Anti-revolutionair

Het is vijftig jaar geleden dat de Aktie Tomaat opschudding veroorzaakte in de Nederlandse toneelwereld. Leerlingen van de Toneelacademie gooiden tijdens een Shakespeare-voorstelling tomaten naar gevestigde acteurs. (Willem Nijholt werd vol geraakt.) Daar wordt nog steeds over gepraat, zeker in dit ‘jubileumjaar’. Het was een Grote Gebeurtenis.
Ik leefde toen ook al, ik was negentien. Eerder dat jaar hadden studenten het Maagdenhuis bezet en in Parijs was het jaar daarvoor al herrie geweest. Ik hield niet van dat soort herrie. Mijn vader was voorstander van de Maagdenhuisbezetting, ik was tegen. Ik zag niet in dat een paar honderd studenten, aangevuld met ‘sympathisanten’, alle studenten konden vertegenwoordigen. De schreeuw om democratisering was tegenstrijdig met wat de schreeuwers zelf deden. Ze vielen met een gering aantal ‘de vermolmde structuren’ aan, namens allen. Kijk, dat kan niet, als je zo enorm democratisch gezind bent.
Ik was zelf student. Ik had een tamelijk grote mond en vond het wel leuk als vertegenwoordiger van de eerstejaars hoogleraren tegen de haren in te strijken. Bij voorkeur tijdens vergaderingen van de Studieraad, waarin zowel studenten als wetenschappelijk medewerkers zitting hadden. Toen ter sprake kwam dat we mochten meebeslissen tenzij de beslissing strijdig was met de leeropdracht van de hoogleraar, zei ik: “U kunt gewoon nee tegen beslissingen zeggen. Dan is dat medebeslissingsrecht eigenlijk een wassen neus.” Hoogleraar Sötemann zei daarop: “Meneer Frommé, ik had uw vader kunnen zijn!” Op mijn eigen wijze deed ik mee aan het vurig gewenste ‘democratiseringsproces’.
Maar wat ik deed, was binnen de lijntjes. Alles wat daarbuiten viel, boezemde mij angst in, en woede. Ik ben, hoewel ik nooit lid ben geweest van de ARP (de protestantse Anti-Revolutionaire Partij, de club van Aantjes), wel degelijk anti-revolutionair.
Ik liep op een avond door de Leidsestraat nadat een demonstratie op rellen was uitgelopen. De Leidsestraat zag er geruïneerd uit. Alle ruiten van de banken, luchtvaartmaatschappijen en reisbureaus waren ingegooid (behalve bij het reisbureau van de DDR). Dat beeld riep grote angst op. Chaos, anarchie, destructie, de macht aan de horden.
Op de Dam zag ik hoe een jongen die misschien nergens wat mee te maken had, door een politiemotor met zijspan werd klemgereden tegen de Nieuwe Kerk en met een knuppel werd geslagen door de bakkenist. Die politiemannen deugden ook niet en konden zich wegens die chaos straffeloos misdragen.
Eerder was ik getuige van een kleiner incident op de Utrechtse Kunstmarkt. De deelnemende kunstenaars waren geballoteerd. Er waren dus ook kunstenaars geweerd. Burgemeester Vonhoff, een gezette bôh-bôh-bôh-VVD’er die niet mijn sympathie had, stond op het punt de markt te openen toen één van de afgewezen kunstenaars op het podium sprong en de microfoon greep. Brullend liet hij weten welk onrecht hem en anderen was aangedaan.
Woede maakte zich van mij meester en ik was blij dat de politie de herriezoeker snel van het podium haalde. Die tomatengooiers in ’69 waren eigenlijk net zo.

Bob Frommé

Advertenties

Stotterglorie

Mijn naam is Bob de Hakkelaar. Ik beweeg-weeg mij door de wereld met het grootste gemak-mak. Maar ik houd nu op met mijn eigen spreektrant weer te geven, want dat irriteert-teert de lezer alleen maar. Een doorlopend stotterende of hakkelende hoofdpersoon van een roman zou niet te harden zijn. B-b-begrijpt u w-w-wel?
De grens tussen hakkelen en stotteren is dun. Maar wat de hakkelaar en de stotteraar gemeen hebben, is de sympathie die hun optreden teweegbrengt. Mannen en jongens die stotteren of hakkelen hebben een streepje voor bij het andere geslacht. Hoe deze sympathie te verklaren?
Je hebt natuurlijk jongens en mannen die zo verschrikkelijk stotteren, dat het pijnlijk wordt. (Of komisch: zie Michael Palin als Pontius Pilatus in Life of Brian en als sukkelige K-K-Ken in A fish called Wanda.) De luisteraar moet zich ontzettend inhouden om het gestrande woord niet aan te vullen en voelt zich zo ongemakkelijk dat hij of zij begint weg te kijken, de stotteraar in een pijnlijk isolement duwend.
Maar je hebt ook mensen voor wie hun handicap eerder een pre dan een last is. Ik denk hier aan stotteraars als Hugo Brandt Corstius, Auke Kok en de zanger van Claw Boys Claw, Peter te Bos, die bij een plaatopname te maken kreeg met een stotterende producer, waardoor hij besloot alleen nog te communiceren via briefjes, want: “Studiotijd is duur.”
Zangeres Miss Montreal stottert ook, maar staat daar betrekkelijk alleen in. Er zijn veel meer stotterende mannen dan vrouwen: vijf keer zo veel. Niemand weet waarom. (Of zou het komen doordat mannen al vroeg een grotere druk voelen om zich waar te maken?)
Voornoemde persoonlijkheden kunnen een potje breken. Hun stotteren maakt een hulpeloze, onschuldige indruk, maar de combinatie met hun sterke persoonlijkheid maakt ze onweerstaanbaar sympathiek. Hun zwakte doet hun kracht des te beter uitkomen. Het zijn overwinnaars. Sporters als Maarten van der Weijden en Erben-Erben Wennemars hebben zich ook stotterend naar de overwinning gevochten. Het maakt ze extra geliefd.
Zo had ik ook enorme sympathie voor een stotterend jongetje in de trein, dat ik aan zijn opa hoorde uitleggen dat de woordcombinatie ‘achter elkaar’ in feite onjuist is. Hij zei: “Die mensen daar zitten achter die andere mensen, m-m-maar die andere mensen zitten vóór die mensen. Ze kunnen niet achter elkaar zitten. En mensen wonen niet boven elkaar. De één w-w-woont boven de ander, de ander woont onder de ander. Je kunt wel n-n-náást elkaar zitten en náást elkaar wonen.” Zijn gestotter maakte zijn woorden, waartussen je geen speld kon krijgen, nog indrukwekkender.
Stotteraars zijn dus niet alleen maar beklagenswaardig. Niettemin werd My g-g-generation van The Who aanvankelijk geboycot door de BBC, omdat het kwetsend zou zijn voor stotteraars. Goddank kwam dat lied met het bijna F-woord (Why don’t you all f-f-fade away) uiteindelijk toch in heel zijn stotterglorie tot ons.
Ik d-d-dank u voor uw aan-aandacht.

Bob Frommé

P.S. Dit stukje zal eerlang verschijnen in het luchtig-literaire tijdschrift De God van Nederland, dat geheel zal zijn gewijd aan het stotterfenomeen.

Tweevoudig stinken

Onwetendheid kan een zegen zijn. Ik had een idee waar de wereld van zou opkijken. Blijkt het al te zijn bedacht en uitgevoerd! Goed dat ik dat nu pas weet, anders had ik dat idee niet kunnen hebben.
Ik bedacht het, toen ik, net als nu, was opgehouden met roken. Op dat moment was het inmiddels verboden te roken in cafés. Ik zag mensen kleumend buiten staan roken, onder anderen een vrouw in Dublin die in een galajurk met feestelijk ontblote schouders bij een duur restaurant stond. Ze zei, hoewel ze lachte, dat ze haar positie betreurde, want: “I’m a princess.”
Ik heb rokers onder mijn beste vrienden. Dus ik zocht naar een oplossing voor hun ongemak en ik dacht haar te hebben gevonden, met inachtneming van de niet-rokers. Er moest een gezellige rokersplek komen. Ik was nuchter en niet in de stonede toestand waarin een vriend en ik ooit bedachten dat je het gebruikte gas en de opgebrande kaarsen in je huis op de een of andere manier terug zou moeten kunnen krijgen van de brandverzekering.
Ik dacht aan het theater, waar op het podium nog wel mocht worden gerookt als het script daarom vroeg. We kennen het vlakkevloertheater. Als we ervan uitgaan dat het paffen van toneelspelers wordt gedoogd, dan mag iedereen op die vloer roken, mits hij of zij één van de toneelspelers is.
Nu dan de oplossing. Wij kennen niet alleen het vlakkevloertheater, maar ook het improvisatietheater. De rokers worden acteurs in improvisatietheater De Vrije Vloer, in het pand waar voorheen het café was gevestigd. Het is nu een rokersgetto. (Op de wijze van Presley’s In the Ghetto: ‘In de sneeuwstorm/ Is de stad ijskoud, vol ongemak/ Waar vindt de arme roker onderdak?/ In het getto’.)
Het geheel geïmproviseerde stuk, dat we Roken en drinken, tweevoudig stinken noemen (stukje zelfspot), speelt zich af in een decor dat sprekend op een café lijkt – elke dag in marathonvoorstellingen die soms van vijf uur ’s middags tot één uur ’s nachts duren. Een opera van Wagner is er niets bij.
Dat stuk zal sommigen saai lijken en niet-rokers mijden het natuurlijk als de pest. Het trekt dan ook geen bezoekers, maar dat komt vaker voor in de theaterwereld.
Dat was het idee, maar het werd al uitgevoerd, weet ik nu. Ik geloof dat roken op het podium al niet meer mag, maar een paar jaar geleden mocht dat gek genoeg in de VS nog wel, althans in de staat Minnesota. Daar zag een advocaat een maas in de wet, denkend aan de woorden van Shakespeare: “All the world’s a stage and all the men and women are merely players.” In cafés kregen de bezoekers buttons met Act Now! De aangekondigde hoofdrollen waren voor de eigenaar en het barpersoneel. Asbakken werden rekwisieten en de naam van het stuk was The Tobacco Monologues. Van de weeromstuit trokken bezoekers, als acteurs in een dwaze komedie, extravagante kleren aan. Het werd kortom een gezellige boel.
Jammer alleen van die rook.

Bob Frommé

Maffia

Mannen als Nicolás Maduro, Desi Bouterse en Kim Jong-un zijn geen maffiabazen, omdat je pas een maffioso bent als je lid bent van een geheime criminele organisatie. En toch zijn het maffiabazen.
In zekere zin is hun criminele bewind geheim, omdat ze het verbergen achter mooie praatjes, ook wel ideologie genoemd. Zo kwam ook Hugo Chávez aan de macht in Venezuela: met prachtige beloften die nooit werden waargemaakt. Dat is het kenmerk van zulke regimes: mooie praatjes voor de tribune, terreur en zelfverrijking in de praktijk. Daarom zijn vooral communistische regimes (Stalin, Mao, Castro) tijdenlang omarmd door mensen in het vrije Westen. Ze slikten de mooie praatjes.
Maar regeringsboeven komen ook voor in dat mooie vrije Westen. Schoolvoorbeeld: Richard ‘Tricky Dick’ Nixon. Die liet demonstranten in elkaar slaan door vriendjes van de foute vakbond de Teamsters. Die liet inbreken bij het Democratische hoofdkwartier in het Watergate-complex om daar afluisterapparatuur te plaatsen en deed, toen de inbrekers waren gepakt, alle mogelijke moeite om die zaak in de doofpot te stoppen. Zijn opvatting was (en dat zei hij letterlijk): als de president iets doet, kan het niet illegaal zijn. Hij stond boven de wet, zoals maffiabazen zichzelf ook boven de wet verheven voelen. “I’m not a crook,” zei hij voor de nationale televisie.
Nixon was wel degelijk een boef, maar hij was geen moordenaar zoals Stalin, Hitler of Mao. Dat onderscheid moet je wel maken. Ook bij dictatoriale regimes. Het maakt groot verschil of ze dieven of moordenaars zijn. Toen de Muur was gevallen en de DDR ophield te bestaan, waren velen verbaasd over de landhuizen, de jachtgebieden en de geheime buitenlandse bankrekeningen van de Oost-Duitse partijbonzen. Karel van het Reve heeft daar behartenswaardige dingen over geschreven.
Hij zag in ik dat die corruptie onlosmakelijk verbonden is aan een dictatuur. Hij schreef dat als er geen vrije pers is, iedere burgemeester straffeloos zijn woning kan laten verbouwen op kosten van de gemeenschap. En dat, als er geen vrije rechtspraak is, een minister straffeloos geld naar een Zwitserse bank kan overhevelen, omdat een officier van justitie die daar iets tegen wil doen, voortaan de straat mag vegen of in het ergste geval wordt doodgeschoten als spion van de CIA.
Van het Reve zegt dat stelende dictators in zekere zin een zegen zijn. Zolang zij zichzelf kunnen verrijken, ruimen ze alleen mensen op van wie ze daarbij tegenwerking ondervinden. ‘Idealistische’ dictators zijn veel gevaarlijker. Liever Franco dan Pol Pot.
De Oost-Duitsers waren woedend toen de corruptie van hun machthebbers aan het licht kwam. Van het Reve: ‘Ze zouden juist dankbaar moeten zijn dat ze veertig jaar lang door dieven en niet door moordenaars zijn geregeerd. Was het laatste het geval geweest, dan zou de Duitse Democratische Republiek nu geen zestien, maar veertien miljoen inwoners tellen.’
Dan had Harry Mulisch toch een béétje gelijk toen hij het opnam voor Fidel Castro. Een interviewer wierp hem voor de voeten dat Castro tegenstanders gevangen had gezet. Hij counterde onmiddellijk met: “Maar niet vergast.” Dat is waar, maar hierbij werden voor het gemak alle executies uit naam van El Lider Máximo terzijde geschoven.
Wat zou de Italiaanse vertaling zijn van El Lider Máximo? Capo di tutti capi.

Bob Frommé

Frisheid


Wat doet dotteren met een mens? Je mag even niks tillen en je loopt een paar dagen moeilijk, omdat de verstopping van twee kanten moet worden benaderd en je dus via pols én lies een slangetje krijgt ingebracht. (Vergelijk het met het graven van de Kanaaltunnel, waarbij de gravers elkaar op zeker moment ontmoeten, een feeststemming tot gevolg. Ik vroeg mijn dotterende dokters dan ook of nu het glas zou worden geheven.) Het effect was onder meer een bloeduitstorting in de liesstreek ter grootte van een placemat. Die is nu aan het wegtrekken, maar wat veel belangrijker is: bij inspanning is de pijn op de borst weg en de frisheid in het hoofd is terug. Met zo’n verstopte kransslagader voel je je toch matter, vermoeider dan anders. En je denkvermogen neemt af.
Datzelfde overkomt je, als je hartje zwabbert. Ik had een tijd last van atriumfibrillatie en ik moest zelfs even stoppen met de column, omdat het me aan zelfvertrouwen ontbrak. Ik was door de onzekerheid en de angst voor naderend onheil mijn toon kwijt. En je moet toch echt brutaal zijn om een stukje te schrijven. Zelfs als je je eigen onzekerheid beschrijft, moet je brutaal zijn.
Wat een heerlijkheid toen mijn hart door een elektrische kadoem (cardioversie) in het gareel sprong en de levenslust en het denkvermogen weer terug waren. Dat merkte ik voor het eerst duidelijk toen ik stond te pissen. Er kwam zomaar een gedachte bij me op die ik een week eerder nooit zou hebben gehad. Het was niet de oplossing van het wereldraadsel en het lot van de mensheid was er niet mee gediend, maar terwijl ik stond te wateren, wist ik ineens waar het woord klatergoud vandaan kwam. Geluid en kleur wezen onmiskenbaar in die richting. Je had toch ook de in zekere kringen populaire seksuele golden shower? Nou dan! (Het etymologisch woordenboek zegt dat ‘klatergoud’ komt van het geluid van bladgoudhameren. Mijn reactie: weigering dit te geloven.)
Als je gedotterd bent, neemt de hoeveelheid zuurstof in je hersenen toe, en zonder zuurstof geen denken. Meer zuurstof, beter denken. Zo vielen me ineens twee dichtregels in waar niemand wat aan had en die ook nergens op sloegen, maar die toch wezen op een verhoogde hersenactiviteit: ‘Hoe Fledermaus/Hoe Worcestersaus.’ (Spreek uit: Woestersaus.) En toen mijn vrouw opmerkte: “MH17, is dat alweer vijf jaar geleden?”, antwoordde ik rijmend (ik schrok er zelf van): “Ja, de dood nadert met rasse schreden.”
Het is fijn als je bovenkamer weer fris is ingericht.

Bob Frommé

Helma

Een aandoening heb ik liever niet, maar als ik er dan toch een heb – dichtgeslibde rechterkransslagader – is het bezoek aan het ziekenhuis niet onaangenaam. Ze gaan die verstopping wegnemen (dotteren), waarna je op juichtoon kunt spreken van Herwonnen Levenskracht.
In het ziekenhuis hoef je niks. Je hoeft niet te tobben over hoe je je leven moet inrichten. Dat doen andere mensen daar voor je. Je bent overgeleverd aan de zorg van anderen en dat is een geruststellend gevoel als die anderen het goed doen. En in een ziekenhuis is dat meestal zo. Fijne lui werken daar, op die enkele sergeant-majoor na. Ze hebben het beste met je voor. Ik ben dol op ze.
Maar dan. Je ligt er niet alleen, in een ziekenhuis. Je hebt medepatiënten als je op zaal ligt. Ik lag op zaal. Een van mijn medegedotterden was Helma, een vrouw van in de zeventig, op wie alle mogelijke menselijke kwalen waren neergedaald. En dat verkondigde ze onophoudelijk. Niet direct tegen mij, maar tegen haar buurvrouw, een zestiger, schatte ik, die veel geduld had en vaak ‘ja hoor’ zei om toch maar iets terug te zeggen.
Helma was niet te stuiten. Als ze niet zeurde, klaagde ze, en als ze niet klaagde, zeurde ze. Haar troefkaarten waren legio. De vrouw die naast haar lag, had één stent gekregen. Zij natuurlijk drie. En ze was twee keer geopereerd aan haar heupen. En ze had het aan haar nieren. “Daar genees ik nooit meer van. Ik heb altijd een luier bij me.” En ze had een zware longontsteking gehad. En ze had ijzertekort, haar bloedwaarden waren nog steeds niet goed. En ze was altijd moe. En ze had reuma. En haar ogen moesten worden gelaserd. Eén lichtpuntje: “M’n oren zijn goed.” Maar alles deed zeer van het liggen na de dotterbehandeling, die wel heel erg lang geduurd had. “Je ligt toch op een plank. En ik voel nog steeds wat.”
Als Helma achter haar rollator door de zaal schuifelde, op weg naar het toilet, ging dat monumentaal moeizaam. Ja, daar ging een menselijk wrak, en wij, gelukkige stervelingen, konden geen weet hebben van de gruwelijke kwalen die haar hadden bezocht.
Soms probeerde haar buurvrouw iets over zichzelf te vertellen. Ook zij was al eens geopereerd aan haar heup. Maar Helma troefde daar meteen overheen met haar dubbele operatie. En toen buurvrouw over een tia begon, werd haar spreektijd ernstig bekort, omdat Helma al twee keer een tia had gehad, waarvoor ze zelfs in ‘een herstellingsoord’ had gezeten. “Ik kon niet meer.”
Helma beklaagde zich ook over vrouwen die het almaar over hun eigen ziektes hadden, zoals haar echte buurvrouw Dana, die het ook ineens aan haar heupen had toen Helma het aan haar heupen had. “Ze heeft altijd wat. Dat is een ziekte, hoor. Ze komt uit Tsjechië. Dat is toch anders. Is toch zo?” “Ja hoor,” zei haar ziekenhuisbuurvrouw.
Toen ik de volgende dag naar huis mocht, was ik blij, ook omdat ik afscheid kon nemen van Helma.

Bob Frommé

Rampen

Op hoedanige wijze zijn de Bijlmer en de Bijlmerramp met elkaar verbonden? Onlosmakelijk. Zeg Bijlmer en je denkt: Bijlmerramp. In Frankrijk denken de mensen weer heel anders. Toen vorige week de Tour langs de Mont Ventoux scheerde en dus ook langs het stadje aan de voet van die berg, Vaison-la-Romaine, dachten de Nederlandse commentatoren niet: watersnoodramp. De Fransen wel, en ik ook.
Het was oktober 1992. Ik was met mijn toenmalige, zwangere vrouw in het zuidoosten van Frankrijk. Het ware beter voor het verhaal geweest als we midden in de stortbuien hadden gezeten die het riviertje dat dwars door Vaison loopt, monsterlijk uit zijn oevers liet treden, waardoor tientallen mensen – onder wie veel campinggasten – werden verzwolgen in de water- en moddermassa die zich van de Ventoux naar beneden stortte. Maar we stuitten alleen op de resten: bemodderde wegen, die waren afgesloten, zoals bij de Tour afgelopen vrijdag.
En we konden bij een benefietconcert zijn voor de nabestaanden, in de Romeinse arena van het nabijgelegen Orange. (Terzijde: ik kende Orange al, omdat ik daar vele jaren eerder de finish had gezien van de Tour de France. Ik liftte toen door Frankrijk en in het geval van Orange met een sinaasappel als liftbordje, wat de Fransen wel grappig vonden – lachende gezichten, opgestoken duimen – maar ze lieten me desondanks twee uur in de brandende zon staan.) Dat concert maakte om voor de hand liggende redenen grote indruk: door de met tragiek omgeven gelegenheid en door de aangrijpende muziek – het Requiem van Mozart – maar ook door de dreigende, voortjagende wolkenmassa’s boven ons, die zo goed waren geen druppel los te laten.
Die ramp in Frankrijk werd gevolgd door een andere, even grote ramp in Nederland. Daar kwamen we achter in een hotelkamer in Briançon. Zondagavond 4 oktober zagen we op een klein tv’tje het nieuws dat in Nederland de schokkende gebeurtenis had plaatsgevonden die nu bekend staat als de Bijlmerramp. Ik moest iets doen: bellen met mijn vader. “Ja, jongen,” zei hij, “het is ongelooflijk, het is vreselijk. Als je dat allemaal ziet, denk je: hóé…bestáát…hét!”
Verder konden we niets. We zetten dus onze wandeltochten door de Franse Alpen voort, want daarvoor waren we hier gekomen. De bergen waren soms zwart en de afgronden diep. Het doemgevoel dat de twee rampen opriepen, werd op een geheimzinnige manier versterkt door de zwangerschap van mijn vrouw. De kwetsbaarheid van het bestaan werd er nog pregnanter van. (Geen Engelse woordspeling beoogd.)
Ruim drie maanden later, op 20 januari, werd onze zoon Jim geboren. We waren – na de helse pijnen van de bevalling – getuige van een wonder. Het bestaan was kwetsbaar, maar ook groots.

Bob Frommé