osdorp waarin je kunt wonen op, aan of in Verdraagzaam en Opmerkzaam (bijwoord/bijvoeglijk naamwoord). Een buitenlander die net Nederlands heeft geleerd, zou nog kunnen denken dat zaam een straat, steeg, laan, pad, boulevard, weg, baan, gracht, plein, markt, dijk, slop, glop, singel, dreef, kade, park of plantsoen is. Maar nee.
In die buurt zijn ook zelfstandignaamwoord-straten met dezelfde positieve insteek: Samenwerking, Overleg, Geduld, Volharding, Inzet en Vertrouwen. Hier zegt de straatnamencommissie met opgeheven vinger tegen de bewoners: “Toon een beetje vertrouwen, volharding en inzet, wees verdraagzaam en opmerkzaam, dan komt het in geduldig overleg tot een samenwerking van heb ik u daar.” Ik heb altijd gehoord dat te veel zoetigheid slecht is voor je tanden.
Tegenover al die maffe straatnamen staan de mooie, klassieke straatnamen: Avenue Concordia, Oostzeedijk, Rusthoflaan etc. Ik moet wel toegeven dat gewenning hier een grote rol speelt. Omdat Lange Poten zo’n begrip is, vind ik daar niets geks aan. Je beseft niet meer wat het betekent. Als jongetje kwam ik meermalen door de Jonker Fransstraat. Pas jaren later besefte ik dat die straat was vernoemd naar een jonker Frans. Daarvoor bestond die naam uit vrijwel betekenisloze klanken. (Hetzelfde met een uitdrukking als ‘het regent pijpenstelen’; het heeft lang geduurd voordat ik die stelen van een pijp voor me zag.)
Onder de vele mooie straatnamen vind ik de schijnbaar onbetekenende zonder de toevoeging straat of weg de mooiste. Het Weena, de Blaak, het Zwaanshals, het Neude, het Vreeburg, het Spui, het Rokin. Zo ver zullen Verdraagzaam en Geduld het niet brengen, vrees ik.

Bob Frommé

Maffe namen

Als ambtelijke commissies zich ergens het hoofd over breken, is het geknars van verre te horen. In Utrecht, de snelst groeiende gemeente van Nederland (hoewel ik er acht jaar geleden ben vertrokken), vergadert dezer dagen een ambtelijke commissie over de noodzakelijke nieuwe straatnamen in de nieuwe wijken voor de nieuwe bewoners. Waar zo’n commissie al niet om moet denken!
Zij had een fijn thema bedacht: oude industrieën. Dat is allicht beter dan het thema dat ik ooit op een bord in Capelle a/d IJssel heb gezien: Schilderbenodigdhedenbuurt. Daarachter lagen straten als Ets, Fresco, Prent, Penseel, Grafiek, Aquarel en Gravure. (Merk op dat alleen het penseel een schilderbenodigdheid is.) “Waar woon je?” “Ets 25.” “Goh, leuk, ik woon om de hoek. Op Grafiek 9.”  In Huizen is een even knap bedachte landbouwwerktuigenbuurt, waar je kunt wonen op de Ploeg, aan de Ploeg of in de Ploeg, of op de Eg, aan de Eg of in de Eg.
Terug naar Utrecht. Daar had je een industrieel bedrijf dat Nieaf heette. De commissie zag al voor zich dat de Nieafstraat zou worden misverstaan als een variant op de opgebroken straat: de Nietafstraat. Dus Nieaf viel af. En zo kunnen er allerlei gevoelige redenen zijn om een straatnaam af te wijzen. Op zo’n bord kan maar beter geen levend persoon staan. In Utrecht zou een balletje trappen in het Marco van Bastenplantsoen niet misstaan, maar wat als Marco ineens de ene #MeToo-beschuldiging na de andere aan zijn broek krijgt of betrapt wordt op een unieke verzameling kinderporno? Dan wil niemand meer iets met het Marco van Bastenplantsoen te maken hebben.
Foute zeehelden mogen natuurlijk ook niet (behalve in Urk) en met mannennamen moet je uitkijken. Op minimaal driekwart van alle straatnaamborden staat een man vermeld. Dat moet anders. Tijd voor Heldinnenbuurten met namen van verzetsstrijdsters. Zo’n buurt komt er in Utrecht, maar ook in Amsterdam, Dordrecht en Putten.
Ondanks al die nieuwe richtlijnen heeft menige straatnamencommissie misgegrepen. Zie Capelle en Huizen. Maar in de Rotterdamse wijk Ommoord wist een commissie ook van wanten. Daar woont iedereen op een mos: Krulmos, Bekermos, Roestmos. Geef je adres maar eens op als je in, aan of op het Hoorntandmos woont. Hoe zegt u?
Maffe straatnamen zijn niet alleen van nu – ze zijn van alle tijden. Verzamelaars van zulke namen kwamen tot fraaie vondsten, die in geen geval door straatnamencommissies zijn bedacht: Hoerejacht, Poepershoek, Wipperspark, Eendekotsweg, Apendans, Boerenverdriet, Slettenhaarsweide, Voor de Blanken. Je gelooft het pas als je foto’s van de straatnaambordjes ziet.
Als ik in een maffe straat zou moeten wonen, doe mij dan maar de Tante Pollewop-straat in Almere-Buiten.
U ziet dat in het voorafgaande een woord ontbreekt: corona. Ook wel eens fijn.

Bob Frommé

P.S. Op het uitnodigende stukje over verbasterde schrijversnamen met dito boektitels (Harry Mulisxh, De foute aanslag) zijn schitterende dingen binnengekomen. Luc Everwijn en Joop Maes spanden de corona, ik bedoel, de kroon. Zelf was ik vastgelopen bij Kaas van Willem Elsschot. Maar kijk: Frans Elsschot, Fromage (Everwijn). Ja! Van dezelfde bedenker: Leon de Oorlogswinter, Hoffman’s hongertocht, Gerard Réveille, De ochtenden, en Anne Frankenstein, Het Spookhuis. Op één schrijversnaam twee titels laten ‘rijmen’ bleek zowaar mogelijk. Met Hella Haasse en haar romans Oeroeg en Heren van de thee: Hella Haastig, Oeroeg hard, en Hella Haastig, Heren van de TT (Maes). Ja! Dank, heren.

Harry Muesli

Ik zat intelligent te lockdownen op een bankje aan de Kralingse Plas, toen mij een woord aanwoei: spelelement. Alleen maar e’s! (Vergelijk de Vestdijk-roman De kellner en de levenden en – met zeven e’s in één woord – gebedsgenezeressen.) Maar daar ging het niet om. Het spelelement moest verlichting brengen in de heersende toestand. De legpuzzels waren de winkels uitgevlogen, net als de Stratego’s, de Risken en de Monopoly’s. Ik moest denken aan een gratis gezelschapsspel dat op afstand gespeeld kan worden en een uitdaging is voor alle intelligente lockdowners.
Waarschuwing vooraf bij deze hernieuwde introductie: het is een cultureel verantwoord spel dat hoofdbrekens kost en enige kennis van de literatuur vereist. Je moet bijvoorbeeld weten dat ene Harry Mulisch een boek heeft geschreven dat De ontdekking van de hemel heet. Het spel is nu de naam van de schrijver en de titel van het boek zo te verbasteren dat een nieuwe, liefst grappige combinatie ontstaat. Harry en zijn boek werden ooit op briljante wijze verbasterd in de Donald Duck: Harry Muesli, De ontdekking van de zemel. Dat schreeuwt om navolging.
De site De Recensiekoning deed meerdere duiten in het zakje. Ik noem: Willem Frederik Herkansing, Nooit meer slagen, Gerard Rave, De dansavonden, en Kloon, Komt exact dezelfde vrouw bij de dokter. (Die met Kloon komt in de buurt van De ontdekking van de zemel.)
Het is een spel vol doodlopende stegen. Louis-Paul Boon? Levert niks op. Willem Elsschot dan? Okee, Nekschot, maar verder? Ja, Willem Nekschot, De verlossing, maar dan heb je de boektitel niet verbasterd. Wel goed: Umberto Ecologisch, De naam van de onbespoten roos, Albert K. Mus, De vogelpest, Marcel Proost, Op zoek naar de verloren borreltijd, en Maarten Niesheuvel, Het snot van de wereld. Ja, dan moet je wel weten dat Maarten ooit de bundel Het lot van de wereld schreef.
Nog meer? Jazeker: Günter Grap, De blikken moppentrommel, Desiderius Grasmus, Lof der ornithologie, Heinrich Beul, Ophangen om half tien, en Tim Krabbelaar, De slechte renner. Hulp van buiten leverde Godfried Boijmans op en diens Erik en het klein museumboek, Roald Kaal, M’n liefje, m’n kuifje, en mijn favoriet uit deze nieuwe oogst, weer een variant op Mulisch: Harry Mulisxh, De foute aanslag.
We kregen ook een bijzondere band met Geert Mak en De eeuw van mijn vader. Ga maar na: Geert Maf, De geeuw van mijn vader, Geert Tak, De spreeuw van mijn vader en Geert Kak, De meeuw van mijn vader. Ooit hebben ze in het kerstnummer van de Donald Duck oom Donald dat boek van Mak laten lezen: Geert Wak, De sneeuw van mijn vader. Had ook nog Geert Yak kunnen zijn.
Wie dit melig vindt, vindt dit melig. En tegen de anderen zeg ik: succes!

Bob Frommé

Virale drift

Nee, dat thuiszitten is geen pretje. De algehele beklemming maakt alles erger. Ook de Ster-spotjes. Onder gewone omstandigheden zou ik zeggen: “Kan mij die tv-reclame schelen…” Maar nu voel ik woede opkomen als ik dat spotje voor VitaePro zie met Erben-Erben Wennemars.
Een Bekende Nederlander die een sprongetje maakt om een telefoonverschaffer te promoten, laat me werkelijk koud. Die beweert daar niks mee. Die beweert er alleen maar mee dat hij niet vies is van de centen die hij voor die sprong krijgt. En niemand hoeft te geloven dat het ‘prijswijze’ echtpaar  – Paul Haenen & Paul Haenen – de waarheid spreekt. Maar een ex-sporter die met zijn integere hakkelhoofd een serieus verhaal houdt over het belang van in beweging blijven én VitaePro slikken, terwijl het effect van dat middel totaal onbewezen is, wil ik weghonen of voor een of andere commissie slepen, omdat hij liegt dat hij barst. Hij heeft zijn ziel verkocht. Jawel. “Leugenaar!” hoor ik mezelf naar het beeldscherm roepen. Dat doet de coronacrisis met je.
Je kunt gewoon minder hebben. In het paasweekend hoorde ik het oude liedje dat het paasverhaal ‘een verhaal van hoop’ is. Ik maak me daar zelden nog druk om. Maar nu, in tijden van corona, vliegt het me aan. “Ja hoor, hoop!” hoor ik mezelf naar het beeldscherm roepen. Hoezo hoop? Er is iemand aan het kruis gespijkerd, ja? O, hij is wel gestorven, maar na drie dagen opgestaan uit de dood? Ik vind het knap. Dat heeft niemand voor of na hem ooit gedaan.
Maar ja, hij is dan ook de zoon van G. de Vader. Dat maakt het toch minder knap. Als ik de zoon van G. de Vader was geweest, had ik dat ook gekund. En hij is natuurlijk niet zomaar gestorven. Hij is gestorven om de gehele mensheid te verlossen. Dat is net zo knap als opstaan uit de dood. En het maakt het verhaal waanzinnig hoopvol, als je het gelooft.
Vraagje tussendoor: wie is die vadergod eigenlijk? Ja, dat is een heel verhaal. Hij is mens geworden in de vorm van Jezus van Nazareth, maar verder weten we niet zoveel van hem. En hoe dat mensworden in zijn werk is gegaan, weet niemand. Je kunt je er ook geen voorstelling van maken en toch geloven honderden miljoenen mensen dat het zo gegaan is. Ik vind het steeds dwazer en onwaarschijnlijker worden dat die mensen dat geloven. Het is een collectieve zinsbegoocheling. God is net zo reëel als de tandenfee of het zetduiveltje, maar hij haalt het niet bij het coronavirus, dat je ook niet kunt zien, maar dat wel de bijzonderheid heeft dat het bestaat
Een mens ergert zich wat af in dit tijdsgewricht. Het verzonnen verhaal van Erben Wennemars en Jezus van Nazareth zijn maar twee voorbeeldjes. De zinloze, idiote, totaal overbodige, niets toevoegende, almaar weer opduikende journaalstandupjes bij het Erasmus MC horen daar ook bij. “Opzouten nou!” hoor ik mezelf naar het beeldscherm roepen.
Ik heb niet alleen te duchten van het virus; ik moet ook uitkijken voor sfeerbedervende bloedspuwingen.

Bob Frommé

Het ergste

Wat is het ergste dat een mens dezer dagen kan overkomen? Of zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen: wat is het worst kaas scenario? Is dat thuis opgesloten zitten, omdat je bij nader inzien toch niet die fietstocht durft te maken tussen allerlei medefietsers die schijt hebben aan die anderhalve meter afstand? (FB-vriend Joop Maes schreef dat hij ondanks zijn fietsbelgebel zo dicht langs een wandelend meisje moest rijden dat hij haar in het voorbijgaan kon opmeten. Ze bleek precies één meter vijftig te zijn, dat dan weer wel.)
Nee, het ergste dat je dezer dagen als mens kan overkomen is, dat je de dood wordt aangezegd. Dat is toch het ergste? Niet als je Jeroen van Merwijk heet. Hoe hij daarmee omgaat, komt zo. Eerst dit: Jeroen van Merwijk is mijn held. Ik kwam daar pas vijf jaar geleden achter; rijkelijk laat, want die man was toen al zo’n veertig jaar bezig als cabaretier, schrijver en schilder. Hij is in mijn ogen de beste levende tekstschrijver van Nederland sinds Drs. P het aardse podium verlaten heeft.
Ik las de dikke verzamelbundel met de typische Van Merwijk-titel De grootste denker van Nederland over het mooiste land ter wereld en was meteen verkocht. Ik wilde er een groot stuk over schrijven in Het Parool, maar dat mocht niet. Het werk van Van Merwijk was te onbekend. Als hij geen succes had gehad met een duoprogramma met Harrie Jekkers, had u misschien ook nooit van hem gehoord. (Typische titel van een Van Merwijk-programma: Er zijn nog kaarten.) Hem interviewen mocht gek genoeg wel. Ik heb mijn held dus ontmoet en hij viel niet tegen.
Hij zei dingen waarvan ik genoot. De tekstschrijver Van Merwijk is enorm vormvast, net als Drs. P. Hij kan een lied maken op twee rijmklanken zonder dat het geforceerd klinkt. Als een tekst goed rijmt, komt die, zegt hij, ‘als een bulldozer’ op je af. “Rijm is op zichzelf niet interessant, maar het brengt je ergens waar je zonder dat rijm nooit zou zijn gekomen. Een liedje schrijven met de rijmklank zuur en dan met het rijmwoordenboek op cirkelkwadratuur uitkomen. Heelallen buitelen over elkaar heen. Rijm is geen beperking, maar gek genoeg een uitbreiding.”
Maar nu zijn reactie op de hem kort geleden aangezegde dood, die niets met corona te maken heeft, wel met uitgezaaide darmkanker. Hij sprak daarover in de Volkskrant. Dat nieuws schokte me, maar ik moest toch grinniken om wat hij te zeggen had. Er was een last van zijn schouders gevallen. “Ja, opluchting is het eerste dat ik voelde toen ik hoorde dat ik terminaal ziek was. Hè hè, eindelijk van het gezeik af.”
Hij schreef een jaar lang elke dag een mooie, knap berijmde, af en toe actuele tekst op Facebook. Dat doet niemand hem na, omdat niemand kan tippen aan Jeroen van Merwijk. Zelf zei hij: “Ik zal wel weer zo’n kunstenaar zijn die pas na zijn dood wordt gewaardeerd. Ik heb ooit het liedje Nog even geschreven. Dat gaat over wat er gebeurt als iemand doodgaat. Nog even en je kunt geweldig zingen. Nog even en je was altijd bescheiden. Nog even en je kon alles, over water lopen, zweven. Nog even en je leeft voortaan als een godheid in ons voort. Ik hoop dat dat bij mij ook gebeurt.”
Nog even en Jeroen van Merwijk is er niet meer, en dat is dood- en doodzonde.

Bob Frommé

Jeroen van Merwijk

PS Ik doe er nog een toepasselijke tekst van zijn hand bij. In dat interview met hem sprak hij zijn bewondering uit voor Mozart. Hij roemde diens ‘bedrieglijke lichtheid’ en hij hoopte dat hij daar ook iets van had. Dat had (heeft) hij.

Ik

Ik heb eerlijk trachten na te denken
Ik heb oprecht mijn best gedaan
Mijzelf aan mijn publiek te schenken
Ik ben een lange weg gegaan

Toch was er altijd oppositie
Altijd was er wel kritiek
Van de cabaretpolitie
En van het hooggeëerd publiek

Nu eens kon ik niet goed zingen
Dan had ik weer geen danstalent
’k Ben de risee in kleinkunstkringen
Maar ik ben er aan gewend

Sla mijn liedjes maar in stukken
Maak mijn werk maar kapot
Hier op aarde moet ik bukken
Maar ik ga met opgeheven hoofd naar God

Van hem komen de eindoordelen
Vanaf zijn hoge gouden troon
Zal hij mij langs mijn wangen strelen
En hij zal mij zeggen zoon

Het is niet onopgemerkt gebleven
Wij zagen wat je hebt gedaan
Wat je de mensen hebt gegeven
Al is het hun altijd ontgaan

Zoals vaak wordt na jouw dood pas
Jouw werk met instemming begroet
Dan zal men zien dat je heel groot was
Had je Mozart al ontmoet

Teletekst

Op 1 april dreigde een tekort aan IC-bedden. Dat zal nog wel zo zijn, want elke dag luidt in alle journaals en in alle talkshows de drietonige alarmklok co-ro-na, co-ro-na, co-ro-na. Dat geluid is zo oorverdovend dat het alle andere nieuws overstemt. Daardoor had niemand aandacht voor een bijzonder jubileum. Op de kop af veertig jaar eerder, 1 april 1980, was de eerste uitzending van een lofwaardig instituut: Teletekst (een schaakpartijtje tussen Max Euwe en een redacteur).
Een bijzonder jubileum, ja, want Teletekst was dan wel afgekeken van de BBC, maar die dienst bestaat niet meer in het Verenigd Koninkrijk. In Vlaanderen ook niet. In die landen hebben ze Teletekst afgeschaft wegens gebrek aan belangstelling. Nederland is de uitzondering.
Ik ben een Nederlander en ik kijk geregeld op Teletekst, want je weet maar nooit of Rusland Polen is binnengevallen. Dat meldde Teletekst in de nog weinig professionele beginjaren, omdat een redacteur dat gehoord meende te hebben op de Oost-Duitse radio. Ik kijk vooral omdat er iets gebeurd kan zijn in de trant van 9/11. “Even kijken of de Twin Towers er nog staan.” Nergens zijn de hoofdpunten uit het nieuws zo overzichtelijk en bondig bij elkaar gezet.
Nederland is bijzonder, Vlaanderen wás bijzonder, op een ongehoorde manier. De aankondigende regels op de eerste pagina’s van Teletekst bestaan uit 35 tekens, leestekens en spaties meegerekend. Dat vergt al enig vernuft. De Nederlandse Teleteksters gebruiken aan het eind van een regel puntjes – één, twee of drie – om de zaak op te vullen als die niet volloopt tot aan het paginacijfer. (Google registreert thuisblijvers…108) De Belgen, die in 2016 zijn gestopt, deden dat anders. Die stelden er een krankzinnige eer in elke regel uit precies 35 tekens te laten bestaan. Probeer het maar eens. Zo’n regel tikken is een tour de force van jewelste.
Ik probeer het zelf. We nemen dat dreigende tekort aan IC-bedden. Eerste poging: Tekort IC-bedden dreigt. Da’s niks: 23 tekens, veel te weinig. Dreigend tekort aan IC-bedden? Beter, maar komt nog niet in de buurt met z’n 29 tekens. Ziekenhuizen vrezen tekort IC-bedden. Ai, 36, één teken te veel. Tekort aan IC-bedden wordt nijpend. Getver, één teken te weinig! Nijpend tekort aan IC-bedden dreigt. Hèhè, eindelijk.
De Belg die elke dag zulke dingen deed, werkte in stilte. Het viel waarschijnlijk niemand op. Ik ben de Nederlander dankbaar wie dat wel was opgevallen: de blogger Absent Martian. Ik noemde hem al eens eerder en ben er nu achter dat hij Martin Baasten heet en docent Hebreeuws was aan de Leidse universiteit. Die man heeft echt iets gepresteerd. Je gelooft het niet, tenzij je het ziet. Hij schreef een rijmend sonnet met enkel 35-tekensregels! Zie het plaatje.
Hoe reageer je op zoiets? Ik kwam niet verder dan twee regels van 35 tekens:
Zo te dichten lijkt een helse straf
Als ik ’n hoed had dan nam ik ‘m af
Wie nu thuis zit wegens corona en zich dood verveelt, kan nog altijd aan zoiets krankzinnigs beginnen.

Bob Frommé

Crisis (3)

Waar zouden we zijn zonder het coronavirus? Ergens anders en bezig met andere dingen. Ik probeer me nu zo min mogelijk bezig te houden met die coronacrisis, maar af en toe word je toch besprongen door bepaalde, coronagerelateerde gevoelens. Angst (of de mildere variant bezorgdheid) is daar een van.
Ook ergernis, verbazing en onbegrip roeren zich. De hamsterhysterie heb ik al eens genoemd. Daar kon ik nog om lachen. Waar ik me alleen maar aan heb geërgerd en waar ik nog steeds niks van begrijp, is de betrekkelijke stilte rond het nieuwe inzicht dat je geen verschijnselen hoeft te vertonen om toch besmettelijk te zijn. Dat is nogal wat! Dan is niemand meer te vertrouwen, ook jijzelf niet.
Dat is een revolutionaire verandering ten opzichte van eerdere beweringen van deskundigen dat je pas besmettelijk bent als zich symptomen hebben aangediend. Die bewering hoorde je in het begin van de crisis. Dat veranderde op den duur in de erkenning dat we dat niet zeker wisten. En op zeker moment was kennelijk voor iedereen duidelijk dat je nergens last van hoefde te hebben om toch een besmethaard te zijn. Die opzienbarende omslag ging stilletjes, terwijl zij met trompetgeschal en chocoladeletterige krantenkoppen aangekondigd had moeten worden.
De crisis heeft nadelen (ja, zo kun je ook beweren dat vrijgezellen ongetrouwd zijn en dwergen klein van stuk). Heeft de crisis dan geen voordelen? Jawel, al gaan die wel ten koste van een zekere mensensoort: de crimineel, de wetsovertreder, de man met de losse handjes. De kleine criminaliteit heeft het nakijken. Het zijn de gewone jongens die de dupe zijn: de inbrekers (want iedereen zit thuis) en de zakkenrollers (want iedereen zit thuis). Dat zijn zzp’ers die geen aanspraak kunnen maken op een uitkering.
Nadeel voor de zakkenroller is niet alleen de lege straat en het lege ov, maar ook de inmiddels algemeen in acht genomen afstand van anderhalve meter. De wet heeft lange armen, de zakkenroller niet. De man met de losse, grijpgrage handjes ook niet. Die moet op afstand blijven en zijn handjes thuis houden. Daar hebben vrouwen voordeel van. Het aantal gevalletjes #MeToo moet drastisch zijn afgenomen, dankzij de coronacrisis.
De crisis heeft ook geleid tot een taaleigenaardheidje dat al eerder is voorgekomen: een nieuwe, ongebruikelijke samenstelling die optreedt na een panieksituatie. We hadden tien jaar geleden de Damschreeuwer. Iedereen weet dat nog. Vorig jaar hadden we de moskeeschutter, in Nieuw-Zeeland. Nu hebben we de coronakucher. Dat is ook een manier om de geschiedenis in te gaan.

Bob Frommé

Crisis (2)

Ja, ik heb moeite met binnen blijven. Maar de Raad van Wijzen, bestaande uit mijn bezorgde naasten (vrouw, zoon, dochter), heeft besloten dat dat moet. Ik ben nu eenmaal een kwetsbare-groeper. Aanvullende aansporing kwam van een veertig- of vijftigjarige Belg die een filmpje van zichzelf had gemaakt terwijl hij in een ziekenhuisbed heel erg ziek lag te zijn. Hij sprak ons bezwerend toe. “U moet op uw kot blijven,” zei hij, en sloot meteen daarna af, want hij kon niet meer.
Ik verkeer nu dus in de licht (of zwaar) paranoïde of lucide fase waarin het gevaarlijk is om zelfs maar de lift of de trap te nemen op weg naar de fietsberging, omdat je dan misschien door een onzichtbare mist van achtergelaten hoest- of niesdruppels moet waden, besmetting tot gevolg. Alleen al de gladde deurknop van de berging aanraken kan fataal zijn. Voor je het weet, lig je naast Youp.
Deze toestand kan niet blijven. Ik ga binnenkort denkelijk toch naar beneden om de fiets te pakken voor een rondje Kralingse Plas of Rottemeren. Daarbij zal ik naar bekenden zwaaien of kushandjes werpen, maar niet voor ze stoppen. Zo gedepriveerd ziet het leven van een risicogroeper/sociale onthouder er uit.
Maar er is redding: ik kan lezen en schrijven. En af en toe zing ik. Toen ze Europawijd kippenvel probeerden te veroorzaken door You’ll never walk alone te draaien, kon je dat meezingen en verbasteren tot You’ll always die alone of, zoals Lubach ook zei, You háve to walk alone.
Zomaar tussendoor hoorde ik een van mijn favoriete singles aller tijden: My Sharona van The Knack (net zo’n one hit wonder als Summertime Blues van Blue Cheer, Along comes Mary van The Association en In de disco van Noodweer). My Sharona werd, meegezongen, al snel My corona. Dan is een nieuwe tekst niet ver meer:

Mijd corona

Ooh, mijn kleine dondersteen, dondersteen
Blijf maar lekker uit mijn buurt, jij corona
Ooh, ik wil je echt niet om me heen, om me heen
Wie heeft jou op me afgestuurd, jij corona

Ik roep dus stop, geef het op, jij zieke vreemdeling
Ach ga toch heen, we verlangen naar verademing
Blijf weg van mij, mij, mij, aye, whoah!
M-m-m-mijd corona
M-m-m-mijd corona

Heeft de Heer het zo bedoeld, zo bedoeld
En ben jij een gerechte straf, jij corona
En is ons landje daarom overspoeld
En wordt het nog een massagraf, jij corona

Ik roep dus stop, geef het op, jij zieke vreemdeling
Ach ga toch heen, we verlangen naar verademing
Blijf weg van mij, mij, mij, aye, whoah!
M-m-m-mijd corona
M-m-m-mijd corona

Ik heb een eigen plan, eigen plan
Dat jouw macht bezweert en bedwingt, jij corona
Het komt goed als elke vrouw en elke man
Dit lied van buiten leert en zingt, jij corona

Ik roep dus stop, geef het op, jij zieke vreemdeling
Ach ga toch heen, we verlangen naar verademing
Je bent van mij, mij, mij, aye, whoah!
M-m-m-mijn corona
M-m-m-mijn corona
Ooooooo-ohhh, mijn corona
Ooooooo-ohhh, mijn corona
Ooooooo-ohhh, mijn corona

Bob Frommé

Crisis

Weekje Terschelling achter de rug. “Wat heb je gedaan dan? Lekker uitgewaaid zeker?” Inderdaad. Verder ben ik in de achting van mijn vrouw gestegen wegens een Bonte Piet. Ik ben een enorme schijterd wat dieren betreft, maar ik heb eigenhandig een Bonte Piet gered ofwel een scholekster. Zij (of hij) bevond zich ’s avonds in paniek op ons balkon met hoge reling. Ze kon de uitgang niet meer vinden, omdat dat een zwart gat was, en vloog tevergeefs vele malen achter elkaar tegen de verlichte melkglazen wand tussen ons en de buren. Elke keer dat ze tegen die wand klapte, piepte ze hevig. En achteraf zagen we dat ze, ook vele malen, van angst had gepoept.
Ik stapte naar buiten, nog niet wetend wat te doen. Ik durfde haar niet met mijn blote handen vast te pakken, maar over de reling hing een douchekleedje te drogen. Op aanwijzing van mijn vrouw drapeerde ik dat om het beestje, dat zich gewillig liet oppakken. Ik wierp het voorzichtig over de reling, waarna het bevrijd het luchtruim koos. Sindsdien ben ik De Man Die Een Bonte Piet Heeft Gered.
Onderwijl heerste de coronacrisis. Er was geen plaats meer voor een laconieke houding. De kwetsbare-groepers, waartoe ik mij ongaarne reken, werd zelfs afgeraden gebruik te maken van het openbaar vervoer. Quarantaine op een Waddeneiland lonkte. Vrijdag moesten we weg en blijven was geen optie, want alles zat vol.
Zittend in grand-café Promenade in Harlingen-Haven boekten we in een opwelling een overtocht naar Vlieland en een hotel. Maar. Echter. Evenwel. Vanuit het café keken we neer op de vertrekhal. Het is toch al onbegrijpelijk waarom mensen een half uur voor vertrek al in de rij gaan staan, maar nu was het ronduit alarmerend. Ze stonden met honderden op elkaar gepakt: een angstwekkende meute. We besloten, zij het zuchtend, toch maar naar huis te gaan.
Daar bleek het coronavirus tot een komieke crisis te hebben geleid. Ik bezocht de plaatselijke Albert ‘Hamsterééén!’ Heijn en ik wist niet wat ik zag. Lege wanden. Piepers: nul. Brood en broodjes: nul. Zelfs de afbakbroodjes: nul nadat ik het laatste pakje kaiserbroodjes had geconfisqueerd. Pleepapier: nul. Eieren: nul. Melk: nul. En bijna geen groenten. Een gekkenhuis dat onbedwingbaar op mijn lachspieren werkte. En iedereen met wie ik dat deelde, zei ook ‘gekkenhuis’ of ‘oorlog’. Toch moesten hier mensen rondlopen die wel krankzinnig veel insloegen en dat terecht vonden. Die waren kennelijk al weg.
Zelf werd ik ook lichtelijk bevangen door de coronakoorts. Ik hield mijn mandje goed in de gaten voor het geval een onverlaat zijn handen zou uitstrekken naar mijn vier gouden kaiserbroodjes. In deze omstandigheden kon je alles verwachten en daar word je geen beter mens van.
Ik moest terugdenken aan Terschelling. Daar was ik een dag eerder ook in een supermarkt geweest, maar daar lagen de schappen gewoon nog vol. Zouden die eilanders nuchterder zijn dan wij, westerlingen?
Ik denk het. Emigratie naar de Wadden komt steeds dichterbij.

Bob Frommé

Gedichtje

Corona!
(Een onbesmet sonnet)

Is ’t een sigaar? Is het bier? Nee, ’t is Corona!
Eerst was het daar, nu is het hier, Corona!
We zijn de sigaar, ’t is geen klein bier, Corona!
Straks zijn we klaar, dood als een pier, Corona!

Iets heel abnormaals, die griepvariant, Corona!
Op alle journaals, in elke krant, Corona!
Eerst oriëntaals, nu Loon op Zand, Corona!
Van Vlieland tot Vaals paniek in het land, Corona!

Al die virologen en standup-verslagen:
Evenzovele herhalingen van zetten
Corona, Corona, Corona, Corona

Heeft ons laatste uur dan werkelijk geslagen?
De kans is veel groter dat ik me laat pletten
Door een woedende stier in Pamplona

Bob Frommé

Vrouwenmoed

Ik kan niks. Wie een stukje zo begint, kan in elk geval één ding: goed schrijven. Het is een glashelder zinnetje dat je een stoot voor je hoofd geeft. Het is een gedurfd, extreem openhartig zinnetje, want wie wil er nou te boek staan als iemand die niks kan? Het is ook een verwarrend zinnetje, want zou de auteur het wel helemaal menen?
Ooit, wel meer dan tien jaar geleden, las ik een stukje in de toen nog bestaande gratis krant De Pers. Het was een lezersbijdrage, zoals Metro die nu ook nog heeft. De lezer, Silvia Toebak, begon met dat knalzinnetje van drie woorden: ‘Ik kan niks.’ En ze ging verder met ‘Als ik een biertje bestel, krijg ik een glaasje melk. Ik kan geen man vinden. Eén keer heeft een man mij gevonden, maar hij heeft me weer verlaten voor een vrouw die viool kan spelen. Ik kan geen viool spelen.’ Verderop schreef ze: ‘Als ik op een feestje kom, zeg ik altijd maar: “Hallo allemaal, ik ben Sil, ik kan niks.” Achteraf hoor ik dan: “Nou ze kan toch hartstikke veel borrelnootjes eten.”’ En deze Bridget Jones in het kwadraat eindigde zo: ‘Het enige wat ik goed kan, is zeggen dat ik niks kan. Daardoor val ik wel altijd 100 procent mee.’
Ik probeerde mijn dolle enthousiasme over dit prikkelende, wrang-geestige proza te delen met anderen, maar dat viel nog niet mee. Vaker voorkomende reactie: “Wat moet ik nou met iemand die niks kan?” Wat Silvia Toebak deed, was een schijnbaar nuchtere, maar wonderbaarlijke ontsnapping aan de status van de mislukkeling. Ze maakte van haar zwakte haar kracht. Ik noem dat pure magie.
Ik ben daarover begonnen, omdat ik in de Volkskrant een fantastisch stuk las dat me erg aan dat van Silvia deed denken. Zo sterk dat ik dacht dat zij haar naam veranderd had in Cindy Hoetmer. Maar dat is niet zo. Hoetmer is geen pseudoniem.
Cindy Hoetmer (52) schreef een lang stuk waarin ze zegt dat haar leven is mislukt. Ze schrijft niet dat ze niks kan, maar wel dat ze niks heeft. Ze heeft zelfs geen midlife-crisis. Ze heeft die crisis ‘volledig overgeslagen (mijn stemming is al sinds mijn puberteit onveranderd slecht’. Ze vraagt zich nooit af of dit alles is. En dan komt weer zo’n zinnetje: ‘Om dingen saai te vinden moet je ze eerst hebben en ik heb niks.’
Ze is freelancer en komt dus soms op een kantoor. Maar: ‘Daar kom ik net niet vaak genoeg om geliefd te raken (ik ben als Franse kaas, niet omdat ik stink maar omdat het een beetje moeite kost om van mij te houden) maar misschien heeft dat ook iets te maken met mijn onvermogen om het hoe was je weekend?-gesprek tot een goed einde te brengen.’
Haar malaise is algemeen, maar ze heeft een boek geschreven dat door een uitgever enthousiast is onthaald (titel: Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar). Dat is in elk geval iets. Cindy Hoetmer, die geen Silvia Toebak heet, eindigt haar stuk daarom zo: ‘Misschien komt het nog goed met mij, maar waarschijnlijk niet.’
Ik heb het idee dat het stuk van Cindy, net als het stukje van Silvia, nooit door een man geschreven had kunnen zijn. Mannen hebben het lef niet, vrees ik.

Bob Frommé

Dansen in Woolloomooloo

De opening van de Utrechtse studentendisco Woolloomooloo was een passend startschot voor de Gouden Jaren Zeventig. Het waren de jaren dat je nog vrijwel straffeloos student kon zijn zonder te studeren. In 1970 was ik twintig en stond ik ingeschreven als student Nederlands. Toen ik later – twee jaar te laat voor het tentamen 17e-eeuwse letterkunde – mijn docent dr. Steenbeek tegenkwam in de gang van het Instituut Nederlands, nam hij zijn pijp uit de mond en zei: “Ah, meneer Frommé! Wat een wijsheid, wat een bezonken kennis. Ik verheug mij zeer.”
Ik wist weliswaar nog niet zo goed wat ik met mijn leven aan moest, maar dankzij de Woo wist ik wel hoe ik mijn avonden en nachten moest doorbrengen. Daar, ja. Het was de ideale tent. De drank: goedkoop. De sfeer: lichtelijk opgewonden, maar vrijwel nooit agressief. De muziek: goed en dansbaar, vooral als de discjockey jouw verzoeknummers draaide (Allright now van The Free en Sneakin’ Sally through the alley van Robert Palmer). De populatie: mannelijke studenten uit alle richtingen en meisjes die niet per se student hoefden te zijn, omdat die naar binnen mochten zonder pasje. (Slimme zet, die toen nog niet als discriminatoir werd aangemerkt.)
Je liet je pasje zien aan de vriendelijke doch opmerkzame portier Fred, die je gemakkelijk te vriend kon houden door hem bij het vertrek een gulden in de hand te drukken. Het drinken en dansen kon een aanvang nemen.
Praten deed je met vrienden in zoverre het muziekvolume dat toeliet. Ik probeerde me als jong studentje wel eens aan te sluiten bij mensen die ik niet kende. Stond aan het begin van de avond een klein groepje ouderejaars bij wijze van uitzondering te praten over een machtig interessant maatschappelijk onderwerp – ik ben vergeten welk – en ik ging erbij staan. Na lang aarzelen deed ik ook een duit in het zakje. Een van die studenten draaide langzaam zijn hoofd naar mij toe en zei vanuit de hoogte: “Wat krijgen we nou?” En het waren niet eens corpsballen, van wie je die arrogantie misschien zou verwachten.
Het dansen ging beter, maar niet meteen. De Woo heeft me leren dansen. Ik keek de kunst af van een jongen die net als ik vaak kwam. Hij danste anders dan de andere mannen, die toch vooral een imitatie weggaven van iemand die tegen een fictieve helling op sjokt. Mijn dansheld swingde met zijn gehele lichaam. Zijn vaste move was het rechterbeen naar voren gooien in een schoppende beweging en dat laten volgen door een flitsende pirouette. Dat kon ik op den duur ook.
Dan zou je zeggen: daar kun je de meisjes warm mee maken. Dat viel tegen. Ik heb in de Woo maar één keer gezoend en ben, als ik niet bij een vriend logeerde, altijd alleen naar huis gegaan.
Sjansen was toch iets anders dan dansen. Ik had als katholiek ventje alleen maar op jongensscholen gezeten en ik leed aan de veronderstelling dat meisjes eigenlijk weinig interesse hadden in seks. Ze stonden op een voetstuk.
Een meisje aanspreken was een enorme stap, zeker omdat ik alle openingsclichés wilde vermijden. Ik wou origineel zijn, zodat ik op een Paasmaandag tegen een knap, donkerharig meisje zei: “Vind jij het ook zo fijn dat de Heer is verrezen?” Ik dacht dat ironie een machtig wapen was. Ze keek me niet-begrijpend aan. Een maffe student, moet ze hebben gedacht. Een week later heb ik toch nog met haar gedanst en zelfs met haar gezoend. Ze heette Daphne. Ze werkte in een kledingzaak.
De Woo was een inspirerende plek. Ik heb er tenminste een column en een hit-tekst aan overgehouden. Die column voor Het Parool (onder de naam Bob Frommé)ging over herrie en menselijk contact. Herrie dreef de mensen uit elkaar, wat je kon zien als je deel uitmaakte van een hippie-achtig gezelschap dat, hasj rokend, op kussens bijeenzat, terwijl de muziek op loeivolume stond. Men zweeg, omdat spreken geen zin had en door de meeste aanwezigen niet gewenst was. Maar dan de discotheek! Daar, in de Woo, dreef de herrie mensen juist naar elkaar toe. Wilde je iets tegen iemand (een meisje) zeggen, dan moest je, om je verstaanbaar te maken, dichtbij komen. Je riep iets in haar oor, terwijl je en passant een hand op haar schouder kon leggen. Dankzij de herrie drong je door tot de persoonlijke ruimte van de ander. Deed ik na enige tijd ook in de Woo.
In 1983 had ik, als zanger en tekstschrijver van de band Noodweer, een zomerhitje met het nummer In de disco. Refrein: Odorex of Odorono in de disco/Durex of anders gono in de disco. (Aids had je nog niet). Ik zong dat lied, dat gebaseerd was op mijn ervaringen in de Woo, vanuit een jongen die Jan heette en die dacht dat hij de blits maakte door link te kijken en niet mee te dansen. De gimmick van die discopersiflage was overigens de imitatie van een nasaal sprekende discjockey met zinnetjes als: “Ik als deejay heb een enorme poliep bovenin m’n neus. Daar moet ik wel wat aan doen!” Maar die Jan was ik natuurlijk zelf. Hij danste alleen niet en was anders gebekt: ‘Ik word haast gek van al die geile chicks/Maar als ik bij ze sta, dan zeg ik niks. Dat was een van de dingen die de Woo me hadden gebracht. (Zie www.youtube.com/watch?v=FeiDbyVvfhU.)
Dat nummer, dat eind jaren zeventig ontstond, heb ik zelfs een keer gezongen in de Woollomooloo. We speelden, met Polle Eduard en Peter Koelewijn, op woensdag 23 januari 1980 in de Woo, ik denk wegens het tienjarig bestaan. Eigenlijk was het 24 januari, omdat we midden in de nacht optraden. De drummer was ziek en de bassist had een bloedhekel aan corpsballen, die – wat ik al wist – erg mee bleken te vallen. Desondanks gingen we lekker los. Ik voelde me thuis.
Opgejaagd door de koorts van de drummer speelden we wel alles ongeveer anderhalf keer zo snel. Die arme jongen lag voor en na het optreden kreunend op een matrasje in een fraai gelambriseerde kamer van het gele corpskasteel.
Grappig voor mij, maar vervelend voor de rest was een recensie die daarna in Muziekkrant Oor verscheen. De recensent had geen weet van de ziekte van onze drummer en schreef: ‘De zanger is goed gek, het is alleen jammer dat hij zich moet behelpen met een rammelende band.’ Had ik toch nog een keer succes gehad in de Woo.

Bob Frommé

P.S. Bovenstaand stuk is ook verschenen in een jubileumboek over de Woolloomooloo, de Utrechtse, door het corps gedreven studententent, die vijftig jaar bestaat.
P.P.S. Nog drie nagekomen dubbelopjes, met dank aan Joop Maes: achterna, draaitol en topklasse. En betreffende het raadsel van vorige week: de hoofdstad van Mongolië is Downtown.

Dubbelopjes

Vorige week bekloeg ik mij over foutief schuine streep dom schuine streep ergerlijk taalgebruik. Maar de bitterheid maakte in één moeite door plaats voor blijdschap wegens de mogelijkheid tot spelen met taal. Dat ging niet over woorden die innerlijk tegenstrijdig zijn zoals volledig, werklui en meermin, maar – integendeel – over woorden die innerlijk identiek zijn zoals zorgconcern, servicedienst en orkestband. Een bij mijn weten nieuwe categorie, die we voor het gemak dubbelopjes zullen noemen.
Het dubbelopje is een nog onontgonnen terrein en gelukkig waren er lezers die een pioniershandje toestaken. Mijn eigen bescheiden oogst bestond uit de drie genoemde dubbelopjes, alsmede meesteradvocaat, hoftuin, rustpauze en boekwerk. (En shorttrack, spreek uit: sjor-trek.) Dat schreeuwde om meer.
Wat ik de mooiste dubbelopjes vind: woorden die innerlijk identiek zijn en dus uit twee synoniemen bestaan, maar waarbij een van die synoniemen een homoniem is, dat wil zeggen een woord dat twee of meer betekenissen heeft. Een pad kan over een pad lopen. Een concern is een groot bedrijf, maar in het Engels ook zorg, en daarom is zorgconcern zo pakkend. (Hier wordt het begrip homoniem uitgebreid tot twee of meer betekenissen in verschillende talen. Een beer kan beer drinken.)
Binnenin – ingebracht door twee lezers – is, net als bovenop, een uitstekend dubbelopje, maar mist de verrassing van de orkestband met zijn twee schíjnbare synoniemen. De fijnste neus voor zulke verrassende dubbelopjes heeft lezer/tekstschrijver Joop Maes. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn inzending brandmerk. (Duurt misschien even voordat het kwartje valt, maar dan is het: wow.) Maar ook zijn lamstraal en dodelijk mogen er wezen. Gedigitaliseerde woordenboeken kunnen met zoekfuncties van alles prijsgeven, maar zulke dingen niet. Maes had nog meer uitstekende dubbelopjes: spaarpot, trektocht, brokstuk en klaar-over.
Uit de schatkamer van mijn eigen geest en die van verschillende lezers, die ik dan ook hartelijk dank, zijn de volgende vrolijke vondsten voortgekomen: opslagdepot, belastingdruk, loopren, straatweg, drukpers, porthaven (Villa Nova de Gaia bij Porto) en voor wie weet wat het Latijnse mors is: morsdood. En dan ook nog – van eigen hand – koerend (spreek uit: koe-rund). Hier begint het pionierswerk gewilde vormen aan te nemen. Ook omdat het geen één op één is: niet elk rund is een koe.
Omdat ik mijzelf voldoende tegenwoordigheden van geest toedicht (welja), leg ik het werk nu neer, en niet morgenochtend. Zo, dat waren er vier in één zin.

Bob Frommé

P.S. Over taalspelen gesproken: laatst viel mij een politiek incorrect raadsel in. Dit is hem: wat is de hoofdstad van Mongolië? Oplossing volgende week of in het eigen brein.

De taalveldwachter

Ik laat me er niet op voorstaan, maar ik doe veel vrijwilligerswerk. Ik ben onbezoldigd medewerker van de taalpolitie. Streng, maar rechtvaardig, en behulpzaam waar ik maar kan. Ik heb menige restauranthouder blij gemaakt door hem of haar te wijzen op de taal- en tikfouten in de menukaart. Ongevraagde bezoldiging: een glas wijn. Dan gaat de taalpolitie aan de slag met een zinnetje als: ‘Gember werkt ontgiftend en bevorderd de bloedcirculatie.’ 
Dit betreft individuele gevallen, maar ook het algemene spraakgebruik laat ernstig te wensen over. Daar helpt geen moedertjelief aan. De taalpolitie staat hier machteloos. Maar het hart van de vrijwillige taalveldwachter blijft niet onberoerd. Het doet zeer als hij Frank Evenblij op tv gewag hoort maken van ‘een belofte maken’.
Dat is een extreem voorbeeld van de Engelse ziekte. Engelsen zeggen vaker ‘maken’ dan wij. Goed, we maken een voorbehoud, maar we doen een belofte, doen een voorspelling en nemen een beslissing. Toch hoor je steeds vaker een beslissing maken en – laatst in verband met de corona-crisis – een voorspelling maken.
Ander voorbeeldje. Wij hanteren (hanteerden) een voorzetsel bij het werkwoord kijken. Je kijkt niet een film, je kijkt naar een film. Maar ook hier lopen we de Engelsen achterna, want zij watchen een movie. Wij nu ook. Protesteren heeft geen zin. Naar Evenblij roepen dat het een belofte dóén is, ook niet.
Ja maar Bob, taal is toch een levend organisme? De dingen veranderen, wen er maar aan. Daar zit wat in. Zo moet je ook leren leven met zinsnedetjes als ‘ik irriteer me’ en ‘ik besef me’, al zijn het domme fouten, contaminaties van ‘ik erger me’ en ‘het irriteert me’, en van ‘ik besef’ en ‘ik realiseer me’.
Ik kwam er pas kort geleden achter dat de ingeburgerde uitdrukking ‘Het klopt als een bus’ eigenlijk fout is. Het is een samentrekking van twee andere uitdrukkingen: ‘Het klopt als een zwerende vinger’ en ‘Het sluit als een bus’. Ik maak dus ook een fout, maar ik kan kwalijk mezelf een bon geven.
Ik doe nu die politiepet af. Taal is veel meer dan een bron van ergernis. Het is ook een bron van verbazing en spel. We kennen allemaal woorden die innerlijk tegenstrijdig zijn. Schoolvoorbeeld: vol-ledig. Maar je hebt ook vuurwater, meermin, boosaardig, werklui, rampzalig, Zeeland etc. Ik wil hier een nieuwe categorie introduceren: woorden die innerlijk twee keer hetzelfde zeggen. Mooi voorbeeld, waarbij je wel enige kennis van het Engels moet hebben: zorgconcern. Hetzelfde geldt voor servicedienst. Ik ben nog niet verder gekomen dan die twee en deze: orkestband, meesteradvocaat, hoftuin, rustpauze en boekwerk. Met als bonus shorttrack als je het tenminste hoort uitspreken: sjor-trek.
Dit is een prille actie. Er moeten meer van die woorden zijn. Maar ik kan het niet alleen. Ik doe dus een oproep aan alle knappe koppen die dit lezen: denk mee, en verschaf nieuwe voorbeelden en daarmee ook vreugde aan ondergetekende.

Bob Frommé

Incheck-kunde

Ik liep het metrostation Ambachtsland in (Rotterdam, Zevenhuizen) en zag hem staan: een forse man met een uniformachtig jasje, die met zoveel autoriteit tegen een ouder echtpaar stond te oreren, dat ik even dacht dat hij een werknemer van het gemeentelijk vervoerbedrijf was. Dat was hij niet, bij nader inzien. Hij was zomaar een forse man met een uniformachtig jasje.
Waarover hij sprak, had wel alles met het openbaar vervoer te maken. Hij roerde met veel omhaal het onderwerp inchecken aan. Hij zei: “Inchecken is niet zomaar iets. Dat doe je met je linker- óf met je rechterhand. Dat maakt verschil. Als je links bent en het dus met links moet doen, ben je in het nadeel.”
Dat was waar als je met je chipkaart voor een poortje stond, maar de incheckpalen bij dit poortjesloze metrostation stonden twee aan twee links én rechts van de gang die naar het perron leidde. De linkshandige had hier werkelijk geen enkel nadeel. Ik hield die opmerking voor me; hij had het niet tegen mij en er is al genoeg onmin in de wereld. Het oudere echtpaar luisterde belangstellend.
De forse man met het uniformachtige jasje keek met geknepen ogen in een fictieve verte en oreerde door. Hij voelde zich gehoord en genoot van zijn eigen woorden. Hij zei: “Als je een wereldkampioenschap inchecken zou houden, zouden de rechtshandigen geheid winnen. Dat is gewoon zo. Linkshandigen hebben dan geen schijn van kans. Tenzij de rechtshandige een strompelend oud mannetje is.”  “Of een strompelend oud vrouwtje,” wierp de man van het echtpaar tegen. “Of een strompelend oud vrouwtje,” zei nu ook onze zelfbenoemde incheckkundige.
Maar hij had nog meer in huis dan zijn incheckkunde; hij was De Man Die Alles Weet Van Het Openbaar Vervoer. Zo heb je ook mannen die alles weten van de spelling der Nederlandse taal, de eilanden voor de kust van Schotland of het aanleggen van een nieuw stopcontact. De metro liep binnen en het echtpaar had De Man Die Alles Weet Van Het Openbaar Vervoer toevertrouwd dat ze helemaal tot het eindpunt zouden meerijden: Hoek van Holland. “O,” zei de man, “maar dan moet je er wel rekening mee houden dat je niet meteen bij het strand bent, hè.” Het echtpaar wist dat al, bedankte niettemin voor deze waardevolle informatie en stapte in. De forse man met het uniformachtige jasje keek naar links en naar rechts of alles in orde was en stapte toen ook in.

Bob Frommé

Hypocrisie

Ik hoorde een uitspraak van de Israëlische schrijver Etgar Keret waarvan mijn hersenkwabben begonnen te trillen. Hij zei: “Hypocrisie is goed.” Op het eerste gehoor is dit een uitspraak van het type ‘vrijgezellen zijn getrouwd’, ‘vals is zuiver’ of ‘lijken zijn levend’. ‘Levend lijk’ is een staande uitdrukking, maar die is uitzonderlijk wegens de onmogelijke tegenstelling, zoals goede hypocrisie eigenlijk net zo onbestaanbaar is als valse zuiverheid.
Toch bestond zij in de ogen van Etgar Keret. En hij had daar goede redenen voor. Hij werd geïnterviewd over de Palestijnse kwestie en zijn bewering was dat twintig jaar geleden de Palestijnen weliswaar ook al werden achtergesteld en dat Israël zich gedroeg als een koloniale mogendheid, maar dat veel Israëli’s dat toen in hun hart toch wel ongemakkelijk vonden en zich er voor geneerden. De toestand werd daarom verbloemd of goedgepraat. Men was er niet oprecht over. Men was hypocriet.
Dat nu, zegt Keret, is veranderd. De Israëli’s zijn de onderdrukking van de Palestijnen als iets normaals gaan beschouwen. Niemand heeft het er nog over. De vroeger opspelende gewetenswroeging is weg. Die onbeschaamdheid is volgens Keret erger dan de oude toestand, waarin de hypocrisie als het ware nog een eerbetoon bracht aan het fatsoen. Dan geldt: “Hypocrisie is goed.”
Toen de Russen in 1945 Auschwitz-Birkenau naderden, bliezen de Duitsers de gaskamers op. Hier werd een poging gedaan de sporen uit te wissen van een gruwelmisdaad. Kennelijk beseften de nazi’s de schandelijkheid ervan. Ze luisterden naar het hypocriete stemmetje van hun geweten. Daar hadden IS’ers geen last van. Die toonden trots hun onthoofdingen en andere afschuwelijkheden, wat hen in een bepaald opzicht nog erger maakte dan de nazi’s.
De Keret-uitspraak ‘hypocrisie is goed’ veroorzaakte eerst een kleine schok, maar even later ook een gevoel van herkenning. Hij leek op een gedachte uit mijn eigen hersenkwabben. Deze: ‘Snobisme heeft ook goeie dingen voortgebracht.’ Laten we hem inkorten tot ‘snobisme is goed’. Ja, snobisme is goed. Als vroeger Kamerleden werd gevraagd naar het boek dat zij laatstelijk hadden gelezen, putten zij zich uit in excuses. Ja, ze kwamen nauwelijks meer toe aan lezen, gewoon geen tijd wegens het vele werk, begrijpt u wel? En – hier kwam ook de hypocrisie om de hoek kijken – dat was toch wel heel jammer en eigenlijk ook gênant. Literatuur had nog snobappeal, dus die Opwaaiende zomerjurken moest je echt gelezen hebben, als je niet voor cultuurbarbaar versleten wilde worden.
Vroeger stonden kunstsubsidies nauwelijks ter discussie. Maar als je willekeurige Nederlanders had gevraagd of die forse subsidie op een zitplaats bij de opera terecht was, zouden ze daar geen ja op hebben gezegd. En toch bleef die subsidie, uit een soort eerbied voor de Hoge Cultuur, ook bij mensen die liever naar een concert van René Froger gingen. Dat respect is weg, mede door toedoen van Geert Wilders (cultuur is een linkse hobby) en Halbe Zijlstra, die er als staatssecretaris van cultuur fier op was dat hij geen verstand van kunst had.
Nee, dat snobisme was zo slecht nog niet.

Bob Frommé