Chick Corea

Toen ik hoorde dat Chick Corea dood was, werd ik met een enorme boog teruggekatapulteerd naar het jaar 1973. Ik was toen in de Amerikaanse stad Berkeley. In de zomer van dat jaar ontdekte ik de elektrische Chick Corea. Dat was een openbaring.
Ik kende de akoestische jazz van Corea. Hij maakte op het ECM-label mooie, tamelijk ingetogen pianoplaten, ook met vibrafonist Gary Burton. In Berkeley deed hij iets nieuws. Hij speelde met een jonge elektrische gitarist, Bill Connors, en een jonge elektrische bassist, Stanley Clarke. Lenny White was de drummer, een veertiger. De naam voor de muziek die die jongens speelden, was bij mijn weten nog niet uitgevonden, maar lag wel voor de hand: jazzrock. (Miles Davis had drie jaar eerder op Bitches Brew al zeer succesvol geëxperimenteerd met een mengvorm van jazz en rock, die toen fusion werd genoemd. Chick Corea deed ook mee op die plaat.)
Ik was alleen in Berkeley. Ik liftte door de VS; toen was ik nog avontuurlijk. Met geduld kwam je overal, maar geld had ik niet (drie dollar per dag). Buiten de steden sliep ik bij liftgevers of langs de weg onder een buitententdoek, in de steden sliep ik bij de mensen thuis. Dat kon, doordat die mensen zich hadden aangemeld bij een hippie-toeristenbureau om langswaaiende vreemden kosteloos te huisvesten. De westerse wereld was in die jaren immers één grote familie, althans het jongere deel daarvan. Ik had dus een slaapplaats in Berkeley, maar geen geld voor een concert van Chick Corea’s elektrische band, die zich geheel volgens de tijdgeest Return to forever noemde.
De enige manier om het concert te zien leek mij: absurd vroeg bij de zaal zijn waar de band speelde, en proberen binnen te komen voordat de kaartjesscheurders bij de deur stonden. Ruim twee uur voor aanvang van het optreden was ik er. Ik had geluk. Het was geen gewone concertzaal, maar een uitzonderlijk groot café met podium, zodat ik ongemoeid werd gelaten, toen ik zonder kaartje aan een tafeltje ging zitten. Ik wachtte stilletjes.
Het concert was overweldigend, ik zou haast zeggen mindblowing. Ik kende deze muziek niet. Dat dit kon! Keiharde rock die geen rock was, maar ingenieus en virtuoos denderende jazz. Ik hield eigenlijk niet zo veel van jazz, maar dank zij Chick Corea ging ik helemaal om. Ik had in het huis van de muziek een nieuwe kamer ontdekt.
Het enige nadeel van deze concertzaal was, dat jonge obers bestellingen kwamen opnemen en dat een glas bier twee dollar kostte. Gevaarlijk vaak kwamen ze langs om te kijken of het een keer was afgelopen met dat ene glas. Maar ondertussen werd ik gedrenkt in de nieuwe muziek.
Die nacht sliep ik op een overloop, omdat op mijn logeeradres niemand thuis was. Dat scheelde me niks. Ik had Chick Corea gezien.

Bob Frommé

Zangers

De sneeuw, de sneeuw, de sneeuw. Als de sneeuw is gekomen en je hebt gezien hoe in het wit op de auto’s smiley’s zijn getekend en hoe mensen – oud en jong samen – in het park een iglo hebben gebouwd en hoe een enthousiast meisje tegen haar jongere broertje zegt: “Het is een droom, hè, Jacob?”, dan raak je overgevoelig en ben je van harte bereid een potje te janken. Het is de illusie dat alles nieuw is, en goed.
Dan ben je ook klaar voor een filmpje op FaceBook, waarin een jongen in een niet genoemde stad een lied zingt in een winkelstraat. Hij doet dat zo mooi dat je – hoewel het een versie is van het overbekende Hallelujah – niet ver meer bent van dat potje janken. En als zich ook nog een zangeres bij hem voegt, een vriendin met een even krachtige als lyrische stem, ben je verloren.
Waar zou zich dit afspelen? Waar staan die twee voor een kring van meelevende luisteraars hun gezang naar de hemel te zenden? Dat moet haast wel Dublin zijn, Grafton Street, hartje Dublin. Echt te herkennen is het niet, omdat wandelgebieden in de westerse contreien nu eenmaal op elkaar lijken. Maar het is de atmosfeer en de kwaliteit van de zangers die de gedachte aan Dublin ingeven. En ja, het is Grafton Street in Dublin, zie ik op YouTube.
Heb ik het derde oog? Geenszins. Ik weet gewoon uit ervaring dat de buskers in Dublin uitzonderlijk goed zijn. Van al die straatmuzikanten sprong er eentje uit. In Grafton Street hoorde ik een zanger die mij het hart doorwondde.
Het was laat op een koude zaterdagavond. Hij stond met zijn uiterlijk van dwaas uitgedoste voetbalsupporter in het portiek van een modemagazijn. Klein, onooglijk mannetje met een rode stoppelbaard, slap hoedje, lange rood-witte sjaal, een trouwpak van twee generaties geleden en zwarte schoenen die grijs waren van het stof. Hij had als Napoléon de rechterhand in zijn vest. Zijn mond leek tandenloos, maar was het niet. Hij was een armoedzaaier met een stem, een stem uit duizenden. Hij zong, begeleid door een onopvallende harpspeler.
Ver voordat je hem zag, kon je hem al horen, want hij zong ongeloofwaardig hard. Operavolume, maar geen operagalm. Zijn stem was licht, trillend en hoog. Hij vulde de hele straat en scheurde je hart aan flarden. Hij zong een ballad over mooie meisjes in de naderende lente: For the leaves are getting greener/ And spring is on the way/ Girls are getting prettier/ And younger every day.
Ieren hebben vaak iets scherps en neuzigs in hun stem, maar daarmee was deze zanger niet te beschrijven. De jongen in het portiek trok een register open dat niet aan gewone stervelingen kon toebehoren. De voorbijgangers bleven staan, ongelovig lachend, zich afvragend hoe dit mogelijk was. Daarna werden de blikken ernstig. Wie was deze koddige, duivelse verschijning? En waar haalde hij die stem vandaan? Ik lachte allang niet meer. Toen een vrouw onhoorbaar begon mee te zingen, kon ik me niet meer beheersen en kwamen de tranen.
En het sneeuwde niet eens.

Bob Frommé

Snobs

Wie voor mijn boekenkast staat, kan niet anders doen dan knikken en zeggen: zo, meneer is niet van de straat. Het is mooi meegenomen dat de meeste van die schrijvers tot de literaire canon worden gerekend. Ik heb ze, omdat ik ze geweldig vind, maar ik hoef me niet te generen als iemand een blik werpt op mijn boekenkast. Het is een mooi bezit, hoor. Ik kan er, na een blik op de witte wereld, een bundel uit pakken met een sneeuwgedicht van Joseph Brodsky: ‘Neerdwarrelende vlokken die ik nastaar./ Sta stil, moment! ’t Is niet zozeer dat jij/ mooi bent, als wel volslagen onherhaalbaar.’
Wat je ook met een boekenkast kunt doen: ervoor gaan zitten, in het zicht van anderen. Ik heb nog nooit een zoom-gesprek gevoerd; dat is meer voor mensen die nog met beide benen in de coronamaatschappij staan. Zulke mensen hebben bij die gesprekken een achtergrond nodig. Een boekenkast maakt een gunstige indruk (al heb ik het gevoel dat de waarde daarvan enorm is afgenomen), maar dan is het wel zo handig als die boekenkast verantwoord gevuld is.
Sommige tweedehandsboekhandels schijnen daar veel profijt van te hebben. Zij kunnen zorgen voor een snobs achtergrondje voor al die zoomvergaderaars. Tweedehands heeft twee voordelen: het is een stuk goedkoper dan nieuw, en duidelijk gebruikt maakt een geloofwaardiger indruk dan smetteloze, ongeknakte ruggetjes.
Het Journaal had een item over de Engelse firma Bookbarn. Die maakt gouden tijden door, doordat hun tweedehands spullen de barn uit vliegen. (De Engelse boekenschuur verdient die naam overigens niet. Bookbarn beschikt over hallen zo groot als een hangar. Geef mij dan maar de Boekenschuur in Formerum op Terschelling. Die staat echt op een boerenerf.) De Engelse zoomsnobs kunnen dus voor een luttel bedrag aan hun gerief komen.
Het deed mij onmiddellijk denken aan Myles na Gopaleen. Niemand kent die naam. Dat is het leuke van het literaire snobappeal. Je kunt meepraten over de verantwoorde Grote Namen, maar je hebt ook een nisje met schrijvers van jou alleen. Nou, Myles na Gopaleen is zo’n schrijver. Hij is mijn favoriete columnist, die een prominente plaats inneemt in mijn verzamelingetje Ierse literatuur. Hij heet eigenlijk Brian O’Nolan (1911-1966), schreef als Flann O’Brien hilarische romans, maar was als Myles na Gopaleen columnist voor The Irish Times, wat hem in Ierland zo beroemd maakte als Simon Carmiggelt hier.
Ik ontdekte hem in een boekhandel in Cork, wat een wonderlijk toeval was, omdat de boeken daar niet eens op alfabet stonden. Ik kocht The best of Myles. En nu komt de reden dat ik aan hem moest denken.
Hij stak de draak met boekensnobs door The Myles na Gopaleen Buchhandlung Service in het leven te roepen. Tegen een vergoeding kon een literair onwetend persoon met veel geld een boekenkast verwerven die grote indruk maakte. De boeken werden door de Service gekozen, ingelezen (vakkundig mishandeld) en – hier steeg de prijs aanmerkelijk – van deskundig commentaar in de kantlijn voorzien (‘Yes, but cf. Homer, Od., iii, 151’ of ‘I remember poor Joyce saying the very same thing to me’). De Traitement Superbe behelsde vervalste opdrachten van een beroemde auteur: ‘From your devoted friend and follower, K. Marx’.
Dat is geweldig, maar de eenvoudigste, banaalste, goedkoopste vorm van Buchhandlung – verzorgd door de Bookbarn – is voor de zoomsnobs al voldoende.

Bob Frommé

Gedicht van de week

Wat, zo vraag ik u, is zo bijzonder aan deze week? Allen: “Het is de Poëzieweek!” Ik stem daarmee eens. Sterker nog, ik doe er aan mee. Elk jaar heeft de Poëzieweek een thema en dat is dit jaar Samen. Samen krijgen we corona eronder, samen kunnen we verbinden, samen kunnen we de eenzaamheid bestrijden etc. etc. Ik heb in Het Parool vaker een sonnetje gemaakt op het thema van de Poëzieweek. Doe ik nu weer.

Samen zijn

Samen zijn, verbinden, één zijn, één
Daar kan werkelijk niets aan tippen
Zonder loopt je leven op de klippen
Samen is zoveel beter dan alleen

We zitten altijd om elkaar verlegen
Wie je lief is, zie je voor je geestesoog
De stemming gaat ervan omhoog
Dat zijn de dingen die je hart bewegen

Maar ongemak kan je dag vergallen
Aambeien groot als pingpongballen
Dan doet samen zijn de pijn vergeten
En dat je ooit zo moeilijk hebt gezeten
Samen zijn van Willeke Alberti
Werkt beter dan de zalf van Sperti

Bob Frommé

Bijsluiter

God, ja, dan komt dat vaccin, maar we hebben de bijsluiter nog niet gelezen. Veel mensen bedenken zich nu al. Toen ik de prik kreeg tegen de bof, de mazelen en de rode hond, kende ik de woorden bijsluiter en bijwerking niet. En dat is maar goed ook. Je zou er nog van schrikken. Dat weet ik uit ervaring.
Ik weet nog dat ik voor het eerst van mijn leven (ik was vijftig) een bijsluiter las. Ik zat namelijk met een voetbalzweepslag en om een mogelijke ontsteking te remmen en de pijn te dempen slikte ik ‘Ibuprofen CF 400 mg, omhulde tabletten’. De bijsluiter was heerlijke kost. En dat is hij nog steeds. Je weet niet wat je ziet. Ik pak de tekst er even bij.
Het hoofdstukje Bijwerkingen is fascinerend. Jezus, Maria en Jozef! Men moet werkelijk stuiptrekkend ter aarde liggen, in de zekerheid dat de dood een kwestie van seconden is, om zelfs maar te overwegen 100 mg van deze omhulde ziekmaker tot zich te nemen.
Wat staat de slikker mogelijk te wachten? Ik noem: irritatie van de maag of darmen, misselijkheid, braken, verlies van eetlust, verteringsklachten, zuurbranden, diarree, bloedingen in het maagdarmkanaal en het weer actief worden van zweren in de maag of de twaalfvingerige darm.
Het betreft hier nog slechts aandoeningen in het maagdarmkanaal. Er zijn ook slikkers geweest die last kregen van hoofdpijn, duizeligheid, oorsuizen en slapeloosheid, waarbij zich nog juichend waandenkbeelden en aanhoudende neerslachtigheid kunnen voegen.
Nu geef ik toe dat de drie laatste aandoeningen ook een plaats zouden verdienen in de nooit uitgereikte bijsluiter des levens, maar om vrijwillig driemaal daags een pil te nemen waardoor men niet slaapt, redeloze angsten moet doorstaan en aanhoudend neerslachtig wordt, lijkt me een aan het suïcidale grenzende daad.
Maar de opsomming is nog maar net op gang gekomen. Ik lees: netelroos, bloeduitstortingen (‘al dan niet met jeuk’), koorts, huiduitslag en verschijnselen die lijken op hersenvliesontsteking. Nog een geluk dat ik, voor zover ik weet, niet lijd aan ‘systemische lupus erythematosus’, anders zouden de rapen pas echt gaar zijn. Ook ben ik geen ‘vrouw van het negroïde ras’. Mijn haar had bij bosjes kunnen uitvallen.
Alle andere slikkers hebben genoeg andere redenen tot ongerustheid. Zij krijgen, als de duivel het wil, last van verminderd gezichtsvermogen, acute ontsteking aan de nieren, vochtophopingen, luchtwegkrampen, afwijkende bloedbeelden in de lever, geelzucht of een aandoening genaamd aften. Dank u, dokter!
Ik mis nog het een en ander in deze juridisch verantwoorde lijst: zinkings, grijze staar en het syndroom van Hartmannswillerkopf bijvoorbeeld. Maar je kunt niet alles krijgen. Je bent zo ook al een held als je die pil slikt.
Dat was toen, maar er is nu een ziekteremmend middel waarbij geen duidelijke bijsluiter wordt verstrekt: de avondklok. Kennelijk hebben sommige mensen wel de beschikking over een bijsluiter. Deze: ‘Traumatische associaties met WOII. De avondklok kan herinneringen oproepen aan dramatische bladzijden in onze geschiedenis: de bange oorlogsdagen met de daarbij behorende Sperrzeit. Men hoeft die herinneringen niet te hebben om die toch hevig aan den lijve te ondervinden.’
Nee, de avondklok kan alleen in uiterste noodgevallen worden ingesteld. Voor je het weet, zit je in een angstpsychose waarbij dreunende Duitse laarzen je gehoor teisteren. Daarbij vergeleken is Covid-19 een niesbui om snel te vergeten.

Bob Frommé

Russisch (2)

Spraken wij vorige week over den Russischen mensch zoals die tot ons kwam in die docu over een cruiseschip op de Wolga, nu richten wij ons op de hevige gemoedsbewegingen en gevoelsuitstortingen die daarbij horen. Ze zijn typisch Russisch, al weet de rest van de mensheid er ook weg mee.
In het algemeen worden zulke bewegingen en uitstortingen onderverdeeld in echt en onecht. Dan hebben we het wel, toch? Nee. Het is ingewikkelder. Je hebt ook bewegingen en uitstortingen die zowel echt als onecht zijn. Valsheid en oprechtheid kunnen in één borst huizen. Het besef van die dubbelheid dank ik vooral aan de Russische literatuur. Ik ben het, buiten de werkelijkheid, nergens anders tegengekomen.
Ik geef drie voorbeelden. In De zwarte monnik van Tsjechov troost Andrej Vasilitsj Kovrin de jonge Tanja, die hevige ruzie heeft met haar vader. Ze huilt, schouderschokkend en handenwringend. En dan staat er: ‘Hij had vooral met haar te doen omdat haar verdriet niet serieus was, en ze toch zwaar leed.’ Bij Tsjechov zijn veel meer van zulke voorbeelden te vinden.
In het prachtige De dood van Ivan Iljitsj van Tolstoj is die dood aanleiding voor geruststellende gedachten bij Ivans collega’s: hij is dood en ik niet. Het verplichte bezoek aan de weduwe en het ontzielde lichaam is een last, omdat een gepland kaartavondje daardoor misschien niet doorgaat. En er moet rouw worden betoond. De weduwe, die blij is dat haar man dood is, zegt tegen Pjotr Ivanovitsj dat zij weet dat hij een echte vriend was van de overledene. En dan schrijft Tolstoj: ‘Pjotr Ivanovitsj wist dat het nu noodzakelijk was haar de hand te drukken, te zuchten en te zeggen: “Inderdaad!” En dat deed hij dus. En toen hij dat gedaan had, voelde hij dat dit het gewenste resultaat had: hij was ontroerd en zij eveneens.’
Hypocrisie die met echte gevoelens gepaard gaat. Zo ook bij Vasili Grossman, schrijver van het verpletterende meesterwerk Leven en lot. De hoofpersoon, de joodse fysicus Viktor Strum, is het middelpunt van een controverse waarin opnieuw vals en oprecht moeilijk te scheiden zijn. Strum heeft een belangrijke theoretische ontdekking gedaan en wordt daarvoor gefeliciteerd en omhelsd door zijn collega’s. Maar dan slaat de stemming om. Er zijn geluiden van hogerhand dat Strum ‘te abstract’ zou zijn en ‘te judaïsch’. Hij moet afstand nemen van zijn ontdekking en spijt betuigen. Hij weigert en wordt als de pest gemeden. Maar dan belt kameraad Stalin, die hem prijst en hem succes wenst. Plotseling komen collega’s van Strum die hem kort daarvoor nog kil aankeken, op hem af met van ontroering glanzende ogen; niet wegens Strums rehabilitatie, maar wegens zijn wetenschappelijke prestatie.
Ik zou niet durven beweren dat ik de gehele wereldliteratuur in mijn zak heb. Dat maakt mijn stelling dat het bovenbeschreven verschijnsel alleen in de Russische literatuur voorkomt, nogal twijfelachtig. Eén tegenvoorbeeld is al genoeg om die stelling onderuit te halen.
Misschien dat iemand onder de lezers met zo’n tegenvoorbeeld kan komen. Dan ben ik geholpen en niet geholpen. Maar dat is een andere dubbelheid.

Bob Frommé

Russisch

Ik ben een Russische roman binnengestapt. Of eigenlijk een verhalenbundel. Gebeurde vorige week. Ik zag personages van Tolstoj, maar nog meer van Tsjechov. De locatie: een armoedig cruiseschip op de Wolga, vol verdrietige, wanhopige, melancholieke, soms vrolijke, maar vaker verbitterde Russen. Zij waren de veelkoppige rolbezetting van een schitterende documentaire bij de VPRO: Bitter love, van de Poolse Zweed Jerzy Sladkowski.
De kleine, mollige, oudere vrouw die een oogje had op een oudere, flirterige man met een haviksneus, maar moest toezien hoe hij met een andere vrouw stoeide in het water van de Wolga en hem daarom een klap in zijn gezicht gaf. De oude, illusieloze, wodka hijsende liedjeszanger, die in zijn hut een verdrietige, door mannen teleurgestelde vrouw van in de veertig zijn melancholieke teksten liet horen over vijandige sneeuw en ijs in zijn handen dat maar niet wilde smelten. En die voor de ogen van die vrouw foto’s van hem en zijn vroegere geliefde doormidden scheurde.
En ook de jonge zangeres die, begeleid door haar vriend, die tot haar droefenis naar Amerika zou vertrekken, typisch Russische liederen zong over ‘mijn geliefde, bittere moederland’. De man die om zijn vriendin te tergen zijn halve baard had afgeschoren, maar haar later gladgeschoren toch ten huwelijk vroeg. En de door de kleine, mollige vrouw tijdens de cruise aangenomen dochter, die wegens slechte ervaringen geen man meer wilde in haar leven. (Geen wonder dat zo veel Svetlana’s hun heil zoeken bij een westerse man.)
Alles Russisch als de pest. Melancholiek, teleurgesteld in het leven, maar daar in schaamteloze ontboezemingen uiting aan gevend. Zo’n mooie, intens droevige film zou onmogelijk gemaakt kunnen zijn op een schip met Hollanders. Die klaverjassen of bingoën, en houden de ziel op slot. Veel pleit tegen het bestaan van een nationale volksaard – lijk ik op een Staphorster ouderling? – en toch kun je het bestaan ervan niet ontkennen.
Ach, dat eeuwig Russische! De Russische ziel. Ik schijn er zelf wat van te hebben. Als twintiger werd ik door mijn oudste vriend ten voorbeeld gesteld als ‘den Russischen mensch’, omdat je toen voor zwaarmoedigheid en ‘diepe’ emoties bij mij moest zijn. Maar ik ken het vooral uit de 19e-eeuwse literatuur. Ik herken die mensen op dat cruiseschip. Net als Natalja Wladimirowna uit een verhaal van Tsjechov zouden ze kunnen verzuchten: “Mijn God, mijn God, wat een verknoeid leven!”
Ik ben zelf maar één keer in Rusland geweest. Nergens 19e-eeuwse bastschoenen of knechten die op kachels slapen, maar wel ijzige kou, borsjt, datsja’s, wodka en samowars. En ik heb Ljev Mysjkin gezien, uit De idioot van Dostojewski. Hij stond eenzaam, met een wezenloze grijns, boven aan de lange trap naar de Heilige Drieëenheidkerk in Pskov. In die kloosterkerk zag ik het eeuwige, kromgebogen, in zwart gehulde oude vrouwtje – moedertje! baboesjka! – dat steunend op een stok langs de iconen schuifelde.
Nee, het is geen lolletje om een Rus te zijn, maar als onderwerp voor boeken en films zijn Olga en Igor uitermate geschikt. Wij Nederlanders hebben een distantiërende, uit het Engels geleende term voor ze: drama queens.

Bob Frommé

Ischa

Ik heb I.M. gezien, een mooie serie waardoor ik een ander beeld van Ischa Meijer heb gekregen. Door de pijn die hij, vooral als kind, heeft moeten ervaren, werden zijn brutaliteit en bewijsdrift voor mij een stuk begrijpelijker.
Iedereen heeft zijn eigen Ischa. Zijn aanwezigheid was zo groot en zijn optreden zo extreem dat je onmogelijk aan hem voorbij kon gaan. Hij liet niemand onberoerd.
Mijn Ischa is niet zo’n leuke Ischa. En dat komt voor een groot deel door mijzelf. Natuurlijk had hij een onuitstaanbaar grote bek en moest hij zo nodig acteren, zingen en dansen, wat hij helemaal niet kon. (Hans van Manen kon voor hem bedenken wat hij wilde, maar niemand kan een mopshondje laten vliegen.) Maar dat kan mijn weerstand tegen hem niet voldoende verklaren.
Ik kon trouwens ook van hem genieten, vooral van zijn dolzinnige, vaak meesterlijke radio-interviews. (Van de tv werd zijn geweldige, hilarische interview met Annie M.G. Schmidt klassiek.) Ik herinner me een radiogesprek met acteur Victor Löw dat van de kant van Löw slechts bestond uit hysterisch gegiechel. En dat snapte ik nog ook, zo grappig en snel was Meijer daar.
De andere kant daarvan was het moment dat hij fotograaf Daniel Koning al na een paar minuten wegstuurde. Koning, weet ik van mijn moeder, die hem ooit heeft ontmoet, was een zeer sombere man en dus ongeschikt gezellig op te treden in Circus Meijer. Mensen als Daniel Koning telden niet mee en moesten opdonderen.
Ik was bang voor Ischa Meijer. Als hij bij me in de buurt kwam, werd ik zeer zwijgzaam. Ik hoopte dat hij het woord niet tot mij zou richten. Ik was bang door hem in verlegenheid gebracht te worden. Ik zag hoe hij dat bij anderen deed.
Hij heeft me een keer opgebeld, toen hij nog niet zo lang met zijn dagelijkse Parool-column De Dikke Man bezig was. Hij wou een keer met mij en met Theodor Holman afspreken (‘hapje eten’) om te praten over het schrijven van columns. Ik wou dat niet. Ik wilde niks met hem te maken hebben. En ik heb die boodschap kunnen overbrengen zonder het rechtstreeks te zeggen. Rechtstreeks zeggen durfde ik niet.
Als ik op de redactie van Het Parool was en Meijer kwam binnen, hoorde ik hem al van verre naderen. Geschreeuw. Druk gedoe. De opwinding van een speedfreak. Ik had daar de pest aan, ook uit jaloezie, vrees ik. Hier was duidelijk iemand bezig alle aandacht te vangen alsof hij daar recht op had, en die overal schijt aan had. Ik had bij wijze spreken nergens schijt aan.
Op een keer stond hij in mijn buurt te fulmineren tegen zeker modern taalgebruik (tegen ‘dan heb ik zoiets van’, geloof ik). Voor het eerst zei ik iets tegen hem. Ik zei: “Ja, daar kan ik me ook zo aan irriteren.” Hij trapte erin en dacht dat ik die fout per ongeluk maakte. Het was een kleine triomf die geen bevrediging schonk. Het was minnetjes.
Dat was toen. Ik zeg nu volmondig dat Ischa Meijer briljant was. Voorbeeld. Ooit werd hem gevraagd naar zijn mening over het ik-tijdperk van de jaren tachtig. Hij maakte toen een fantastische cirkelgrap. Hij zei: “Daar heb ik niet zo veel van mee gekregen. Ik was te veel met mezelf bezig.” Ook dat was Ischa voor je.

Bob Frommé

Sentiment

Op het afgelopen jaar terugkijken? Geen zin in. Dat doet iedereen al en het was een jaar om snel te vergeten, hoewel ons dat natuurlijk nooit zal lukken. Nee, ik ga verder terug, naar de jaren stillekes toen de dieren nog konden spreken. Ik ga naar vroeger. Dat klinkt al sentimenteel, en dat is het ook.
Vroeger, hè, vroeger was ik een erg sentimenteel ventje. Niet dat mij om de haverklap de tranen over de wangen liepen – ik ben nu eerder ontroerd dan toen – maar ik had verschrikkelijk te doen met mensen die te weinig aandacht kregen.
Op de lagere school zat bij mij in de vijfde en zesde klas een jongen die groot en onhandig was en wiens gezicht bedekt was met puisten. Ik zou erachteraan willen zeggen dat hij later in de haven van Brest is verdronken, maar dat is niet zo, bij mijn weten. Niemand wilde iets met die jongen te maken hebben. Ik kende het begrip niet, maar ik denk dat hij een autist was.
Hij stond voor aanvang van de school wel in de rij op de speelplaats, maar hij stond daar alleen. Ik ging bij hem staan. En als hij jarig was, ging ik naar hem toe. Ik was de enige bezoeker. Het was treurig om met hem alleen in de gang een potje te knikkeren. En dan af en toe expres te verliezen. Zijn moeder, die ik niet meer voor me kan halen, schonk mierzoete ranja.
Maar die jongen was niet mijn enige antiheld. Als bij ons een fanfarekorps door de straat kwam, met de tambour-maître en de trompetters en de man met de grote trom, die de show stal door met zijn linkerhand op het rechtervel te slaan en omgekeerd, ging mijn aandacht uit naar het mannetje dat achteraan liep met de triangel.
Het is niet voor niets dat in de vaste openingsscène van de serie Blackadder goes forth een tamboerkorps over de exercitieplaats loopt, met een triangelspeler die net te laat is voor de eindtik. Hij is de eeuwige schlemiel van de serie: soldaat Baldrick. (“Say thank you, Baldrick.” “Thank you, Baldrick.”)
Triangelspelers zijn schlemielige mannetjes (type Wim Poncia, Meneertje Hiep in Pipo de clown) en ik ging naast zo’n schlemielig mannetje lopen om hem een hart onder de riem te steken, al snapte hij waarschijnlijk niet wat dat jongetje naast hem deed.
Zo ging ik weldoend rond, met onbezwaard gemoed en voor iedereen een vriendelijk woord. Nu ja, zo engelachtig was het bij lange na niet – sentimentaliteit is volgens James Baldwin ‘het masker van de wreedheid’ – maar dat zwak voor mensen die te weinig aandacht krijgen, is gebleven.
Die mensen hoeven niet eens schlemielen te zijn. Ik zag een keer – corona was nog ver weg  – een theatervoorstelling (Schuldeisers van Strindberg in het Compagnietheater) met acteurs die werkelijk niets schlemieligs hadden. Ze speelden fantastisch. Maar ik zag voor aanvang dat de vrij kleine zaal nauwelijks voor de helft was gevuld en vond dat niet prettig.
De voorstelling was meeslepend en ik schonk aan die onterechte halve bezetting geen aandacht meer. De acteurs leken er geen last van te hebben. Het vuur van hun spel verflauwde niet.
Pas aan het eind, toen de zaallichten aangingen en de acteurs voor het applaus naar voren stapten, besefte ik weer dat we met te weinigen waren. Ik klapte ter compensatie zo hard dat mijn handen er pijn van deden. Volgens mij deden de andere toeschouwers dat ook.
En dan thans de laatste zin van het jaar: ik wens iedereen een zo mooi mogelijk, coronavrij 2021!

Bob Frommé

Spiritueel (2)

Ik had het twee weken geleden over zweefvrouwen, maar zweefmannen heb je ook, natuurlijk. Ik viel op het Rotterdamse Open Kanaal binnen bij een lezing van Osho TV. Het gehoor bestond uit evenveel mannen als vrouwen. Ik denk dat de spreker op deze video nog geen Osho heette, maar Bhagwan, wat de Verlichte schijnt te betekenen. Het was voor het eerst dat ik hem zo lang (een half uur) aan het woord zag.
De spreker zette zijn volmaakt gemanicuurde vingertoppen tegen elkaar en bracht lange volzinnen voort, waaruit een volledige greep op het leven sprak. Hij had een onbewogen uitdrukking op het gezicht. Dat was al opmerkelijk, maar wat me het meest trof, was zijn dictie. Zijn Engels leek me voortreffelijk, maar de manier waarop hij stiltes tussen woorden en zinnen liet vallen, was tergend. Ik vermoed dat Bhagwan een uur nodig had om een lezing van een half uur te houden.
De traagheid van spreken werd nog versterkt door het lange uitlopen van de medeklinkers. Elke t aan het eind van een woord werd gevolgd door een -s die je met drie -s’en zou moeten weergeven om de dictie recht te doen. “Itsss… isss… importantsss… to stay… focusedsss.” Bij de slot-r deed hij iets vergelijkbaars. For werd forsss.
Ik moest denken aan wat Karel van het Reve ooit over Krishnamurti schreef. Hij had zich als kind al afgevraagd wie die man was. ‘Een Indiër, leek het (Pakistani’s bestonden toen nog niet) die in zijn onderhoud voorzag door op het kasteel Eerde toespraken te houden tot een bepaald soort mensen die in het Gooi woonden en die wat rijker en dommer waren dan andere mensen die ook in het Gooi woonden en Jan Romein of althans Emil Ludwig lazen.’
Van het Reve had op video gezien hoe Krishnamurti zich in een gesprek gedroeg. Hij vond hem een van die ‘huiskamerdemagogen die niet alleen door hun spreken, maar ook door hun zwijgen de ander overbluffen, omdat je slechts door grote onbeleefdheid aan zo’n tiran ontkomen kunt’.
Diezelfde tergende manier van spreken, die zelfverzekerdheid die op gewone stervelingen een geweldige indruk maakt, die duivelse tirannie zag ik in het optreden van Bhagwan. Zo komt hij ook naar voren in het boek dat zijn voormalige bodyguard Hugh Milne over hem schreef (Bhagwan, the God that failed).
De lezing was verbijsterend, door de uitvoering, door de diepe betekenis die zijn aanhangers eraan hechtten en door de inhoud. Het gaf niet wat je deed, beweerde de zelfbenoemde goedheiligman, als je het maar met aandacht deed. De moordenaar die in volledige concentratie het lijk van zijn slachtoffer in stukjes zaagt, was oké. Nee, dat zei hij niet. Hij suggereerde wel dat een dief die focusedsss was, vanzelf het stelen zou laten. (Hoezo?) Met zulke dingen liepen al die honderdduizenden weg in hun oranje pakjes. De mensen willen zich overgeven en desnoods bedonderd worden, vrees ik. Zalig kerstfeest.

Bob Frommé

Lennon

John Lennon stierf veertig jaar en zes dagen geleden door de kogel. Geen zelfmoord, geen overdosis zoals veel artiesten voor hem, maar door zijn overdosis aan beroemdheid, die zijn krankzinnige fan Mark C. ertoe bracht Lennon bij zijn New Yorkse appartement in zijn rug te schieten.
Ik had twee muzikale helden, die in een tijdsbestek van minder dan twee jaar doodgingen: op 29 juni 1979 Lowell George, de frontman van Little Feat, en op 8 december 1980 John Lennon. De schok was in beide gevallen groot; de dood van Lennon nog iets groter omdat hij was vermoord. (Lowell stierf aan een hartaanval wegens een overdosis cocaïne. Dat kon je in zekere zin zien aankomen.)
Aan Lennon heb ik veel te danken. Hij was mijn favoriete Beatle. Die andere grootheid, Paul McCartney (door mij als twintiger onderschat), was toch iets zoetsappiger. De cynische humor van Lennon was een verademing. Briljant was zijn aankondiging tegenover tienduizenden hysterisch krijsende meisjes, toen de band een liedje ging spelen dat een jaar eerder een hit was geweest. Lennon: “As some of the older ones might remember.” En natuurlijk zijn opmerking dat The Beatles bekender waren dan Jezus en dat hij bij een optreden de aanwezige koninklijke familie aanraadde, in plaats van te klappen, te rammelen met hun juwelen.
Dankzij Lennon weet ik wat ik eerst niet wist. Ik had thuis twee grote stapels. De ene stapel bestond uit boeken, de andere uit platen. Die twee hadden niets met elkaar te maken. Ik beschouwde literatuur en popmuziek als totaal gescheiden werelden. Nee, ook Bob Dylan mocht niet in spagaat op die stapels staan. Hij schreef teksten, maar die konden zich toch niet meten met de teksten van Reve, Pessoa of Drs. P.
Maar toen hoorde ik de eerste soloplaat van Lennon. Ik kreeg er een klap van op mijn hoofd. Dat heftige, persoonlijke, authentieke lied over zijn moeder en zijn vader, zo helemaal geen poponderwerp, zong zo hard na in mijn oren dat de oude scheidslijnen vervaagden. Ik wilde net als iedereen schrijver worden, maar nu wist ik dat eigen songs maken datzelfde doel kon dienen.
Ik schreef wel, maar wat ik schreef, stonk naar Reve of Kafka. Pas toen ik liedteksten maakte voor Noodweer, de band waarin ik zong, vond ik mijn eigen toon, mijn muziekje zoals Céline dat noemde. Lang niet alles was persoonlijk, al zaten er wel teksten bij over jaloezie en onbeantwoorde liefde. Ik was nu eenmaal geen singer/songwriter, maar zanger in een popband.
We hebben het nu over eind jaren zeventig en een groot deel van de jaren tachtig. Het duurde nog even voordat ik net als Lennon een lied over mijn moeder maakte. Noodweer was al voorbij. Mijn moeder maakte in 1998 met drank en pillen een eind aan haar depressieve leven. Vijf maanden later maakte ik de tekst van Moederschoot (zichzelf dood), en drie jaar geleden De stem van mijn moeder, over onze verstoorde relatie. Dat ik zo’n onderwerp aandurfde, dank ik voor een deel aan John Lennon.

Bob Frommé

P.S. Voor wie die teksten wil lezen, doe ik ze hieronder.

Moederschoot

Komt u toch binnen, mag ik uw jas
Daar is een stoel, hier is een glas
Het is voor ons allen een hard gelag
U weet toch dat u hier niet roken mag
Gaat u toch zitten en weest u maar stil
U mag ook naar haar toe, als u dat wil
Om haar te zien zoals u haar nooit hebt gezien
Maar dan verliest u de greep op de wereld misschien

Mama, mama moederschoot
Mama, mama moederschoot
Mama, moeder schoot zichzelf dood
Zichzelf dood

Nu ligt ze hier, straks in haar graf
Het was een leven en meer dat ze aan ons gaf
Een zwarte hand in haar heeft het leven neergedrukt
Ze heeft zich nu voor altijd van ons losgerukt
Troosteres der Bedroefden, Ark van het Verbond
Deur van de Hemel, maar ik zie haar vertrokken mond
Ze ligt hier in ruste, ze ligt hier in pijn
Waarom zijn de dingen godverdomme zoals ze zijn

Mama, mama moederschoot
Mama, mama moederschoot
Mama, moeder schoot zichzelf dood
Zichzelf dood

Laten we huilen nu het nog kan
Laten we huilen tot de laatste man

Mama in de kist, mama was koud
Mama, ik wist, nu ben ik oud

De stem van mijn moeder

Ik gaf geen geluid, moeder schreeuwde het uit
Haar eerste zoon werd geboren
Ik ademde niet tot haar grote verdriet
Op de gang kon mijn vader haar horen
Een klap op mijn rug bracht mijn adem terug
Mijn moedertje raakte in tranen
Haar pijn was zo groot, ze ging bijna dood
Ik scheurde haast al haar membranen

Ik lag aan haar borst en ze stilde mijn dorst
Volgens haar schonk Maria dit leven
Genadig het lot door de moeder van God
Die had haar dit wonder gegeven
Alles was warm door dat kind op haar arm
Ik vervulde heel haar verlangen
Geen weet van verdriet in het verre verschiet
Gelukstranen over haar wangen

Oh-oh-oh-oh, ik hoor nu weer de stem van mijn moeder
Oh-oh-oh-oh, eindelijk hoor ik de stem van mijn moeder

Mamma was blij en hield zielsveel van mij
Nog was ik een schattige koter
Warmbloedig de band, er leek niets aan de hand
Maar haar engeltje werd almaar groter
Helaas op den duur, ach, smoorde het vuur
Niet bij haar, maar wel bij haar jongen
Hij werd het zo moe, al haar drukke gedoe
Haar spontane gedrag was gewrongen

Oh-oh-oh-oh, ik hoor nu weer de stem van mijn moeder
Oh-oh-oh-oh, eindelijk hoor ik de stem van mijn moeder

Ik ging weg van het nest, ik liet haar de rest
Zij raakte soms in alle staten
Ze klampte zich vast, als ik er weer was
Ik verstijfde en kon niet meer praten
Ik weet niet waarom, dat ging buiten mij om
Maar ze werd door depressies besprongen
Ziek werd ze, ziek, vaak in een kliniek
Haar hoogste lied was uitgezongen

Oh-oh-oh-oh, ik hoor nu weer de stem van mijn moeder
Oh-oh-oh-oh, eindelijk hoor ik de stem van mijn moeder

Vaak was ik geremd, door haar treurspel ontstemd
Ik heb haar te weinig gegeven
Heb me vaak afgewend en haar liefde miskend
En nu overzie ik haar leven
In hoge nood getrouwd met de dood
Het noodlot had geen erbarmen
Ik zie wie ze was, nu rest slechts haar as
Ach, kon ik haar nogmaals omarmen

Oh-oh-oh-oh, ik hoor nu weer de stem van mijn moeder
Oh-oh-oh-oh, eindelijk hoor ik de stem van mijn moeder

Spiritueel

Spiritualiteit is vooral een vrouwending, zo lijkt het. Janine Abbring beschreef laatst een detox-yogaretraite in het Gooi: vijftien vrouwen, één man. Veel mannen schijnen last van te hebben van hun spirituele vrouw. Wat is en was het probleem? In HP/De Tijd stond een keer deze noodkreet bij wijze van kopregel: ‘Help! Mijn vrouw is spiritueel geworden.’
Het begint met het lezen van Happinez, dat vooral gericht is op de zoekende vrouw. In dat blad straalt het levensgeluk je tegemoet, als je maar in je kracht durft te staan en naar je eigen pijn toeademt. Op den duur kunnen zulke vrouwen verstrikt raken in een medisch-cultureel-spiritueel web van cursussen en therapieën die allemaal het onmogelijke beloven: eeuwigdurend geluk. Een man ziet lijdzaam toe hoe zijn vrouw voor 250 euro ‘ontstoringsblokjes’ in huis laat plaatsen. Of zijn vrouw sproeit water in zijn gezicht met een verstuiver. “Even wat negatieve energie wegspuiten.”
In het weekend is ze weg: in haar blootje in een zweethut zitten en huilen naar de maan. (Doen mannen ook, trouwens – male bonding -maar het gaat hier even over de vrouwen.) Of ze ontdekt in twee dagen de geheimen van helende stenen of Tibetaanse klankschalen. Dan zijn graancirkels, waar Lange Frans alles van weet, bio-energetica en de theorie dat hartvormige blaadjes goed zijn voor je hart, niet ver weg.
Ik heb nog geluk gehad. Eind vorige eeuw geloofde mijn toenmalige vrouw niet in ufo’s of aardstralen. Ze spoot me niets in het gezicht. En ze dwong me ook tot niets. Wel bezocht ze zweethutten en stripte ze zich vrij. En ze liet zich meetronen naar een bijeenkomst van Landmark Forum, een Amerikaanse geldmachine die de mensheid de hemel belooft: ‘Als u eenmaal kennis heeft gemaakt met deze nieuwe dimensie van mogelijkheden, heeft u toegang tot een methode om voortdurend doorbraken te verwezenlijken op ieder gebied van het leven.’ Gelukkig bleef ze uit de klauwen van die lui.
Om mijn goede wil te tonen ben ik wel een keer mee geweest naar een tantra-avond. Stel dat het me zou meeslepen, dan liet ik me toch fijn meeslepen? Waarom niet? En het zou, had ik gehoord, de seks ten goede komen. De vrouwen waren in de meerderheid, maar er waren ook mannen op de bijeenkomst afgekomen, natuurlijk weer wegens die seksbelofte.
We zaten in een carré op de grond en ik wilde na twee minuten al weg. De cursusleidster begon met te zeggen dat we op weg hierheen een spanning hadden opgebouwd, al was het alleen maar omdat we het juiste adres hadden moeten vinden. Die spanning moesten we van ons af laten glijden; focussen moesten we, op het hier en nu. Dat ergerde me enorm, want ik voelde die spanning helemaal niet en ik was ontzettend in het hier en nu, omdat ik al die anderen zat te bestuderen. Maar toen kwam het zinnetje dat voor mij de deur dichtdeed: “Geef jezelf een groot hallo.” De rest van de avond was even erg.
Ik zeg: mensen die last hebben van een dwingende spirituele partner, moeten in hun kracht blijven staan, aarden en hun diepste zielspotentie vrijmaken (lees: wegwezen).

Bob Frommé

Van Merwijks

Even een taalvraag. Wat is het tegenovergestelde van larmoyant? Iemand? Ja, nuchter en laconiek komen in de buurt, maar zijn het net niet. Dit is mijn antwoord: Van Merwijks. Het begon ermee dat Jeroen van Merwijk begin dit jaar familie en vrienden moest vertellen dat bij hem terminale kanker in darmen en (aansluitend) lever was aangetroffen. Hij schreef op zijn Van Merwijks aan de ‘lieve mensen’ dat zij binnenkort ‘het veelzijdige genie en morele kompas dat zich nu al bijna 65 jaar Jeroen van Merwijk mag noemen’ zouden moeten missen.
Dat bericht, dat als een lopend vuurtje door het wereldje ging, bereikte ook de redactie van de Volkskrant. Groot interview, dankzij de kanker, want een gezonde, niet-terminale Van Merwijk was niet interessant, niet ‘groot’ genoeg geweest. (Zo kreeg ook Thé Lau ineens veel aandacht en een oeuvre-Edison, toen hij dodelijk ziek bleek te zijn.)
In dat interview zei Van Merwijk dat een last van zijn schouders was gevallen. “Ja, opluchting is het eerste dat ik voelde toen ik hoorde dat ik terminaal ziek was. Hè, hè, eindelijk van het gezeik af.” Nuchter of laconiek voldoen hier niet als kwalificatie. Van Merwijks.
In een radio-interview met Frits Spits liet hij weten dat hij bezig was aan een boekje met de Van Merwijkse titel Kanker voor beginners. Dat boekje danken we aan zijn besluit zich levensverlengend te laten behandelen. Hij wilde fatsoenlijk afscheid kunnen nemen. Of zoals hij zei: “Je kunt er niet zomaar tussenuit piepen, dat is niet eerlijk.”
Kanker voor beginners ligt in de lijn van het indrukwekkende Rinkeldekink, dat Martine Bijl na haar hersenbloeding schreef. Overeenkomst: de humor. En Martine Bijl was ook verre van larmoyant. Gevoelige passages maken dan des te meer indruk.
Typisch Van Merwijks is het niet-clichématige gebruik van clichés, waardoor je ook bij zwarte mededelingen in de lach schiet. Eerst heeft hij uitgelegd dat slechts een beperkt aantal behandelingen zin heeft, omdat de tumoren aan de chemo ‘gewend’ raken en methodes ontwikkelen om de chemo onschadelijk te maken. Dan volgt zo’n zinnetje: ‘Want je kunt van meneertje kanker zeggen wat je wilt, maar hij is niet snel voor één gat te vangen…’
Hij heeft nog plannen: theaterprogramma maken, nog een paar mooie schilderijen maken en het boekje te schrijven ‘dat u op dit moment met rode oortjes zit te lezen’. Die rode oortjes doen het hem.
Maar ook zonder clichés staan in dit boekje veel fijne zinnen. Van Merwijk heeft veel boeketten en meer dan honderd bemoedigende mails ontvangen. ‘Het is eigenlijk net één groot verjaardagsfeest, maar dan leuk.’
En deze passage: ‘Het grote publicitaire voordeel van mijn ziekte is natuurlijk dat zij niet alleen ernstig is. Maar ook nog eens terminaal. Twee voor de prijs van één, als het ware. Laten we eerlijk zijn, dat kunnen alleen de heel groten!’
Mocht het zo zijn dat Jeroen van Merwijk nog wat langer mag leven, dan heeft hij nog een boekje in het vooruitzicht gesteld: Kanker voor gevorderden. Ik kijk daar om meerdere redenen naar uit.

Bob Frommé

Toeval

’s Middags gaf Hans aan Theo en mij een boek met de titel Blind vertrouwen, geschreven door Michael Berg. ’s Avonds zag ik een Deense film, Den skyldige, waarin een man aanvankelijk ten onrechte wordt verdacht van een gruwelijke misdaad. Zijn naam: Michael Berg. Wat een toeval, niet?
Om deze kleine gebeurtenis in de juiste context te plaatsen even dit: Theo en ik vormen het Nederlandstalige duo Blind Vertrouwen en Hans is de studioman met wie we vrijdag onze cd Wonder voltooiden. Om dat te vieren kreeg Hans een mooie fles port, wij Blind vertrouwen van Michael Berg. (Zo zie je maar waar zo’n stukje goed voor is, want nu weet de lezer met een vol verwachting kloppend hart: binnenkort komt de Wonder-cd van Blind Vertrouwen uit!)
Ik zag dus vrijdag de naam Michael Berg voor de tweede keer op één dag opduiken. Een wonder van synchroniciteit, zou je zeggen, zij het een kleintje. Maar eerder op die dag gebeurde nog iets veel gekkers. Ik noemde Hans al, Hans de Lange. Hij wilde van mij het telefoonnummer en e-mailadres hebben van degene die onze cd zou masteren (digitaal afwerken). Ik appte hem die, maar kreeg een vraagteken terug. Hans zat achter zijn studiotafel en had niet geappt. Ik bekeek nog eens goed van wie dat vraagteken afkomstig was. Gewoon van Hans de Lange. Hè? Wat kregen we nu?
Ik vergrootte het persoonsplaatje bij de app die ik had teruggekregen, en zag een man en een vrouw, van wie de man in niets leek op Hans de Lange, maar wel degelijk Hans de Lange heette. Er begon me iets te dagen. Ik keek in mijn contactgegevens naar het nummer van mijn Hans en vroeg hem dat voor mij te herhalen. Er bleek één cijfer verschil te zitten tussen wat hij zei en wat ik had (een 5 i.p.v. een 6).
Ik had dus iemand proberen te appen met een verkeerd nummer dat niettemin bij iemand aankwam met dezelfde naam als degene die ik wilde bereiken. Dat is een krankzinnig toeval. Misschien is het aantal Hansen de Lange nog tamelijk groot, maar de kans dat twee van die Hansen een nummer hebben dat maar één cijfer verschilt – en nou net dat cijfer dat ik verkeerd had – is één op iets met idioot veel nullen. Wat een toeval dat dat juist nu, juist mij overkwam! En naar later bleek, nog een keer die dag, met die Michael Berg.
Als ik geloofde in wat zweefdenkende kwakzalvers als Carl Jung en Deepak Chopra beweren of beweerd hebben, zou ik het begrip synchroniciteit omarmen en geloven dat ‘toevalligheden waardevolle boodschappen zijn van de niet-plaatsgebonden intelligentie die ons de richting wijzen naar onze lotsbestemming’. Aldus Deepak Chopra, die het weer van Jung heeft. Synchroniciteit kan je volgens Deepak helpen contact te maken met de onbegrensde mogelijkheden in jezelf.
Even denken. Ik moet in Blind Vertrouwen het Lange pad op de Berg beklimmen om daar een Wonder aan te treffen. Ik ben eruit! En wat een heerlijk gevoel te veronderstellen dat je eruit bent.

Bob Frommé

Crypto (2)

We hadden het hier over het genot en de wanhoop van het cryptoën. De crypto doet nog meer: de mensen terdege samenbrengen. Ik zat geregeld met wijlen mijn schoonmoeder in de riante tuin van mijn schoonzus en zwager om ons hoofd te breken over een cryptogram. De afspraak was: we roepen gewoon alles wat in ons hoofd opkomt, hoe stom het ook mag lijken. Zo kwamen we lacherig tot de juiste oplossingen.
En ik kwam dankzij een crypto onverwacht in contact met een vreemde in de trein. Het was een warme dag. In een snikheet boemeltje op weg naar Hoek van Holland kwam een man naast me zitten die een grote behoefte aan spreken had. Ik had juist een krant met een half ingevuld cryptogram te voorschijn gehaald toen hij zei: “Wat is dat? Een kruiswoord of een… eh…” “Cryptogram,” zei ik. Hij boog naar me over en zei: “O ja, een cryptogram. Mag ik eens kijken?”
De man had niet alleen een grote behoefte aan spreken, hij sprak met een aanzienlijk volume. Hij zag eruit als iemand die, al was hij in de veertig, nog bij zijn moeder woonde. Wat hij zei, was vriendelijk, maar ook opdringerig en op een niet duidelijk aanwijsbare manier buiten de orde.
Hij nam me de krantenpagina uit handen en bekeek de oplossingen die ik al had. “Droevige holle ruimte!” riep hij. “Treurnis… Maar waar is die holle ruimte dan? Ah, nis! Zou ik nooit op komen. Ben je wiskundige of zo? O, journalist. Waar schrijf je dan over? Kunst en cultuur. Juist. Ook literatuur? Wolkers en zo? Die schreef steeds hetzelfde. Het was net James Bond. Man ontmoet twee meisjes, het ene meisje gaat dood en met het andere krijgt hij iets leuks. Dat is bij Wolkers zo en bij Bond. Jij hebt ook iets met taal. Hoe ver ben je nu met je cryptogram?”
Ik liet hem de oplossing van artistieke kloosterling zien: kunstbroeder. “Zo! En wat is dit? Negen verticaal: Die dokter heeft wat te verbergen. Hè? Heler? Jaja, heler. O, heler!” Hij maakte een beweging alsof hij me wel kon slaan, maar hij bleef goedmoedig. “Als je zo goed met taal bent, kun je ook nog advocaat worden. Iemand als Spong.” “Ik schrijf liever,” zei ik, met een schuine blik op mijn cryptogram. Noot voor een Franse vriend in de VS. Ami, ami… do-ami, re-ami… Miami!
De man was intussen over de Europese politiek begonnen. “Ik vind Europa helemaal niks! Ik stem natuurlijk op Wilders. Op wie anders? Ik ben wel eens in Straatsburg geweest. Daar lopen allemaal secretaresses in mantelpakjes uit Parijs en ze voeren niks uit. Nee, ik stem op Wilders.”
Ik had de crypto af. Laatste opgave was: Zo grondig dat men geen steek meer uitvoert. Vier letters had ik al. Het moest zijn: uitgebreid. Ik was uitgebreid.
Mijn meelezer keek ernaar en hief zijn hand in een nog fellere quasi slaande beweging. En hij wenste me met zijn harde stem nog een prettige dag, want de trein had zijn bestemming bereikt.

Bob Frommé

Crypto

We gaan een lekker potje cryptoën. Een prettige bezigheid in tijden van isolatie en het is een soort hometrainer voor de geest. Erik Scherder haalt hier zijn vaste rekwisiet tevoorschijn om aan te wijzen in welke lob die heilzame hersengymnastiek zich afspeelt.
Een goed cryptogram geeft degene die het invult, een esthetische gewaarwording en een gevoel van harmonie. Even is het wereldraadsel teruggebracht tot een ingewikkelde, maar oplosbare puzzel.
Je hebt cryptogrammen die vreselijk zijn. Ik heb van lang geleden deze opgave onthouden: N.B. zonder de rekening met de huishoudzeep in de bekende drieëenheid…!? Na lang turen zie je de oplossing. Voor degene die nooit een crypto heeft opgelost: nota bene zonder nota met Lux is Benelux. De gewaarwording: fijn dat je de oplossing ziet, maar wat afzichtelijk gewrongen is dit raadseltje. De puntjes en het uitroep- en vraagteken zeggen al genoeg.
Een cryptogram is een kunstwerk, de cryptograaf een kunstenaar. En zoals je slechte kunstenaars hebt, zo heb je ook prutsende cryptografen. Een goede cryptograaf bedenkt: Geld als water. Oplossing: kapitaalstroom. Dit vind ik geloof ik het elegantste type. Opgave en oplossing zijn een normale uitdrukking en de betekenis van de opgave keert terug in de oplossing. Verlangen naar een melodie = wijsbegeerte is fraai, maar de betekenisovereenkomst ontbreekt. Kantiaans verlangen naar een melodie zou weer te doorzichtig en te geforceerd zijn.
Wat heel aardig is: als spontaan een opgave plus oplossing bij je opkomt. Ik had dat twee keer. Zittend in de trein van Utrecht naar Rotterdam kwam deze: Duckstad. Ik reed langs station…, ja, welk? Inderdaad, Woerden. En deze, onlangs: De hoofdstad van Mongolië. Dat moet Downtown zijn. (Als een actuele cryptogrammenmaker zich het hoofd zou breken over de Amerikaanse verkiezingen, zou hij met deze kunnen komen: Verliezende troefkaart in den vreemde.)
Lange opgaven die uit meer woorden bestaan, zijn het gemakkelijkst. Die loopt zo binnen bij de klachtenafdeling (3,5,2,5). Oplossing: Een brief op poten. Of deze: Ridderromans zijn een mannending (5,5). Oplossing: Edele delen. Heerlijk is het moment waarop het denkbeeldige lampje boven je hoofd plotseling begint te branden.
Tot zover het genot. Nu de ellende: de afschuwelijke ontdekking dat een goede oplossing niet goed is. Ik boog me eens over de horizontale opgave Zakdoek (9). Het denkbeeldige lampje floepte na enige tijd aan: parachute. En ik zette er een denkbeeldig uitroepteken achter, want ik had nog niet één letter. Hij was mooi. En kijk, die h was de beginletter van de oplossing van de verticale opgave Smakelijke Duitser (9): hamburger. Zo, die parachute zat in de tas.
Maar de andere verticale oplossingen bleven onvindbaar, wat ik ook probeerde. In uiterste wanhoop liet ik me verleiden tot de gedachte dat sommige verticale oplossingen goed waren, hoewel ze botsten met die parachute. Zou parachute dan toch niet goed zijn? Zou er een andere oplossing zijn die ook de h van smakelijke Duitser bevatte? Ja, ongelukkige! Valscherm, ook met de h op 6. Godallemachtig!
Het overkwam me ook bij deze horizontale opgave: Voor hem is bladvulling dagelijkse kost (9). Herkauwer. De h en de twee r’en kwamen ook nog eens overeen met drie verticale oplossingen. Hartstikke goed dus. Bleek het verdorie herbivoor te moeten zijn!
Nee, geef me dan maar deze toepasselijke opgave: Helemaal opgaan in het kraken van de puzzel. Daar is de simpele oplossing al: oplossen. Doet de cryptomaan met plezier.

Bob Frommé

De vliegende fiets

De fiets is een schitterend ding, een weldaad voor de mensheid. Dat besef je eigenlijk nooit, net zo min als je verbaasd bent over het water uit de kraan, de boekdrukkunst en het bestaan van eierwekkers, aspirines en nietmachines. Het is doodgewoon, het is doodgewoon geworden. Zo is het ook met de fiets.
Vanmorgen zwaaide ik zonder noemenswaardig probleem mijn linkerbeen over het zadel en trapte ik, zittend als een vorst, de pedalen lustig rond. Heerlijk, en ik besefte dat zo goed, omdat ik het twee weken niet heb gekund. Ik heb namelijk spit.
Dat is een even vervelende als komische aandoening. Je voelt pijnscheuten bij de geringste beweging en de hoogte van een stoeprand is al een bijna onoverkomelijke barrière. Dat is lachwekkend. En je kunt erom lachen, omdat het een aandoening van niks is. Je bent niet ziek, er dreigt geen invaliditeit en het gaat vanzelf over. Spit is bepaald geen Volksvijand Nummer 1.
Hinderlijk is het wel. Een wandeling naar de winkelstraat, voetje voor voetje met de fiets als rollator, wordt voor de spitlijder een expeditie. Hij kan nauwelijks opstaan uit zijn zittende positie en beweegt zich voort als een stokoude man met een voetgebrek. In het moderne verkeer een straat oversteken, wist ik al van een eerdere liesblessure, is voor de mobiliteitsuitgedaagde een levensgevaarlijke onderneming. De duur van het groene voetgangerslicht blijkt opeens veel te kort te zijn.
Goddank nemen de klachten af en is daar het moment dat je de fiets uit de berging durft te halen. Bij het opstappen ontsnapte mij een lichte kreun, maar het ging. Het ging! In een beschaafd tempo reed ik langs de Kralingse Plas en besefte, na twee weken onthouding, wat een wonder de fiets is. Je zweeft over het aardoppervlak. En bij gelijke inspanning beweeg je je veel sneller voort dan lopend, zeker als je alleen maar kunt strompelen. Dat weet iedereen en het is niks bijzonders. Maar dat is het natuurlijk wel. De mensen beseffen het alleen niet.
Ik fietste ditmaal geen rondje Rottemeren, maar een rondje Kralingse Plas. En ik had de goede stemming, waarbij allerlei gedachten bij je opkomen. Iemand schreef ooit dat de benen de wielen van het denken zijn. Ik maak ervan: de wielen zijn de vleugels van het denken.

Bob Frommé

Nieuwe wanen

Het staat voor sommigen als een paal boven water dat de hoofdstroom-media alleen maar bezig zijn ons, onnozele burgers, allerlei leugens op de mouw te spelden, opdat wij in slaap sukkelen en nooit meer wakker worden. Ik hoorde laatst Roos Moggré van EenVandaag iets opmerkelijks zeggen. Ze zei: “Corona zorgt voor nieuwe wanen.” Ah, ze had het over de mensen die beweerden dat ze ‘wakker’ wilden blijven. Dat waren dus juist degenen die in wanen leefden. En daar had ze groot gelijk in.
Maar ik vergiste me. Het was wel waar wat ze zei, maar ik had haar verkeerd verstaan. Ze zei in werkelijkheid: “Corona zorgt voor nieuwe banen.” Maar die nieuwe wanen bestaan wel degelijk. En ze komen soms akelig dichtbij als mensen die je goed kent en van wie je houdt, beweren dat corona niet meer is dan een griepje en dat de overheid verborgen bedoelingen heeft met haar knevelende maatregelen.
De gedachte dat mensen die dergelijke dingen geloven, dom zijn, houdt geen stand. Die indruk van afgrondelijke domheid krijg je wel eens als je mensen op straat geïnterviewd ziet worden. Dan hoor je dat ze niet in feiten geloven. Of: “Heel de Nederlandse staat en de buitenlandse staat is één groot pedofielennetwerk.” Of: “De ziekenhuizen lopen helemaal niet vol. Dat is een leugen. Stond op internet.” Maar je kent mensen in de ‘fabeltjesfuik’ (Arjen Lubach) die helemaal niet dom zijn.
Zo heb je George van Houts, bekend van De verleiders. Een fel baasje dat eerder al beweerde dat 9/11 een opzetje was van de Amerikaanse regering. Dankzij de prachtige coronacolumns van Theodor Holman, verzameld in Onsterfelijk. Angst en liefde tijdens corona, weet ik hoe George over corona denkt. Dat is een heel andere, fantasierijkere theorie dan die van de virusontkenners.
Hij gelooft wel degelijk in het verwoestende effect van Covid-19. Het zit namelijk zo. Het coronavirus is doelbewust ontwikkeld door de Chinese overheid. Een vaccin hebben ze ook. Daarmee zijn alle leden van de communistische partij geïnjecteerd. Dat gewone Chinezen dood zouden gaan, was geen probleem. Miljoenen landgenoten laten creperen is een traditie die teruggaat op de Grote Roerganger Mao.
En waar werd dat virus losgelaten? In Wuhan. Dat is namelijk de stad van waaruit China de meeste handel met het Westen drijft. Daar komen dus ook veel buitenlanders. Kip, ik heb je! Zo kon het virus zijn triomftocht over de wereld beginnen, met China als lachende wereldmacht.
Inventief is het zeker. Ik zie George ook geen Kamerleden belagen of haatmails versturen. Zijn ‘domheid’ is eerder een paranoïde stoornis. Zo zal ik ook maar aankijken tegen die ‘Word wakker’-roepers uit mijn eigen omgeving. Dat liever dan afscheid van ze nemen.

Bob Frommé

Lachen

Lachen, even lekker ouderwets lachen, zou dat niet fijn zijn? Weg met die herfstige gevoelens, weg met de mismoedigheid over de hernieuwde sociale opsluiting, weg met de ergernis over het waanwijze hoofd van Jort Kelder met dat ironisch getuite mondje en die heen en weer schietende, quasi wanhopige oogjes. Nee, lachen, onbezorgd lachen.
Dat deed ik toen ik een stukje las van een zeer goede vriend. Hij had een folder gelezen van het Luxor Theater waarin de blijde wederkomst van Ronnie Flex werd aangekondigd. Laten we zeggen dat die vriend geen Flex-bewonderaar is. Hij citeerde de aankondiging, die onmogelijk door een taalvaardig persoon geschreven kon zijn: ‘Hij groeide afgelopen vijf jaar uit tot een van de grootste artiesten van Nederland. Stond op alle grote podia die ons land kent, won alle prijzen die je als artiest kan winnen en werd door vriend en vijand bejubeld voor zijn unieke talent dat zich manifesteert in maar liefst drie disciplines (rapper, zanger en producer).’
Deze zin deed me denken aan de aanprijzing voor een concertreeks van René Froger, ook een topartiest die door vriend en vijand wordt bejubeld. Die aanprijzing was nog veel krommer dan die van Flex: ‘Behalve een enorme opsomming van (statische) hoeveelheidaantallen, geldt de aankomende concertproductie ongetwijfeld als een markant hoogtepunt in de vaderlandse showbusiness die zijn gelijke niet kent.’
Om zulke zinnen kun je lachen, maar het is niet die onbezorgde, vrije lach, waarmee alle kwade sappen worden verdreven. Die lach kwam wel toen ik de zin las waarmee mijn vriend reageerde op de Flex-tekst: ‘Nog afgezien van het verschrikkelijk slechte Nederlands is deze loftuiting voor mij de grootste gotspe sinds God denkt dat ie Louis van Gaal is.’
Het zorgt voor de juiste kortsluiting in de hersenen, waardoor de geest de houvast verliest en het luchtruim kiest. Zulke grappen vind je ook, in overvloed, in de Engelse serie Blackadder met Rowan Atkinson. We lachen nog even verder.
In de derde reeks heeft Blackadder weinig goede woorden over voor The Scarlet Pimpernel (gespeeld door Rik Mayall). Wat hij zegt, heeft dezelfde structuur als de Flex-grap: “Hij is het meest overschatte menselijk wezen sinds Judas Iskariot in het Jaar Onzes Heren 31 de Beste Discipel-competitie won.”
In de vierde reeks speelt Mayall Lord Flashheart, een onuitstaanbare opschepper, die dingen zegt als: “Dat ik het meubilair meervoudige orgasmes kan geven alleen door erop te zitten, wil nog niet zeggen dat ik niet ziek ben van deze rotoorlog.” Op die bluffer reageert Captain Blackadder als volgt: “’De meeste infanteristen denken dat je een idioot bent. Vraag je de mannen wie ze liever hebben – Squadron Commander Flashheart of de man die de openbare toiletten in Aberdeen schoonmaakt, dan kiezen ze altijd voor Wee Jock Poo-Pong McPlop.”
Wat biedt troost in benarde tijden? Ik noem drie dingen: goeie grappen, de acties van Lionel Messi en Spanish Moon van Little Feat. Het was fijn u weer eens te zien.

Bob Frommé

Geweldig dronken

Dronkenschap kan leiden tot wezenloosheid, lichamelijk ongemak, onwelvoeglijkheden, beledigingen en handgemeen, kortom, tot schuld en schaamte. Maar dronkenschap kan ook heerlijk zijn.
Het slaapfeest, ver van huis, duurde tot diep in de nacht en als je ’s morgens trillerig de trap af komt, is de alcohol nog lang niet uitgewerkt. Er zijn al mensen op, en een van hen drinkt een ‘medicinaal’ flesje bier van het merk Palm, terwijl hij een luchthartig referaat houdt over de onderverdeling der mensheid in onschuldigen en niet onschuldigen. Je groet de aanwezigen met een hartelijk “Dag jongens!”, hoewel het gezelschap zeker niet alleen uit jongens bestaat. Iemand vraagt of je goed geslapen hebt en jij zegt: “Nou nee, ik heb een enorm gebrek aan slaaptekort.” Dan maak je belangstellend een Palm open – “Alleen even ruiken” – en terwijl je je neus boven de fles houdt, zeg je (je schrikt er zelf van): “I love the smell of Palm in the morning.”
Dat zijn dingen waar je nooit op zou komen, als je in nuchtere toestand verkeert. Die geïnspireerde, uitheinige en soms vreemd lucide toestand is natuurlijk ook door schrijvers omarmd. Ik denk hier aan de notoire drinkers Reve en Den Uyl (Bob).
We beginnen met Gerard Kornelis van het Reve, De avonden, hoofdstuk 7. Avondje uit in een drankgelegenheid met vele memorabele passages. ‘“Weet je wat het is?” zei Frits, die niet op dezelfde plek kon blijven staan, “als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.”’ Frits grijpt zijn vriend Viktor een tijdje later bij de arm en zegt: “Als je maar één oog hebt, dan is het nacht, als je knipoogt. Heb je daar wel eens aan gedacht?” En dan is er op de wankele weg naar huis zijn ontmoeting met de buren: “Dan bent u de gordijntjes op halve hoogte.” Het is de familie Visser. ““Een eenvoudige naam,” zei Frits met nadruk, “een eerlijke naam. Je ziet elkaar dagelijks, maar je gaat langs elkaar heen, terwijl we eigenlijk broeders zouden moeten zijn.”’
Dan Bob den Uyl met het verhaal Leerzame mededelingen uit Gods wegen zijn  duister en zelden aangenaam. Den Uyl staat op een receptie, drinkt zijn glas in één teug leeg en werpt het met een wijde boog achter de rijen jassen in de garderobe. Hij zegt tegen zijn toevallige gezelschap: “Een anekdote misschien. Weet jij misschien een anekdote? (…) Maar geef dan wel een duidelijk teken wanneer de anekdote is afgelopen. Ik luister nooit naar anekdotes.” Etc.
De overeenkomst tussen die twee voorbeelden: de taal die door de geest in de fles een brutale kwartslag draait en daardoor vrij wordt. Daarbij zou ik willen zingen (uit een nummer van het akoestische duo Blind Vertrouwen van wie ik de helft ben):
Geef me een drankje dat geen kegel geeft
En waarvan de kater zevenmijlslaarzen heeft
Geef me een drankje uit een fles met een ziel
Spiritus is geest, God, ik ben geen debiel
(refrein:) Geef me-(n)-’t, ah, geef me-(n)-’t, want ik heb geen nut

Bob Frommé

Laatste zomerdag

Ik maak plaats. Ik geef ruimte. Ik ben vandaag doorgeefluik. De reden: iemand bracht hulde aan de laatste zomerdag en dat deed ze zo mooi dat ik het aan anderen wil laten zien. De wereld moet hiervan kennisnemen. Anders blijft het verborgen in de digitale wereldzee, want daar heb ik het van. Ik las het op het blog van Judith Zeeman, waar nog veel meer moois is te vinden (www.kleinborkel.wordpress.com).
Ze woont landelijk en daar zie je dingen die voor de stadsbewoner verborgen blijven. In alle vroegte, een grondmist op de velden die alles in nevelen hult, wandelt zij de zonsopkomst tegemoet. En langzaam onthult het landschap zich, het vage beeld van een zich uitrekkende zilverreiger als eerste teken van leven. De beschrijving van deze openbaring is prachtig. Ik moest denken aan Tsjechov die ook zo goed was in landschappen. En ze doet er ook nog eens wurgend mooie plaatjes bij. Hieronder slechts één van die foto’s, met de zilverreiger.
Tijd om Judith Zeeman zelf aan het woord te laten, ononderbroken, zonder tussenkomst van mijn grote hoofd, aldus Bob Frommé:

Coulisselandschap als Japanse knipkunst

Een wonderschoon coulisselandschap in de vroege ochtendnevel, zo delicaat als Japanse knipkunst. Weliswaar zonder kraanvogel, maar wel met een grote zilverreiger die zich breed uitrekt. Het was op die septemberdag, weifelend tussen zomer en herfst, dat een dikke mist tot ver in de ochtend z’n billen parkeerde op de natte aarde. Ik liep er dwars doorheen en wachtte op de uitgestelde zonsopkomst. 
De zon brak pas laat door en gaf alle ruimte aan de witte wieven die boven de weilanden hingen en in slierten rond de bomen dansten. Ze zweefden op de bosrand af en verdeelden de taken: jij bedekt de knoestige boomwortels, ik maak de kruin onzichtbaar, of misschien spreid ik halverwege de stammen mijn armen uit – laten we het ervan nemen, nu het nog kan. Bomenflard na bomenflard doemde op om daarna ook weer in het niets te verdwijnen. Magie.
In de oranje gloed van grondmist, aangelicht door de nog onzichtbare zon, speurden grote zilverreigers en ooievaars naar muizen en kikkers. Ze waren er vroeg bij en strekkebeenden kalm, maar trefzeker door het weiland. Van mij mocht de zon nog even uitslapen. Ik had geen haast. 
Er moest hier een bos zijn, ik wist het zeker. Maar ik liep door een kleine stille wereld die weinig prijsgaf. Ik had op een bergtop kunnen staan met vergezichten en diepe kloven rondom en ik had het niet geweten.
Geleidelijk aan kreeg de lucht meer kleur en ineens brandde de zon door de mist heen. En daar, uitsluitend in het felle licht van die gloeiende bol waren ineens contouren te zien: slechts een paar takken onthulden dat daar inderdaad bomen stonden.
Het duurde niet lang of de zon eiste haar plaats op. Weg met die mist en die witte wieven. Er verschenen lange schaduwen en de grondmist dunde zienderogen uit en loste ten slotte op. De laatste zomerdag brak aan.’

Bergschrijvers

In 2 voor 12 waren hun namen bij parallelle vragen het juiste antwoord: de bekendste Nederlandse bergbeklimmers Ronald Naar en Bart Vos. Ah, Vos en Naar! Ik heb die mannen een tijdje intensief gevolgd, omdat ik zelf door de bergen gegrepen was en bergschrijvers vaak goede schrijvers zijn.
Ik had bergschoenen, maar een alpinist was ik niet. Ik heb wel op topjes gestaan en op zadeltjes gezeten, maar ik ben er te laat aan begonnen: op mijn veertigste. Ik kan zeggen dat ik op de Pico de Portillon Superior heb gestaan, in de Spaanse Pyreneeën, op een zomerdag. Hoogte: net geen drieduizend meter. (Koor van alpinisten: “Hahaha!”) Je kon zien hoe in de verte de Franse wolken over de rand lekten en oplosten in de Spaanse hitte.
Na lang turen op de kaart zag ik dat het inderdaad de Superior was. Bijna had ik moeten zeggen dat ik op de Pico de Portillon Inferior had gestaan, al scheelde die in hoogte maar vijftig meter. Dit was duidelijk mijn eindpunt. Jaloers zag ik andere lopers/klimmers zonder enige moeite dit topje nemen, op weg naar hoger oorden.
De hoogste toppen kan ik alleen bereiken door erover te lezen, maar ik denk steeds vaker dat ik niet te laat ben begonnen, maar precies op tijd. Ik las boeken van Vos en Naar, en vele anderen. Die schreven over bevroren ledematen, akelige ongelukken en ongekende kinnesinne. Als ik niet zo laat begonnen was, had ik nu waarschijnlijk stijfbevroren op de flanken van de K2 gelegen.
Ik lees dat klimmersproza graag, maar op den duur gaan sommige dingen je tegenstaan. Klimmen is een eentonige handeling, dingen gaan zich herhalen. (De renner van Tim Krabbé kon ook maar één keer geschreven worden; voor wielrennen geldt hetzelfde.) Daar zijn ze weer: de ijsval, de graat, de morene, de serac, de stijgijzers, de pickels, de musquetons, het aluminium pannetje waarin de sneeuw, de eeuwige sneeuw, wordt gesmolten voor de vele liters thee die nodig zijn om uitdroging op grote hoogte te voorkomen, etc. Veelgebruikte zinnetjes: ‘Ik kijk op mijn horloge’ en ‘Wat een idioot!’.
Zie het Himalaya dagboek van Bart Vos. Medeklimmer Ronald Naar is ‘een idioot’ met ‘misselijke plannetjes’. Vos en Naar: ontzettend eerzuchtige mannen. Beide claimden prestaties die door anderen werden aangevochten. Naar, die ook het verwijt kreeg dat hij op de Everest een stervende Indiër aan zijn lot had overgelaten, zou ondanks zijn stellige beweringen nooit de top van de achtduizender Nanga Parbat hebben gehaald. En Vos zou nooit op de top van Everest hebben gestaan en, na een solobeklimming, evenmin op die van de Dhaulagiri. Daar kwamen in beide gevallen nare rechtszaken van. Nee, de boegbeelden van het Nederlandse klimmen hadden geschonden gezichten en een bloedhekel aan elkaar.
Lees nu het volgende: ‘Het is een merkwaardig feit, dat ik gedurende de vier maanden die we, vaak onder moeilijke omstandigheden, samen hebben doorgebracht, nooit een ongeduldige of nijdige opmerking van een expeditielid tegen een ander heb gehoord.’ Aldus kolonel John Hunt in zijn boek over de eerste geslaagde, door hem geleide Everest-expeditie in 1953 (Edmund Hillary en sherpa Tenzing Norgay op de top). Als het waar is wat die man schrijft, leidde hij een expeditie van heiligen waarbij niemand zich naar of vossig gedroeg.

Bob Frommé

Liedje vertalen (3)

Ik doe er nog één. Drie is een mooier getal en ik wilde ook hulde brengen aan mijn favoriete Engelstalige poptekstschrijver Randy Newman. Maar welk nummer? Twee dreven boven: Political science en God’s song (That’s why I love mankind). Het eerste is een onweerstaanbaar grappig schimplied op de Amerikaanse superioriteitswaan. Laten we ‘die grote jongen’ op de rest van de wereld gooien, want ze hebben toch de pest aan ons. Leukste regels: ‘We’ll save Australia/ Don’t want hurt no kangaroo/ We’ll build an all-American amusement park there/ They got surfin’ too’ en daarna dat refrein: ‘Boom goes London, boom Paris’ etc.
Het werd toch het tweede, een indringend, sarcastisch lied waarin een wrede God zich verkneukelt over de goedgelovige mensheid (https://www.youtube.com/watch?v=C0TvfqmWf4M). Is Amy Winehouse in Back to black soms voor meerdere uitleg vatbaar, Randy Newman is (net als John Sebastian) een en al helderheid. Maar net als Amy gebruikt Randy meermalen een drievoudig rijm. En ik ben een puritein. Driemaal rijmen is driemaal rijmen. De halve regel ‘how blind you must be’ vraagt heel eenvoudig om ‘hoe blind kun je zijn’, maar de volgende twee regels moeten eindigen op ‘wij’ en ‘mij’. Dat rijmt maar ten dele op ‘zijn’. Dan wordt het toch het minder letterlijke, maar ij-eindigende ‘daar was je zelf toch bij’.
Dat was natuurlijk maar één van de dilemma’s. Wat doe je bijvoorbeeld met de zes lettergrepen van ‘That’s why I love mankind‘? Eerst had ik ‘Het mensdom is mij lief’, ook wegens dat ‘dom’, maar ik vond het uiteindelijk te gedragen. Het moest neerbuigender: ‘Zo schattig is de mens‘? Is het toch ook niet. We houden het simpel: ‘Dus houd ik van de mens.’ Of nee, te vlak, niet vilein genoeg. ‘De mensheid maakt me blij.’ Die doen we.

God’s Song (That’s why I love mankind)

Cain slew Abel, Seth knew not why
For if the children of Israel were to multiply
Why must any of the children die?
So he asked the lord
And the lord said:

Man means nothing, he means less to me
Than the lowliest cactus flower
Or the humblest yucca tree
He chases round this desert
’cause he thinks that’s where I’ll be
That’s why I love mankind


I recoil in horror for the foulness of thee
From the squalor and the filth and the misery
How we laugh up here in heaven at the prayers you offer me
That’s why I love mankind


The christians and the jews were having a jamboree
The buddhists and the hindus joined on satellite tv
They picked their four greatest priests
And they began to speak
They said, Lord, a plague is on the world
Lord, no man is free
The temples that we built to you
Have tumbled into the sea
Lord, if you won’t take care of us
Won’t you please, please let us be?
And the lord said
And the lord said


I burn down your cities – how blind you must be
I take from you your children and you say how blessed are we
You all must be crazy to put your faith in me
That’s why I love mankind
You really need me
That’s why I love mankind


Op zijn Nederlands:

Gods lied (De mensheid maakt me blij)

Kaïn doodt Abel, Seth vraagt waarom
Wat blijft er zo over van het jodendom
Waarom komt een van de kinderen om
Hij vroeg het de Heer
En de Heer zei:
Voor Mij is de mens nog minder dan
Het laagste cactusbloempje
Of een nietig boompje uit Japan
Hij zwerft door deze woestijn
Alsof hij mij daar vinden kan
De mensheid maakt me blij

In afschuw deins ik terug, ge zijt onrein
Zo smerig, zo vuil, zo ellendig te zijn
Voor ons in de hemel is jullie bidden een lachfestijn
De mensheid maakt me blij

De christenen en joden hielden een assemblee
Met boeddhisten en met hindoe’s via satelliet-tv
Ze kozen hun vier hoogste priesters
En zij namen het woord
Ze zeiden: Heer, de wereld is een ramp
Heer, geen mens kan vrijheid aan
De tempels die we voor u bouwden
Zijn in vloedgolven vergaan
Heer, als u geen zorg voor ons wil dragen
Laat u ons dan alstublieft bestaan

En de Heer zei
En de Heer zei
Ik verbrand jullie steden – daar was je zelf toch bij?
Ik ontneem je je kinderen, nog zeg je: gezegend zijn wij
Je moet wel gek zijn vast te geloven in mij
De mensheid maakt me blij
Je hebt me echt nodig
De mensheid maakt me blij 

Bob Frommé

P.S. Ik werd erop gewezen dat ik het mis had bij Amy’s regel ‘You loved blow and I loved pow’. Zij zingt integendeel ‘You loved blow and I loved puff’ (waardoor het rijmt op ‘enough’). Ik ben overtuigd. De vertaling moet daarom zijn: ‘Jij wilde coke, ik wilde crack’.

Liedje vertalen (2)

Ik heb na vorige week te smaak te pakken of liever: de smaak heeft mij te pakken. Ik had een onaffe tekst liggen die ik te danken heb aan Parool-columnist Theodor Holman. Die was op verzoek van een zangeres bezig met de vertaling van Back to black van Amy Winehouse en vroeg daarbij mijn hulp. Dat vond ik fijn, ook omdat de teksten van Winehouse niet, zoals veel popteksten, alleen maar bestaan uit clichés of vage onzin. En het is een van de mooiste popliedjes allertijden.
De clip van het nummer is prachtig (http://www.youtube.com/watch?v=TJAfLE39ZZ8). Zwart-wit, met een begrafenisstoet die wordt voorafgegaan door Amy zelf. In de kist, een kleine kist, ligt haar hart. Lullig alleen dat ze het woordje dick hebben gewist.
Back to black is een authentiek woedend, bitter lied van een bedrogen vrouw. Amy maakt het een vertaler niet gemakkelijk. Ze heeft zelfs drie op elkaar rijmende regels. En als je dan ook nog de inhoud precies wilt weergeven in Nederlands dat zingbaar is, sta je voor een opgave waarbij je twijfelt of je in je handen moet wrijven of naar je hoofd moet grijpen.
De tekst van het eerste couplet: He left no time to regret / Kept his dick wet / With his same old safe bet / Me and my head high / And my tears dry / Get on without my guy / You went back to what you knew / So far removed from all that we went through / And I tread a troubled track/ My odds are stacked / I’ll go back to black.
Refrein: We only said goodbye with words/ I died a hundred times/ You go back to her/ And I go back to…
Ik wil net zo hard rijmen als Amy. Aan het eind van het couplet laat ze stacked op track en back rijmen. Dat kan eigenlijk niet. Maar het geeft mij een alibi om ook een beetje uit te glijden. Ik laat pad, hart en zwart rijmen. Moet maar.
Theodor zei het al: We only said goodbye with words is heel moeilijk. Simpele woorden, maar wat betekenen ze? Zijn ze uit elkaar gegaan met ruzie? Kon er zelfs geen omhelzing vanaf? Of zéggen ze alleen maar goodbye, terwijl ze weten dat ze niet van elkaar kunnen loskomen? Ik hou het op de woordenstrijd.
Maar het lied heeft nog een couplet, minder streng rijmend, maar lastiger dan het eerste: Love you so much/ It’s not enough/ You love blow and I love pow/ And life is like a pipe/ And I’m a tiny penny rolling up the walls inside.
Wat wil Amy zeggen met dat blow/pow? Dat wordt zoeken bij ‘straattaal’, maar dan kom je er nog niet uit. Blow kan natuurlijk pijpen betekenen, maar is ook een drugswoord (cocaïne) en pow kan van alles betekenen, waaronder harde, hevige seks. Ik maak daar echte seks van. En van blow maak ik het bijna op seks rijmende crack. Het lichtelijk gezochte beeld van dat muntje in die pijp komt uit de lucht vallen. Maar Amy wil het zo. En dan komt het er ook. Hier is haar Nederlandse variant:

Weer op zwart

Hij had geen seconde spijt
Neukte weer die meid
Dat gaf hem zekerheid
Verslagen ben ik niet
Verder ondanks het verdriet
Dat hij me achterliet
Jij koos voor de veiligheid
Zo ver van onze liefde, onze strijd
Ik struikel op mijn pad
Kansloos is mijn hart
Ik ga weer op zwart

Ons afscheid was een woordenstrijd
Ik stierf wel duizend maal
Ga jij maar weer naar haar
Dan ga ik weer op…

Mijn liefde ben jij
Maar ’t mocht niet zijn
Jij wilde crack, ik echte seks
Het leven is als een buis zo hol
Waarin ik als klein muntje tegen de wanden rol

Ons afscheid was een woordenstrijd
Ik stierf wel duizend maal
Ga jij maar weer naar haar
Dan ga ik weer op…
Zwart zwart zwart

Maar het vertalertje beseft terdege: dit kan beter.

Bob Frommé

Liedje vertalen

Ik kreeg een paar dagen geleden een mailtje van mijn oudste vriend. Het was wat je noemt een bondig mailtje. Tekst: ‘leuk’. De bijlage was een filmpje van John Sebastian, bijgestaan door twee zangeressen. Het liedje dat zij zongen, Did you ever have to make up your mind?, stamde uit de tijd van The Lovin’ Spoonful, de band van Sebastian, die al optrad tijdens Woodstock. Sympathieke band: luchtige, inventieve muziek, leuke teksten.
Mijn vriend zei later aan de telefoon dat zij volgens hem zijn te beschouwen als de Amerikaanse Kinks. Daar zat veel in, vond ik. What a day for a daydream van The Lovin’ Spoonful kon je qua sfeer zomaar naast Sunny afternoon van The Kinks leggen, ook al zijn The Kinks veel sarcastischer dan Sebastian.
Vriend zei ook nog dat hij vooral dol was op Darling be home soon, want waarom wil de zanger dat zijn liefje thuiskomt? Niet, zoals in de pop gebruikelijk is, om te neuken, maar ‘For the great relief of having you to talk to’. Praten. Daar gaat je publiek niet van op en neer springen. Van de muziek trouwens ook niet.
Ik werd aangenaam getroffen door dat filmpje waarop de oude John Sebastian (hij is van 1944) zijn liedje zingt met The Mona Lisa Twins, een tweeling die Mona en Lisa heet (https://www.youtube.com/watch?v=GH3bgLY0TnQ). Ik pakte de tekst erbij en wist meteen: dit wil ik vertalen (zoals Jan Kal vaak doet).

Vertalen is leuk, stapte hij over op een ander onderwerp. Het is een puzzel waarvan je niet zeker weet of hij is op te lossen en het is een manier om je je andermans woorden eigen te maken. En elke vertaling is persoonlijk, omdat iedere vertaler een andere vertaling maakt. Het is me inmiddels wel duidelijk: liedteksten zijn moeilijker dan gedichten. Bij gedichten kun je je ritmisch meer veroorloven. Liedteksten, als je ze tenminste zingbaar wilt houden, moeten precies passen. Kijken of dat wil lukken:

Did you ever have to make up your mind?
Pick up on one and leave the other one behind
It’s not often easy, and not often kind
Did you ever have to make up your mind?

Did you ever have to finally decide?
Say yes to one and let the other one ride
There’s so many changes, and tears you must hide
Did you ever have to finally decide?

Sometimes there’s one with deep blue eyes, cute as a bunny
With hair down to here, and plenty of money
And just when you think she’s that one in the world
Your heart gets stolen by some mousy little girl
And then you know you better make up your mind
Pick up on one and leave the other one behind
It’s not often easy, and not often kind
Did you ever have to make up your mind?

Sometimes you really dig a girl the moment you kiss her
And then you get distracted by her older sister
When in walks her father and takes you in line
And says “Better go home, son, and make up your mind”
Then you bet you’d better finally decide!
And say yes to one and let the other one ride
There’s so many changes, and tears you must hide
Did you ever have to finally decide?


Vertaald:

Heb je ooit voor een beslissing gestaan?
Kies je de een, laat je de ander gaan
Lief zijn is anders, waar haal je ’t vandaan
Heb je ooit voor een beslissing gestaan?

Keuzes zijn heel hard, maar soms ook verplicht
Je bent nu eenmaal voor die ene gezwicht
Veeg dus die tranen maar van je gezicht
Keuzes zijn heel hard, maar soms ook verplicht

De een is echt een schoonheid met diepblauwe ogen
En mooi golvend haar en eigen vermogen
En net als je denkt: ze is de ware voor mij
Komt er plots een muizig hartendiefje voorbij
Dan weet je: ’k kom voor een beslissing te staan
Kies je de een, laat je de ander gaan
Lief zijn is anders, waar haal je ’t vandaan
Heb je ooit voor een beslissing gestaan?

Gek op een meisje dat heerlijk kan kussen
Maar dan valt je oog op een van haar zussen
Hun vader ziet dat allemaal met lede ogen aan
Hij zegt: ‘Je moet echt achter je beslissing staan’
Dan weet je zeker: keuzes zijn soms verplicht
Je bent nu eenmaal voor die ene gezwicht
Veeg dus die tranen maar van je gezicht
Keuzes zijn heel hard, maar soms ook verplicht

Tot zover de tekst. Allen in koorzang: ‘Heb je ooit voor een beslissing gestaan?’ Ik zing mee.

Bob Frommé

Nederlands!

Zijn wij Nederlanders een ruimdenkend volkje? Dat zou je kunnen denken als je ziet hoe wij andere talen omarmen, en natuurlijk vooral het Engels. Niet al te nationalistisch zijn – in tegenstelling tot de Angelsaks en de Fransoos – geen al te hoge dunk van jezelf hebben, dat is mooi. Zeker. Maar ik vrees dat wij wat onze eigen taal betreft niet ruim denken, maar gebukt gaan onder idiote minderwaardigheidsgevoelens. We zijn een klein gebied, maar dat zegt niets over onze taal.
In zijn voorkeur voor het Engels vergeet de Nederlander zichzelf. Ik heb daar vaker op gehamerd. Hij neemt geen beslissing meer, hij doet geen voorspelling meer, nee, hij máákt een beslissing en hij máákt een voorspelling. En hij zet liever Sale op zijn winkelruit dan Uitverkoop, hoewel uitverkoop een betere, specifiekere term is dan verkoop. Verkopen wil zo’n winkelier het hele jaar door. Het simpele, doeltreffende hekje is gesloopt ten gunste van de hashtag. De zanger van Racoon denkt dat Nederlands ongeschikt is als voertuig voor popmuziek. En de Nederlander slikt dankzij de Engelse mist popteksten waar hij in het Nederlands om zou lachen. “Ik ben op zoek naar een hart van goud.” (Neil Young, die in dit geval beter Nelis de Jong had kunnen heten.) En denk ook aan de lyrische, uit de bocht vliegende Bob Dylan. Die liet de cowboy-engel op vierbenige boswolken rijden, terwijl zijn kaars werd aangestoken in de zon. Sentimentaliteit en hooggestemde lariekoek zijn prachtig, als ze maar Engelstalig zijn. (In Nederland komt alleen Bløf daarmee weg.)
Die overschatting geldt niet alleen het Engels. Laatst las ik de zinsnede: ‘…wat Duitsers zo mooi Schadenfreude noemen’. Hier kunnen we de auteur wijzen op het woordje leedvermaak, dat precies hetzelfde is als die Duitse term en er dus in niets voor onderdoet. Nederlandse sportverslaggevers gebruiken met genoegen en enige trots de woorden Seleçao en Mannschaft voor de nationale elftallen van Brazilië en Duitsland. Ze denken echt dat ze daarmee iets speciaals zeggen, terwijl die elftallen gewoon ‘selectie’ en ‘ploeg’ heten. (Dat is iets heel anders dan de Rode Duivels als benaming voor het Belgisch elftal.) Maar ja, in het buitenlands klinkt het allemaal zo veel beter en chiquer dan in dat banale Nederlands.
De Engelsen worden beschouwd als het geestigste volk op aarde. Ze hebben natuurlijk geweldige komedies en komieken voortgebracht. Maar onderschat hier de overschatting niet. Engelse uitdrukkingen kun je als ongelooflijk beeldend en geestig beschouwen als je niet weet dat ze staand zijn. De Engelsman die ze gebruikt, is een stuk minder geestig dan je zou denken.
Het Nederlands kan even beeldend en geestig zijn, maar ja, de mensen zien het niet. Je hoeft maar een tijdje voor je uit te staren en de voorbeelden komen in rijen tot je. Laten we ons hier beperken tot eenvoudige, krachtige beeldspraakwoorden.
Hier een lijstje:
hondsmoe, stikbenieuwd, gitzwart, beeldschoon, gortdroog, knettergek, spring-in-’t-veld, ijzerenheinig, voetstoots, broodnuchter, doodsbang, pijlsnel, bronsgroen, loodzwaar, strontvervelend, pokkenvent, fluweelzacht, (niet kunnen) heksen, stomdronken, nek-aan-nekrace, geeuwhonger, spuuglelijk, rattenkopje, hekje, bloedmooi, halve zool, Spaans benauwd, staalblauw, bomvol, kuddegeest.
U begrijpt: dit is eindeloos uit te breiden. Laten we niet op onze rug liggen met de pootjes omhoog. Laten we trots zijn.

Bob Frommé

P.S. Complicerende factor is wel dat ik een Nederlander ben en er zelf ook niet aan ontkom. Casanova klinkt toch fijner dan Nieuwenhuis.

Vrouwenmoed (2)

Eerder dit jaar deed ik een bewering. Nu ja, het was eigenlijk meer een vermoeden en vermoedens kunnen worden weersproken. Ik vermoedde dat vrouwen meer lef hebben dan mannen als het erom gaat jezelf te tonen in al je onmacht. Dat moet je durven.
Ik haalde twee vrouwen aan die dat onbeschaamd deden. De ene, Silvia Toebak, deed dat in een stukje dat ze opende met het krachtige zinnetje: ‘Ik kan niks.’ Bijvoorbeeld: ‘Ik kan geen man vinden. Eén keer heeft een man mij gevonden, maar hij heeft me weer verlaten voor een vrouw die viool kan spelen. Ik kan geen viool spelen.’
De andere vrouw, Cindy Hoetmer, schreef een lang stuk over haar ‘mislukte leven’. Ze schreef niet dat ze niks kan, maar dat ze niks heeft. Ze heeft zelfs geen midlife-crisis. Ze vraagt zich nooit af of dit alles is: ‘Om dingen saai te vinden moet je ze eerst hebben en ik heb niks.’
Die twee deden aan magie: ze maakten op wonderbaarlijke wijze van hun zwakte een kracht. Dan moet je wel de moed hebben de eigen mislukking in het volle licht te zetten. Ik vermoedde dat mannen dat niet durven. Maar ik had buiten Hans Dorrestijn gerekend.
Op fietsvakantie in Zuid-Limburg, waar de natuur in volle glorie om je heen bloeit, kruipt en zweeft in de vorm van allerlei organismen waarvan ik de namen niet weet, las ik Dorrestijns Natuurgids. Een heerlijk boek vol observaties, bespiegelingen en autobiografische verhalen met als bonus schitterende dierennamen als wrattenbijter, geelgroene toornslang en schreeuwarend. Vogels zijn Dorrestijns specialiteit, maar zelfs mij is bekend dat de natuur meer te bieden heeft.
Het boek opent met maar liefst acht voorwoorden (ongebruikelijk, maar typisch Dorrestijnse losse pols). Het gaat me om nummer viii. Liefst zou ik dat helemaal citeren, maar dan is dit stukje van hem en dat moet niet. Uitgebreid citeren is niettemin noodzakelijk: ‘Dan nu een autobiografisch nummer, getiteld Ik-kan-helemaal-niks. Ik weet nooit hoe je een nieuwe zak in de stofzuiger moet doen. Bij zomertijd weet ik niet of de klok voor- of achteruit moet. Met strippenkaarten kan ik ook niet omgaan. Ik stempel voor de zekerheid altijd drie zones meer af. Moet u vragen: ‘Hoe weet je dat?’ Weet ik niet! Ik zie het verschil niet tussen een Kabeljauw en een Schellevis. Ik zie ook geen verschil tussen een gewone auto en een diesel. Ik kan Sheffield niet aanwijzen op de kaart van Engeland. Ik hoor het verschil niet tussen Vivaldi en Corelli. Ik kan Leonardo da Vinci nooit uit elkaar houden. Ik zie het verschil niet tussen een Kabeljauw en een Schellevis. Ik heb een slecht geheugen. (…) Zelfs als ik een hobby beoefen, ben ik er slecht in. Ik kijk al jaren vogels en ik ga vaak mee met vogelreizen. Als u ergens in Europa een groepje vogelaars omhoog ziet staan turen bij een boom en iemand in dat groepje vraagt: ‘Waar staan we naar te kijken?’ – dan ben ik dat.’
Dat is allemaal nog te beschouwen als verregaande onhandigheid en dat kun je charmant noemen. Maar elders in het boek vertelt hij ook over zijn totaal misplaatste arrogantie en zijn mislukte liefdesleven. Dorrestijn is dus wel degelijk een man met vrouwenmoed.

Bob Frommé

Hoop

Is er nog hoop? Jazeker. Ik ben tijdens mijn rondje Rottemeren zojuist weggereden van uitspanning Meerenbos en ik word doorstroomd door positieve gevoelens. Ik ga er langzamer van fietsen. Ik ben nog vol van die oude kerel die tegenover me aan het terrastafeltje zat. Het resultaat van die toevallige ontmoeting: hoop.
Ik zat aan het tafeltje dat als enige nog beschikbaar was. De rest was bezet of gereserveerd. Een oude man met een rollator keek vorsend om zich heen en ik wees naar de stoel schuin tegenover mij. Hij gaf me een knikje en bestelde koffie met een langwerpig cakeje, dat hij moeiteloos naar binnen schoof.
Hij vertelde dat hij net een rondje had gelopen van dertien kilometer. Achter die rollator. Toen hij mijn verbazing zag, zei hij: “O, maar het is niets bijzonders, hoor. Ik ben eraan gewend. Doe het al vier jaar en heel vaak.”
Hij pakte zijn telefoon, een piepklein mobieltje uit de vorige eeuw, tikte een nummer in en vroeg: “Moet ik op dat groene drukken?” Dat moest hij. Hij belde met een waarschijnlijk medische instantie, want hij moest zijn geboortedatum en -jaar opgeven: 30-01-1925. Nu ja, het was transportdienst Trevvel voor zieken en bejaarden.
De man was dus 95 en toch dat halve rondje gelopen! Hij was ook nog op dezelfde dag jarig als ik. Dat vertelde ik hem; vond hij wel grappig. “De dag voor Beatrix.” Ik vroeg hem of hij in zijn leven veel had gesport. “Nauwelijks. Ja, ik heb op hockey gezeten, maar ik kreeg een bal keihard op mijn been, of nou ja, op mijn broek. Dat was dus meteen een carambole. Ik vond het een rotsport. Ik ben meer van het schaken.”
Zo gezond zo oud worden is mooi, maar onderweg verlies je wel je naasten. Dat vond mijn tafelgenoot wel meevallen. “Ik heb een vriend van 99. Wordt volgend jaar honderd! En ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Jaja. Ik heb mensen leren kennen in de serviceflat waar ik woon. De Hillegondaflat in Hillegersberg. Twee grote kamers, een badkamer, een balkon met uitzicht op de Bergse Plassen en een keukentje. Nee, koken doe ik niet. Dat hoeft daar ook niet, want je krijgt elke dag een driegangendiner, bereid door wat je noemt een sterrenchef. Het is echt goed. Mag ook wel voor die prijs. Ik betaal 2900 euro per maand. De medische verzorging is ook perfect. Ik heb een knopje op mijn kamer. Als ik daarop druk, komen ze je zeg maar oprapen.”
Geld was het probleem niet. “Ik kan het betalen, ja. Ik heb geld en dat maak ik gewoon op. Hoef niks aan mijn kinderen na te laten. Die kunnen voor zichzelf zorgen. Heb ik ook altijd gedaan. En ik heb een goed pensioen. Bij Shell gewerkt. Goeie werkgever. Het gaat nou niet goed, hè, met dat miljardenverlies, maar wat wil je? Ik werk er niet meer, dan gaat zo’n bedrijf naar de klote. Hahaha.”
Het busje van Trevvel maakte een einde aan ons gesprek. We namen hartelijk afscheid en wensten elkaar alvast een fijne verjaardag.

Bob Frommé

P.S. Als je in de weidsheid van de Rottemeren een oude man achter een rollator ziet lopen, moet hij dat zijn. Groet hem dan van mij.