Stukjes

Mart Smeets verdient nog een nahik. Veel reacties gehad op het stukje van vorige week. Allemaal medestanders, mannen en vrouwen, die het hunne denken van Mart Smeets. Iemand schreef dat hij Haarlem een leuke stad vindt. ‘Daar komt ook de grote Godfried Bomans vandaan. Er is echter een groot nadeel aan die stad verbonden: Mart Smeets komt er vandaan.’
Een Nederlands-Schotse lezer noemde hem een ‘fucking wanker, met z’n enorme kritiek op z’n medeverslaggevers’. En Kick van der Veer wees me op het al oudere anti-Smeets-lied MS van Pieter Nieuwint. Die zong aan het eind, nadat hij meermalen zijn hekel aan Mart Smeets had laten horen, dat hij een folder in de bus had gekregen met de tekst ‘Help MS de wereld uit’. Hij hoopte dat zijn lied daar een bijdrage aan had geleverd.
In dat koor van Smeets-versmaders klonk één andere stem: ‘Sorry mannen, ik kan de Mart prima hebben…’ Erg leuk, zo’n tegengeluid, maar ik wil toch nog even wijzen op een zinnetje uit dat Varagids-interview dat ik vorige keer heb laten liggen. Smeets: “Ik loop de 100 meter niet meer in 11 seconden, kan ik je mededelen.” Niet iedereen zal dat meevoelen, maar van zo’n zinnetje – en dan vooral het tweede gedeelte – word ik gek. Het zijn twee enorme clichés aaneengeregen, maar gebracht als een superieur staaltje ironie en zelfspot. Ik zie daar dat zelfvoldane hoofd bij.

Ik hoorde van de week dat door het liedje Zoutelande van Bløf het toerisme in Zoutelande flink is toegenomen. In de tekst wordt over Zoutelande eigenlijk alleen maar gezegd dat het een strand heeft en Zoutelande heet. Zo gaan Chinezen en Italianen naar Giethoorn, omdat dat nietige plaatsje ‘het Venetië van het Noorden’ wordt genoemd.
Radioman Jan Donkers, die net als ik Little Feat-fan is, liet zich ooit inspireren door de tekst van Willin’. Daar komen nogal wat plaatsnamen in voor. (Amerikaanse tekstschrijvers hebben een streepje voor. Van Denver naar de oceanen reizen klinkt toch beter dan van Apeldoorn naar de Noordzee.) Lowell George zingt: ‘And I’ve been from Tucson tot Tucumcari, Tehachapi to Tonopah.’ Het ligt voor de hand dat alliteratie een belangrijk motief is voor die opsomming. Maar Donkers was kennelijk zo gegrepen door de romantiek van die exotische Amerikaanse plaatsnamen, dat hij, op reis in de VS, besloot bij alle vier langs te gaan. Dat werd – vanzelfsprekend – een grote teleurstelling. Dan denk ik toch dat Zoutelande het beter doet.

Op het terras van uitspanning De Eekhoorn in het Kralingse Bos zat, niet ver van een verliefd oud stel, een protestants bebrilde man. Hij was alleen. Hij had grijs haar met links een scheiding van waaruit de schaarse lokken over de kalende schedel waren gekamd. Hij had zich, met een patatje en een slaatje, moeizaam neergezet aan een picknicktafel. Wat je nooit meer ziet en vergeten bent dat het kan bestaan: hij vouwde zijn handen voor een stil gebed. Ik las lip dat hij eindigde met Amen. (Deed me denken aan de Israëlische prachtserie Shtisel, waarin de orthodoxe pater familias voortdurend zit te eten, altijd voorafgegaan door gebed.) Ik had het roerende tafereel met verbazing gadegeslagen en wilde de bidder smakelijk eten wensen, maar hij zat te ver weg.

Bob Frommé

Mart 75

Morgen, lieve kijkbuisvrienden, morgen is een grote dag. Morgen is Mart Smeets jarig. Hij wordt 75! Wegens die unieke prestatie staat zijn hoofd op het voorplat van de Varagids. Binnenin wordt hij geïnterviewd, achttien pagina’s lang. Veel foto’s, maar nog veel meer tekst zodat de man in heel zijn glorie op je afkomt.
Iedereen kent Mart Smeets. (Op een vriend na die – gekke vent – niet van sport houdt en nauwelijks tv kijkt.) En Smeets is nog steeds in beeld, in talkshows. Daar zit hij onuitstaanbaar te wezen, ook als hij niets zegt. Dan is hij, door de manier waarop hij zit, de manier waarop hij uit zijn ogen kijkt, een altijd licht geïrriteerde, pompeuze man, die zo overtuigd is van zijn eigen superioriteit, dat hij niemand anders serieus hoeft te nemen. Iedereen moet blij zijn dat hij daar zit, want hij heeft natuurlijk veel leukere en belangrijkere dingen te doen dan naar het gesnater van anderen te luisteren.
Hij vindt zichzelf bescheiden, een van de grappigste uitspraken in dat mega-interview in de Varagids. “Mij werd altijd gezegd: niet jezelf op de voorgrond plaatsen. En bescheidenheid begint bij enige rust.” Volgens eigen zeggen zou hij nooit een sportman vlak na een wedstrijd opdringerig benaderen. Is-ie veel te bescheiden voor. “Weg met die camera in ’s mans huig.” Maar we herinneren ons de overwinning van Gerrie Knetemann in de Amstel Gold Race, toen Knetemann na de streep in huilen uitbarstte (hij kwam uit een lange revalidatie). Wie duwde hem onmiddellijk na de race een microfoon onder zijn neus? Mart zelf.
Wat hij ook zei in de gids: bij een shot van een weids landschap hoef je helemaal niks te zeggen. Iedereen kletst er maar op los tegenwoordig, ook als er niks gebeurt. Toen de Ronde van Spanje door de Sierra Nevada ging, meende Smeets het landschap van de spaghettiwesterns te herkennen. Hij zweeg dus niet. Hij zei verder dat hij Clint Eastwood op een zwart paard zag zitten en barstte van genoegen om de originaliteit van zijn eigen geestesoog. Even later: “Eastwood, waar ben je? Toch?”
Dat woordje ‘toch’ is helemaal Smeets, net als het woordje ‘ja’, ook met een vraagteken. Ooit zei hij over het jaarinkomen van Alberto Contador: “Tweeënhalf miljoen! Tweeënhalf miljoen! Zo zit het in elkaar. Zo zit het in elkaar. Ja?”
Nee, hij was wel degelijk kritisch over topsporters. Behalve dan bij dopekampioen Lance Armstrong. De interviewster confronteerde hem daarmee. Smeets verweerde zich op hoge toon en veegde aldus zijn straatje schoon: “Noem mij één journalist die ‘alles wist’ en ermee naar buiten kwam? Die is er niet.” Wat dachten we van de Ierse journalist David Walsh, die de dopingaffaire aan het licht bracht en daardoor een paria werd in de wielerkaravaan?
Natuurlijk kon Smeets goed improviseren. Zie zijn necrologie van Gerrie Knetemann, die hij voor de vuist weg hield vanuit een platenzaak in de VS. Dat was een professioneel hoogtepunt.
Zijn monumentaal zelfverliefde hoogtepunt heb ik al eens beschreven: hij zat in het programma Vijf jaar later en Jeroen Pauw liet beelden zien van het gesprek dat die twee vijf jaar eerder hadden gehad. “Wat zie je?” vroeg Pauw. Smeets legde zijn wijsvinger tegen zijn onderlip en zei bedachtzaam: “Een beetje dikke man die gek doet.” Hier liet hij een pauze vallen. Toen zei hij in alle bescheidenheid: “Zelfkritiek…”
Daar moet je Mart Smeets voor zijn.

Bob Frommé

Dank u, dokter!

Tijdens de kerstkneut, toen een vriendin met een blindedarmontsteking in het ziekenhuis kwam te liggen, moest ik denken aan de blindedarmontsteking die mij lang geleden ten deel viel. Ik moest, in verontwaardiging, vooral denken aan wat voorafging aan de diagnose. Dat had aanleiding kunnen zijn voor een klacht bij de Medische Tuchtraad. In de juridische wereld zou je hebben gesproken van klassejustitie. De medische wereld heeft daar geen woord voor. Klassezorg klinkt toch heel anders.
Ik was met mijn toenmalige vrouw ruim een week in een klein dorp in Anatolië, op bezoek bij familie van een Turks gezin dat bij ons om de hoek woonde. Een jaar eerder waren we ook al in dat dorp geweest, met onstuitbare buikloop tot gevolg. Ik at mee met wat de pot schafte en daar konden mijn ingewanden niet tegen. Dit keer had ik pillen bij me die de buikloop zouden tegenhouden. Die hielpen, maar ik kreeg wel last. Het was alsof een band strak om mijn middel zat gespannen. Ik voelde een pijnscheut bij elk opstapje dat ik maakte. Dat was nogal komisch, omdat ik het al had bij een lage stoeprand.
Ik had ook een afkeer van voedsel, wat niet zo goed uitkwam toen we in de bergen getrakteerd werden op stukken van een schaap dat onderweg ter onzer ere was aangeschaft. Ik kon geen hap door mijn keel krijgen. Ik kon alleen maar doen alsof.
Terug in Nederland bleek ik een acute blindedarmontsteking te hebben. Een arts in het ziekenhuis zei, naar aanleiding van de constiperende pillen die ik had geslikt: “Uw lichaam wilde van de rotzooi af, maar u heeft de kat ingemetseld.” (Hij verwees hiermee naar het gruwelverhaal The black cat van Edgar Allen Poe.)
Tegen deze arts had ik geen enkel bezwaar, wel tegen een vervangende huisarts bij wie ik in Nederland op spreekuur was geweest. Van hem kreeg ik een verwijzing om bloed te laten afnemen. De uitslag van het laboratorium zou ik snel te horen krijgen. Na een paar dagen stilte belde ik zelf maar. Het was op een vrijdag. De assistente zei dat de uitslag binnen was en dat de dokter die bekeken had. Ik hoefde me geen zorgen te maken. Maandag, als ik op het spreekuur kwam, zou meer uitleg volgen.
Ik stelde voor de zekerheid de vraag in hoeverre ik me rustig moest houden. Of het schadelijk was als ik me zou inspannen en in het weekend zou werken. Ik was namelijk journalist en moest een stuk schrijven. (Ik zou voor Elsevier een verhaal maken over mijn verblijf in Turkije, waar ons buurmeisje Selma tegen haar zin zou worden uitgehuwelijkt aan een neef uit dat dorp.) De assistente stelde me gerust. Als ik me lichamelijk maar niet zou inspannen.
Een half uur later werd ik teruggebeld. De assistente meldde met klem dat ik er ernstig aan toe was en onmiddellijk per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd moest worden. Dokter had kennelijk nu pas goed naar de laboratoriumuitslag gekeken. Maar waarom had hij dat gedaan? De reden moest zijn dat hij in actie was gekomen, omdat hij had gehoord dat ik journalist was. Slechte publiciteit dreigde en daardoor was mijn belangrijkheid met een enorme sprong gestegen.
Het was, vond ik achteraf, misschien wel een – zij het lastig te bewijzen – zaak voor de Medische Tuchtraad. Eerst die nalatigheid en daarna die voorkeursbehandeling – het maakt me nog steeds kwaad.

Bob Frommé

Dubbeldik kerstnummer!

‘Mutti’ Angela Merkel heeft afscheid genomen. Waarvan is dat het einde? Van een tijdperk. Maar eerst dit: een collega/vriend hield een toespraak toen ik afscheid nam van Het Parool. Hij begon zo: “Als hij sprak, werd er geluisterd. Zijn lach zette de donkerste ruimten in een stralend licht. Zijn humeur was altijd goed. En iedereen hield van hem… Maar we zijn hier niet bijeengekomen om het over Nelson Mandela te hebben.”
Dit inspireerde anderen een speech ook zo te beginnen, want eigenlijk was dit de Universele Opening. Maar een van die anderen had een probleem: hij moest zijn toespraak houden voor een vrouw. Wie kon in vredesnaam op de plek van Mandela komen? De keuze viel, na lang nadenken, op Angela Merkel. En dat is zo gek nog niet.
Angela is minder iconisch, minder ‘heilig’ dan Nelson, maar ook zij was alom geliefd en gerespecteerd. Vandaar dat liefkozende Mutti. Maar opinievrouwen op de radio hadden daar laatst bezwaar tegen. De term Mutti zou denigrerend zijn en vrouwonvriendelijk. Zij waren vergeten of wisten niet dat wij hier ‘vadertje Drees’ hadden.


Het is inmiddels doodgewoon dat presentatoren en stukkenschrijvers uitgebreid citeren wat willekeurige mensen op Twitter hebben geschreven. Het wordt, geloof ik, gezien als een soort volksraadpleging. Ik heb dat altijd idioot gevonden. Als ik op een zomeravond op mijn balkon sta en ik vang toevallig op wat een buurman te zeggen heeft over een bepaald televisieprogramma, zou ik het niet in mijn hoofd halen hem te citeren in een tv-recensie. En toch worden de tweets van virtuele buurmannen met grote ijver verspreid.


Een huiselijk probleem waar menigeen over klaagt: de partner snurkt. Daarvoor zijn veel verschillende oplossingen. Stem uit het publiek: “Kussen op het gezicht en stevig aanduwen!” Nee, zo zijn we niet getrouwd. Zachtjes aanraken, waardoor het snurken ophoudt zonder de slaap te verstoren is een mooie. Elders in het pand slapen kan ook. Of je zorgt dat er niet wordt geslapen door hem/haar de hele nacht te overladen met kussen en andere liefkozingen. Ik heb het geluk dat ik wegens de voorbije ziekte van Menière aan één kant vrijwel doof ben. Dus op het goeie oor gaan liggen helpt ook. Maar laatst ontdekte ik nog een manier. Mijn vrouw snurkte, zoals ze heel af en toe doet. Ik besefte dat ze dat deed, maar nam daarna haar geluid op in een droom. Wat ik hoorde, was een Amerikaanse soldaat, die zwaargewond uit Afghanistan was teruggekeerd en alleen nog maar onverstaanbare klanken kon uitbrengen. Nare droom, positief effect. Ik sliep.


De kerstkneut nadert en daar horen gepaste liederen bij. Ik heb er zelf eentje gemaakt met de devote titel Twee ballen en een piek. Alvast, ondanks alles, een zalige kerst gewenst!

Maria heeft een kindje gebaard
Wij staan rond de kribbe geschaard
Engelen zingen ontroerende dingen
We raken nu echt van de kaart

Jij staat daar met je engelenhaar
We hebben de boom en elkaar
Karrevrachten kerstgedachten
’t Is de mooiste tijd van het jaar

Twee ballen en een piek
En hemelse muziek
Dit kerstfeest wordt uniek
Hoor, hoor, een engelenkoor
Wat komt dat toch helder door

Jezus heeft de mensheid gered
En alle bevlekte zielen ontsmet
Amen, de redding zijn wij samen
Kom mee naar ons hemelbed

Twee ballen en een piek
En hemelse muziek
Dit kerstfeest wordt uniek
Hoor, hoor, een engelenkoor
Wat komt dat toch helder door


Je kunt ook een klassiek kerstlied bewerken. Hebben we ooit gedaan voor de kerstbomencompetitie op de redactie van Het Parool. De jury, bestaande uit dames van de kantine (‘krantine’), waardeerde allicht de driestemmigheid van ons koor, maar de tekst viel in minder goede aarde. Een van onze zangers hield er zelfs een blauwe plek aan over, doordat een van de juryleden hem in haar verontwaardiging iets te stevig beetpakte. Sindsdien weet ik dat je het niet bij alle gelegenheden kunt zingen. Dit is de tekst (wij zongen twee oorspronkelijke coupletten):

Nu syt wellecome, Jesu lieven Heer
Gij komt van also hooge, van also veer
Nu syt wellecome van de hooghen hemel neer
Hier al in dit aertrijck syt ghij ghesien nooit meer
Kyrieleis


Niemand kon nog weten, hoe het verder ging
Of Jezus jong zou sterven aan longtering
Of een andere ziekte die gewoon was in die tijd
Syfilis of pokken of toch de slingerschijt?
Nee, ’t werd het kruis


We blijven, taalkundig gesproken, muggen ziften, mieren neuken en diverse pieten lutten. Nog een keer over de apostrof. Ik vind het jammer dat die is verdwenen bij zinnetjes als Dat heeft wel iets logisch. Achter logisch moet eigenlijk een apostrof staan, maar die zie je nergens meer. Die komt in de plaats van de s, die je wel schrijft bij iets moois. Dan kun je ook onderscheid maken tussen iets mals’ eten (een sappig stukje vlees) en iets mals eten (gebakken schoenzool). Zonder apostrof valt ook het verschil tussen groot en groots weg. Ik geef toe, brand is erger.


Toen ik las dat Ed. van Thijn was overleden, was ik weer even terug in het clubhuis van de Amsterdamse roeivereniging Poseidon. Daar werd een jubileum gevierd en uw Parool-verslaggever kwam daar een verhaal over maken. Een van de aanwezige oud-leden was Ed. Van Thijn. Hij vertelde me iets dat me verbijsterde. Poseidon staat bekend als ‘joodse’ vereniging, dat wil zeggen, het was de enige vereniging waar joodse roeiers werden toegelaten. Van Thijn, die als jongetje wonder boven wonder de oorlog had overleefd, wilde in de jaren vijftig lid worden van de grote roeivereniging Nereus. Hem werd te verstaan gegeven dat hij, als jood, niet welkom was en maar beter lid kon worden van Poseidon. Na de oorlog!
Voor de oorlog was antisemitisme heel gewoon. In een beschaafd literair tijdschrift schreef de protestant Roel Houwink in de jaren dertig een recensie over een dichtbundel van de joodse dichter Herman van den Bergh, waarin hij opmerkte dat in die bundel het joodse weliswaar aanwezig was, maar niet op een storende wijze. Door dat gesprek met Van Thijn besefte ik voor het eerst hoe het antisemitisme ook na de oorlog nog volop bestond. En het bestaat nog steeds (zie Thierry B.), en dat is eigenlijk niet te geloven.  


We gaan dit jaar verlaten met een citaat van Drs. P. Hij zong lang geleden al over corona, nu ja, over een uit China afkomstig, ellendig fenomeen. Een voorspellende tekst:

Wacht u voor de baardmijt, de wrede, sluwe baardmijt
Wacht u voor de baardmijt, de baardmijt waart rond
Wacht u voor de baardmijt, de Zuid-Chinese baardmijt
Wacht u voor de baardmijt, de baardmijt waart rond

Verder wens ik iedereen een fijn, open, zo coronavrij mogelijk 2022. Tot volgend jaar!

 Bob Frommé

Stiekem snotteren

Kom er toch gewoon rond voor uit, mensen! Stop nou toch eens met die ‘guilty pleasures’, die zogenaamd laakbare liefdes, die zogenaamd foute favorieten, die onherroepelijk leiden tot stiekem snotteren. Vanwaar die schaamte?
Ik draai zelden of nooit muziek. Zelf muziek maken is weldadig, een live concert bijwonen kan dat ook zijn, maar muziek beluisteren vanaf een geluidsdrager kan ik niet goed hebben. Quasi-verklaring: “Het grijpt me te zeer aan.” Maar dat is het niet. Ik weet niet waarom, maar op de een of andere manier werkt het op mijn zenuwen. Vroeger niet, nu wel.
Maar als het laat is geworden en we hebben lang gepraat en stevig gedronken, draaien we muziek. Sentimentele, misschien wel foute favorieten draaien we ook, met het grootst mogelijke plezier.
Ik noem er drie. Just say you won’t let go van zanger/liedjesschrijver James Arthur (youtube.com/watch?v=0yW7w8F2TVA). Het is goed gezongen, maar met een iets te gevoelig kraakje. De tekst begint origineel: de ik (man) heeft gedanst met een jij (vrouw) en zij heeft te veel gedronken, waarna zij moet overgeven en hij haar helpt door haar haar achterover te houden. Maar op den duur – en dat is tamelijk gedurfd in het popgenre – bezingt James een leven (‘tot wij oud en grijs zijn’) waarin hij zijn vrouw koffie op bed brengt en de kinderen naar school rijdt. Mijn vrouw grijpt dan vaak even mijn hand. Just say you won’t let go.
Wat we ook graag draaien: Lieve koningin van Brigitte Kaandorp (youtube.com/watch?v=wWcX1flXy50), een heerlijk, ontroerend loflied op Beatrix, ‘nu u abdiceert/ En met pijn in ’t hart, ons de rug toekeert’. En dat op de melodie van Ne me quitte pas. Brigitte zingt het fantastisch en haar tekst is dat in al zijn simpelheid ook: Want u ging door het land/ Op die dagen van zon/ Op die dagen van feest/ Een boeket in de hand/ En door weer en door wind/ Ook in tijden van rouw/ U stond daar weer gewoon/ Ook als moeder en vrouw/ Want er was verdriet/ Maar geen denken aan/ Om niet door te gaan/ Niet rechtop te staan/ Lieve koningin/ U hield de moed er in/ Lieve koningin, lieve koningin.
Ik liet het op een middag horen aan een vriend die net als ik geen Oranje-klant is en bovendien geen kritisch woordje uit de weg gaat. Ik zag tot mijn verbazing dat hij ontroerd raakte. Daar zaten de heertjes dan, met natte ogen.
En dan André van Duin met Voor altijd, dat lied voor zijn overleden man, op muziek van Danny Vera (youtube.com/watch?v=9GV3vfZre-8). Vaste prik in de kleine uurtjes. De tekst is eenvoudig en waar. Mooi zinnetje (vooral dat ‘opgeraapt’): ‘Als ik terug denk aan die tijd/ heb ik beslist geen spijt van dingen/ Dingen die ik misschien heb laten liggen/ Of te laat heb opgeraapt.’ Fraai is ook de manier waarop André over de maat heen zingt met dat ‘spijt van dingen’. Een goeie kennis noemde dit lied ‘een beetje tacky’, maar die veronderstelde lichte klefheid/sentimentaliteit vergaf hij André wegens diens persoonlijkheid: “Bij hem doe ik aan kredietverlening.”
Het snottermoment van Voor altijd komt aan het eind, als André klaar is en vanuit het donker Danny Vera van opzij indringend naar hem kijkt. Dan kunnen ze ons wegdragen, en daar schamen we ons niks voor.

Bob Frommé

Sprekende dieren

Als ze in Vlaanderen willen zeggen dat iets lang geleden is, doen ze dat zo: in de jaren stillekes, toen de dieren nog konden spreken. Als dieren nu nog spreken, doen ze dat in boeken (en films). Je hebt fabels met alleen maar sprekende dieren, zoals die van La Fontaine, en je hebt Toon Tellegen, die een muis en een egel – filosofen in dierenvel – een wandelingetje laat maken door een bos, waarbij ze op een muur stuiten die simpele maar o zo diepe gedachten bij ze oproept aangaande de grenzen van het bestaan (de muur!) en de mogelijkheden die het misschien toch te bieden heeft (de andere kant van de muur!). Conversaties tussen mens en dier zijn er ook in overvloed, in sprookjes zoals Roodkapje, met die sprekende wolf, en Genesis, met Eva en die sprekende slang.
Ik moet zeggen dat ik eigenlijk niet van zulke ‘fantastische’ dingen houd. Behalve als ik er wel van houd. Zo las ik laatst Kafka op het strand van Haruki Murakami. Dat is een ‘fantastisch’ boek dat me door al die fantastisch-heden op den duur ging tegenstaan. (Wel uitgelezen, omdat die man nu eenmaal– in die andere betekenis – fantastisch schrijft.) Maar de eerste honderd bladzijden werd ik meegesleept. Daar komt een merkwaardige man in voor die Nakata heet en die met katten kan praten. Zo heeft hij moeizame gesprekken met een zwerfkat en interessante conversaties met Mimi, die uitblinkt in elegantie omdat ze een Siamees is. Ik accepteerde dat volkomen.
Zo accepteerde ik ook de sprekende Cheshire Cat in het boek dat ik het vaakst cadeau heb gegeven, Alice in Wonderland. Een van diens uitspraken: “Verbeelding is het enige wapen in de oorlog tegen de werkelijkheid.”
Niemand heeft een paard ooit horen spreken, maar de manier waarop Tolstoj het oude paard Cholstomer zijn levensverhaal laat vertellen aan de kudde die hem daarvoor nog pestte, is zonder meer overtuigend. Tolstoj is dan ook een geweldenaar.
Maar de top in het genre van de sprekende dieren is toch het verhaal Tobermory van de briljante Engelse schrijver Saki (Hugh Munro, 1870-1916). Saki kan de gekste dingen laten gebeuren zonder dat je je afwendt. Zo geeft hij een saaie man die aanwezig is op een saaie bijeenkomst een krankzinnig talent mee: de man kan katten laten spreken. Hij past dat toe op de kat des huizes, Tobermory.
Tobermory zegt, daartoe uitgenodigd, wat de gastheer denkt over de intelligentie van een der aanwezigen, een vrouw. De kat richt zich tot haar en zegt: “Toen werd voorgesteld u ook voor deze logeerpartij te vragen, protesteerde Sir Wilfred omdat u de meest hersenloze van al zijn kennissen zou zijn, en er een groot verschil bestond tussen gastvrijheid en zwakzinnigenzorg.”
Als Tobermory op het eind dood uit de bosjes wordt gesleept, tot opluchting van allen, roept dat een schok op die niet getemperd wordt door de ogenschijnlijke absurditeit van het verhaal.

Bob Frommé

P.S. Als Dichter des Parools heb ik ooit een sonnetje gewijd aan sprekende dieren. Dat ging zo:

Ondier

Hallo, ik ben een dier en ik kan praten
Ik sta bekend als ´t schaap Veronica
Wat Annie Schmidt mij voorzegt, zeg ik na
Ik kan wel duizend verzen voor u blaten

Opnieuw hallo, ik ben de mier van Tellegen
Ik ben Babar, gemaakt door De Brunhoff
Soms ben ik lang, soms ben ik kort van stof
En zeg ik niks, dan ben ik een eencellige

Maar stel, ik doe niet braaf wat schrijver zegt
Ik ben een dier van vlees en bloed, uw kat
Die – berg u maar – de taal heeft kunnen leren

U roddelt en u liegt, u bent vaak slecht
En ik zie alles, liggend op uw mat
Ik zal de mensen maar eens informeren

Kutvirus

Jawel! Een jaar en negen maanden uiterst voorzichtig geweest – op die keren na dat ik onvoorzichtig was – en een tijdlang in isolatie geleefd en hooguit met kinderen en vrienden buiten afgesproken om een rondje Plas te lopen en de kas van De Eekhoorn te spekken. En dan op het moment dat alles ongeveer is vrijgegeven en je ook weer aan het basketballen bent, toch besmet raken. Maf is dat.
En ik was niet de enige. Je hoort voortdurend om je heen dat mensen die bij wijze van spreken een zenboeddhistisch kloosterleven leidden, ongewenst bezoek hebben gekregen van Covid-19. In mijn geval gebeurde het op een ‘veilige’ plek, café De Wandelaar. Eigenaar Leo is een voorzichtig en verantwoordelijk man. Zonder QR-code kwam je er bij hem niet in. En toch was er op een vrijdagavond een soort van monsteruitbraak, bleek achteraf. Je vraagt je af hoe dat kan. Iedereen dubbel gevaccineerd en toch tegen de tien Covid-gevallen.
Ik had koorts, ik hoestte me kapot, ik had spierpijn, ik was moe. Goddank waren smaak en reuk niet helemaal verdwenen. Een mens is ontheemd als hij zijn eigen zalmpasta niet meer proeft of zijn eigen poep niet meer ruikt. Het is nu ruim twee weken aan de gang en de toestand verbetert langzaam, maar zeker.
Ik heb bijvoorbeeld weer lust om een stukje te schrijven. Die lust was verdwenen, wat me sterk deed denken aan de periode dat mijn boezem zwabberde (hartfibrillatie), waardoor de energie ernstig gekelderd was en ik het benodigde zelfvertrouwen miste om mezelf op de voorgrond te zetten. Ook als je over je eigen schaamte, je eigen zwakte, je eigen domheid wilt schrijven, heb je brutaliteit nodig, en die was weg.
Een van de vervelendste dingen, als je met Covid te maken krijgt, is de onzekerheid, de onwetendheid, de twijfel aan zekere voorschriften. Neem de zelftest. Als je het dubbele streepje hebt, ben je positief, maar, wordt er altijd bij gezegd, je moet je wel ook PCR laten testen. Nou is dat laatste bijna niet te doen. Volgens Diederik ‘Tuurlijk wel’ Ebbinge is er binnen honderd meter altijd wel een testplaats te vinden. Dat zei hij bij Op1, maar het was totale onzin.
Als je je zo beroerd voelt, is het al geen pretje om de deur uit te gaan, maar als je geen auto rijdt en de dichtstbijzijnde locatie is Zestienhoven (Rotterdam-The Hague Airport) komt van dat testen niets terecht. Dan is de vraag of dat erg is.
Na lang zoeken kwam ik erachter dat het niet erg was. Dat bleek uit een onderzoek in Tilburg. Drieduizend mensen die PCR waren getest, hadden een zelftest meegekregen om die twee te vergelijken. Tachtig procent kwam overeen, maar de niet-overeenkomstige resultaten waren in overgrote meerderheid de negatieve resultaten. De positieve resultaten kwamen op een enkele uitzondering na wel overeen. Bovendien had een aantal medebezoekers van De Wandelaar zich PCR laten testen: positief. Dus waarom zou ik me dan naar een testlocatie slepen?
Ik heb net nog een sneltest gedaan: negatief. (Gek genoeg bleek eerder een beetje positief ook te kunnen: een dún tweede streepje.) Ik ben dus positief gestemd. Ik weet alleen niet of ik nu in het vervolg helemaal gevrijwaard ben van dat kutvirus. De onzekerheden blijven.

Bob Frommé

KRRRU!!!

Ik beken, ik was een padvinder. Nu ja, een verkenner. (De verkennerij was de katholieke tak. Naast de rode lelie op de ene borstzak, had de verkenner ook een rood kruis op de andere.) Als een Wereld Jamboree wordt gehouden, een internationale bijeenkomst van boyscouts en girlscouts, zal ik daar niet bij zijn. Ik ben geen hopman geworden, hoe hulpvaardig, trouw, spaarzaam, rein en ordelijk ik ook ben.
Ik heb ooit een documentaire gezien over de padvinderij in Nederland: interviews met oud-padvinders, eigentijdse beelden en archiefbeelden (met de strenge beschermvrouwe koningin Wilhelmina en de vriendelijke beschermvrouwe koningin Juliana, die begiftigd was met de speciale padvindersnaam Movavedo, afkorting voor Moeder Van Vele Dochters). Wat in de film overheerste: de nostalgische terugblik.
Die komt niet overeen met de mijne. De verkennerij was begin jaren zestig nog helemaal hopman Van Roon, die schreeuwend zijn bruine tanden ontblootte als hij de troep in carré liet aantreden: “KRRRU!!!” Gelukkig kon je bij de verkenners ook vaak voetballen, ons clubhuis stond op het terrein van een speeltuin.
De verkennerij was een gouden opleiding in alles wat een mens nodig heeft om in deze wereld te overleven en anderen daarbij te helpen. Zo heb ik door het afleggen van een geheel theoretisch examen in een gebouw nabij de Rotterdamse Parkhaven het insigne ‘loods’ behaald. Daardoor was ik zonder meer in staat grote oceaanstomers de haven van Rotterdam binnen te leiden. Handig als alle volwassen mannen in één klap zouden sterven; er zou dan een elfjarige jongen zijn die de schepen bij Hoek van Holland zou kunnen opwachten. Dat geval heeft zich niet voorgedaan, maar – be prepared – ik was voorbereid.
Met touw en balken een tafel maken of een toren bouwen deed ik graag. En ik nam genietend deel aan de Heilige Mis die aalmoezenier Krempel tijdens het zomerkamp opdroeg op een open plek in het bos. Kathedraaltje van overhuivende boomtoppen, nietwaar.
Minpuntje: de competitie, het opjagen der jonge leeuwen met een puntensysteem. Elke ochtend kwam de leiding in hun te lange korte broeken en met hun harige mannenbenen de patrouilles en hun onderkomen inspecteren. Stond de tent wel strak genoeg, waren de sjorringen niet te slap, was je tandenborstel wel nat. Maar de eerste punten waren te verdienen bij het ochtendappèl. De patrouille die het eerst in het gelid stond, scoorde. Die van hopmanszoon Theo van Roon zat al aangekleed in de tent te wachten op het moment dat een vaandrig het reveil blies.
Vast onderdeel van de kampweek was de lianentocht. Op woensdagavond liepen de verkenners één voor één geblinddoekt langs een touw dat door het bos gespannen was. Onderweg gebeurden vervelende dingen. Je moest blind over de bosgrond kruipen om onder laaghangende takken door te komen en af en toe werd er plotseling in je oor geschreeuwd of een met bladen bedekt stuk zeil onder je weggetrokken. Daarbij voegden zich nog andere onaangenaamheden als gevolg van het steeds groter aantal kwelgeesten langs de route. De oudste verkenners gingen als eersten, de allerjongsten – onder wie ik – als laatsten. Wij konden op strategische plekken een onverwachte duw krijgen van de oudere kameraden zodat we zijwaarts in de brandnetels vielen. (Punt 4 van de Verkennerswet: ‘Een verkenner is een vriend voor allen en een broeder voor alle andere verkenners.’ Punt 8: ‘Een verkenner glimlacht en fluit onder alle moeilijkheden.’)
Wij werden zeer scherp gehouden. Op een dag tijdens een kamp in het Limburgse Gulpen, kwam een van de vaandrigs het terrein oprennen met de opgewonden mededeling dat hij onderweg – hij was aan het fourageren – was aangevallen door een boer. Daar moest tegen opgetreden worden. Wij eropaf.
“Dáár,” wees de vaandrig na enige tijd, “daar gaat hij.” We zagen een paar honderd meter voor ons op de landweg een boer in overall lopen. Hij keek schichtig over zijn schouder – we zagen duidelijk zijn gemene rode kop – en zette het op een lopen.
Ik was als een van de eersten bij hem. Terwijl anderen de boer op de grond wierpen, op zijn rug plaatsnamen en hem in bedwang hielden, begon ik hem ongenadig in zijn lendenen te schoppen. De boer wendde zijn gezicht naar mij toe. Ik zag dat hij vaandrig Peek was. De andere vaandrig, wiens naam ik niet meer weet, had in strijd met de verkennersmoraal onwaarheid gesproken.
De les die ik uit het gebeurde trok, was een andere dan de training in scherpte en gehoorzaamheid die door de leiding beoogd was. Mijn  les: nooit blindelings aanwijzingen opvolgen en zeker niet, als ze tot enorme schuldgevoelens kunnen leiden.
Deze dingen kwamen niet voor in die documentaire. Een ex-hopman keek genoeglijk terug en liet weten dat van drillen geen sprake was. Ja, bij muziekuitvoeringen was hij fanatiek, maar dat moest wel, dat was overal zo in de muziek. Wie slapjes dirigeert brengt slappe muziek voort. “Dat is toch niet militant?”
Een oud-padvindster, die Lady Baden Powell kort na de oorlog nog een gedenkboek had mogen overhandigen, roemde de vormende werking van haar padvindstertijd. Ze had er een gevoel voor ordelijkheid en zorgvuldigheid en ook doorzettingsvermogen aan overgehouden. En nog steeds sliep ze graag in de openlucht.
Eén persoon keek anders terug. ‘Vervangende dienstplicht’ noemde hij de padvinderij. En wat nog erger was: “Ik had een goed contact met de hopman, daar gaan we alweer. Het bleek dat hij er behalve het padvinderschap nog andere hobby’s op nahield. Hij vond het leuk om met jonge jongens te rommelen. Ik dacht dat dat bij het vrije spel in de natuur hoorde. Ik had geen idee.”
Zulk gerommel heb ik goddank alleen van horen zeggen.

Bob Frommé

Dit stuk verschijnt morgen in het tweewekelijkse kwaliteitskrantje Argus.

Rinus van de Earring

Vorige week stond in de Vara-gids een interview met Rinus Gerritsen. Onnodig te zeggen dat hij de bassist was van Golden Earring en onnodig te zeggen dat het een leuk interview was. Hij vertelde dat de Earring ooit optrad in hetzelfde tv-programma als The Who en dat die gasten niet alleen hun T-shirts met verkeersbordenopdruk aantrokken, maar ook strakke broekjes, waarin ze handdoeken propten om een gevuld kruis te suggereren. En dat was maar één van de vele verhalen.
Ik luister liever naar muzikanten dan naar schrijvers. Als je fijne anekdotes wilt horen, moet je bij een muzikant zijn. Wat een schrijver meemaakt, maakt hij mee in zijn hoofd terwijl hij aan zijn schrijftafel zit. Een muzikant gaat de wereld in, maakt contact met de medemens, beleeft avonturen.
Er is nog een groot verschil. Schrijven is een particuliere worsteling, muziek maken is een sociaal gebeuren van heb ik u daar. Daar komt bij dat de schrijver op allerlei nauwelijks uit te leggen technische problemen stuit, terwijl de muzikant technische problemen heeft die goed uit te leggen zijn. Het is heerlijk een gitarist te horen vertellen waarom de Dimarzio Dp191-bk Air Classic Bridge Humbucker Black zo fantastisch klinkt. En een bassist kan je duidelijk maken waarom zijn verveloze Precision uit ’63 met zijn zompige geluid zo veel beter past bij de harde punt van de moderne bassdrum dan zijn fonkelnieuwe Lakland.
Maar het belangrijkste verschil tussen muzikanten en schrijvers is dat muzikanten veel minder last hebben van kinnesinne en opgewekter zijn dan schrijvers, al zal men tevergeefs zoeken naar het zelfhulpboek Leven is lachen met medewerking van Ian Curtis en Kurt Cobain.
Rinus Gerritsen beantwoordt helemaal aan het bovengeschetste opgewekte profiel van de muzikant. Dat wist ik al, doordat ik hem een keer langdurig geïnterviewd zag worden in het bovenzaaltje van een café. Hij kon op een natuurlijke manier namen laten vallen omdat een internationale band als de Earring nu eenmaal op grote namen stuit. In een club in New York spelen en dan links vooraan Janis Joplin zien zitten, de legendarische jarenzestigzangeres met de geweldige krijsstem. En dan na afloop iemand op je af krijgen die Chas Chandler heet. Je moet een zekere leeftijd hebben om dan te roepen: “De bassist van The Animals! En de manager van Jimi Hendrix!”
Rinus vertelde, daartoe uitgenodigd, dat Chandler een bassist nodig had voor Jimi en of hij, Rinus, daar interesse in had. Maar ja, hij zat in de Earring en weinig mensen wisten toen hoe groot Hendrix was of nog zou worden. Mooi als je zoiets kunt vertellen.
De Earring werd almaar groter in Amerika. Ze promoveerden van voorprogramma tot special guest en na de hit Radar love tot hoofdact. Toen Little Feat, de beste band ter wereld volgens Frommé, bij de Earring in het voorprogramma stond, is Barry Hay nog naar hun kleedkamer gegaan om zich voor die volgorde te verontschuldigen.
Veel later, toen Hendrix in The Band of Gypsys speelde, ontmoette Rinus diens drummer, Buddy Miles. “Er kwam een grote neger op me af, die me zo hard omhelsde dat ik het er benauwd van kreeg. Hij dacht dat ik Neil Young was.”
Nu de Earring is opgehouden te bestaan door de tragische ziekte van George Kooymans, blijft Rinus muziek maken, onder andere in een Hendrix-coverband. Ook dat vertelde hij in de Vara-gids.

Bob Frommé

Dino’s en varkens

“Jongen en meisjes. en alles wat daar tussen zit of buiten valt, pak allemaal je boek erbij, we gaan het vandaag over economie hebben, over geld. Als je geld hebt, kun je dat uitgeven, maar je kunt het ook vasthouden. Dat noemen we… juist ja, sparen. Waar zet je de grote bedragen vast? Op… de… bank, ja. Maar waar laat je je kleingeld? In je portemonnee, natuurlijk, maar als je heel veel muntjes hebt, dan doe je die in een… hoe zal ik het zeggen, een ding waar niet iedereen blij mee is.” (Tekent het op het bord.) “Zo staat het in het leerboek, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen daar even blij mee is. Wie? Rashid, jij.”
“Dat is een spaarvarken, meneer. Is niet goed. Varkens zijn onrein, varkens zijn haram.”
“Ik begrijp je volkomen, Rashid. Daar moeten wij als meesters en juffen rekening mee houden. Eens even denken. Als we van dat varken nou eens een olifant maken? Een spaarolifant. Is dat een idee? Ik zal het opsturen naar de mensen die onze leerboeken maken. Dan komt het wel goed.”
(Tekent op het bord een olifant met een gleuf in zijn rug. Gelach, geroezemoes, geroep: “Ja, meneer, dat is goed! En eigenlijk leuker dan een varken!”)

We verplaatsen ons nu naar een andere basisschool. De juf neemt het woord. “Hallo allemaal! Hebben jullie er wel eens over nagedacht waar alles op aarde vandaan komt? Wie heeft dat ooit gemaakt? Jij, Jacob. Juist ja, God. Die heeft alles geschapen. In zeven dagen. Nou ja, eigenlijk zes, want op de zevende dag hield Hij rust. Dat had Hij ook wel verdiend, vinden jullie ook niet? Als ik zeg dat God alles geschapen heeft, bedoel ik ook ALLES. Van het kleinste miertje tot de grootste dinosaurus, en ons, de mensen, natuurlijk. Wat je nou vaak over dinosaurussen hoort, is dat ze miljoenen jaren geleden geleefd hebben. Is dat echt zo? Jacob?”
“Ik ben met papa en mama een keer in Amerika geweest, juffrouw, en daar hebben ze een museum, in Kentucky, zo heette die stad. Het Krie-jeesjun Mjoezie-jum en daar heb ik plaatjes gezien van mensen die samenleefden met dinosaurussen. Dat klopt, want God heeft alles in één keer geschapen.”
“Heel goed, Jacob. Maar in ons leerboek staan allerlei plaatjes van dino’s. En dan moeten wij denken dat die dieren ver voor de mens zijn geschapen en zijn uitgestorven voordat wij kwamen. Dat is in strijd met het Woord. Ik zal de mensen die onze leerboeken maken een brief schrijven om te vragen of ze die plaatjes weg willen halen. Dan komt het wel goed.”

Het bovenstaande is uit het leven gegrepen. Schoolboekenuitgevers (omzet: honderd miljoen euro per jaar) houden wel degelijk rekening met ideeën in islamitische en reformatorische kring. Dus die spaarolifant is werkelijk gebruikt en plaatjes van dino’s zijn uiterst schaars, zoals je ook vrijwel vergeefs – de NRC wees daarop – zult zoeken naar plaatjes van mensen op kermissen of vrouwen in bikini, of passages over homoseksualiteit. Daar rust Gods zegen namelijk niet op en die van Allah evenmin. (Maar ook verhalen over een vakantie in Frankrijk liggen moeilijk, want niet alle kinderen gaan op vakantie naar Frankrijk.) Daarom geven schoolboeken vaak een gekuiste en dus verdraaide versie van de werkelijkheid, en dat onder het mom van ‘rekening houden met gevoeligheden’.
Het is dat de platte-aardegelovers, gebedsgenezers en holocaustontkenners te gering in aantal zijn, anders zouden de schoolboekenmakers daar ook nog een mouw aan weten te passen. Ze zijn de pluimstrijkers van het Bijzonder Onderwijs.

Bob Frommé

Iets onvergeeflijks

Als je niet zo’n dikke nek hebt als Mart Smeets, is een publiek optreden geen sinecure. Mensen kijken naar je, terwijl jij iets moet doen wat zij hopelijk willen zien. Jij presteren, zij waarderen. Maar waar haal je het zelfvertrouwen en de moed vandaan? Wie denk je dat je bent?
Sommige mensen hebben dat zelfvertrouwen ogenschijnlijk vanzelfsprekend, ook zonder een uit zijn voegen barstend ego. Ik heb eens op Vlieland een grotendeels geïmproviseerd optreden gezien van Joris Lutz en Mike Boddé. Ze hadden nauwelijks voorbereidingstijd gehad, omdat Boddé zich moest bekommeren om zijn doodzieke vader. En op de veerboot vanuit Harlingen had hij te horen gekregen dat zijn vader was overleden. En toch een optreden dat in al zijn losheid stond als een huis. Ik vond het verbluffend knap. En benijdenswaardig.
Ik treed soms op, maar ik ben geen Smeets, gelukkig, maar helaas ook geen Joris of Mike. Ik moet het hebben van de vorm van de dag. Soms kan een blik op het publiek al genoeg zijn om de zenuwen de baas te worden en een zekere vrijheid en ontspanning te voelen of zelfs je brutaalste zelf te zijn. Maar het spant erom.
Vorige week trad ik met mijn muzikale wederhelft Theo – we zijn het akoestische duo Blind Vertrouwen – op in Burgh-Haamstede. De locatie was een kleine, gerestaureerde ‘bewaerschole’, die nu dienst deed als galerie – een mooie, lichte, kapelachtige ruimte. Ik had die nacht wegens de onderhuidse spanning belabberd geslapen en had er dus een hard hoofd in. Maar zie, na mijn openingspraatje voor het publiek van zo’n veertig welwillende mensen gingen we los, en met verve. Het ging gewoon hartstikke goed.
De ideale toestand is: dingen doen die je niet van tevoren heb bedacht, omdat je je volkomen vrij voelt. Zo inspireerde de hoge, hol klinkende ruimte me tot het zingen van een stukje Gregoriaans (‘Gloria, laus et honor tibi sit, Rex Christe Redemptor’). Het sloeg eigenlijk nergens op en toch was het passend en juist.
De interactie tussen Theo en mij liep heel goed, beter nog dan anders. Als de spanning groter is, kom je daar veel minder aan toe. Maar die ontspanning had kennelijk ook een keerzijde. Het zangertje begon zich groot en sterk te voelen, de koning in dit kleine rijk. En vanuit die eigenwaan deed hij iets onvergeeflijks.
We speelden een lekker, ironisch rock&roll-deuntje dat kon slaan op politici wie het naar de bol is gestegen: Ik stem op mij (refrein: Ik wil het en ik kan het, geef mij de heerschappij/ Ik doe en ik zal het, ik stem op mij). Aan het eind hoort een break te komen waarin nog één keer Ik stem op mij moet klinken. Maar Theo vergat die break en speelde door, waarop ik – en nu komt het – mijn hand op zijn snaren legde. Een doodzonde, natuurlijk.
Wat ik deed, gebeurde in het zicht van iedereen. Een heterdaadje. Goddank kon Theo zich er snel overheen zetten, waarvoor ik hem zielsdankbaar was. Zo kwam het toch nog goed met dat optreden, maar het schuldgevoel was immens.

Bob Frommé

De stem van Martine

Martine Bijl is er niet meer, helaas, maar haar stem is in zekere zin niet verstomd, gelukkig. Haar man, Berend Boudewijn, heeft een keuze gemaakt uit haar ontzettend diverse nagelaten werk. Daar is een boek van gekomen met de titel Van dit en dat en van alles wat (een uitdrukking van Martine zelf). Heerlijk boek.
Ik was dol op Martine. Ik heb haar meermalen ontmoet, ook een keer als interviewer, en we hadden ‘gezellig’ (Martine) mailcontact. Ik heb haar zelfs ten huwelijk gevraagd. Nu ja, niet echt, natuurlijk. Ik schreef, nadat zij had geconstateerd dat we allebei een beetje hysterisch waren (‘En is dat dan niet juist ook wel weer fijn?’): ‘Over hysterisch gesproken. Het is dat ik een hemelse liefde beleef en jij een goed huwelijk hebt, anders zou ik je een aanzoek doen. (Je moogt gerust lachen.)’ Gelukkig begreep ze wat het was. Ze schreef terug: ‘Ik lach niet. Ik ben gevleid. En ik dank U voor de vriendelijke woorden.’
Ik wil maar zeggen dat ik enigszins bevooroordeeld aan dat boek begon. Maar ik zal flink wat citaten geven, waardoor de lezer zelf de stem van Martine kan horen om te bepalen hoe bijzonder die is.
Haar boek bestaat onder meer uit dagboeken over haar verregaande bemoeienissen met musicals (een vertaalster doet zo veel meer dan vertalen), liedvertalingen, jeugdherinneringen, een novelle, een toneelstuk, e-mails, kolderversjes en brieven van een hond.
Die musicaldagboeken geven niet alleen inzicht in het hele proces van musicals produceren – extra interessant voor deze ex-musicalrecensent – ze geven soms ook lekker af op regisseurs en creatives:
‘We hebben vanmiddag nog gelezen dat ’t een aard had. (Nadat Robert Falls een dik uur over zichzelf en zijn onuitwisbare invloed op Aida en het wereldtoneel in het algemeen, in het bijzonder op zijn goede vriend Shakespeare, had gesproken.) Alle Amerikanen, en tevens Jan-Eric, hebben hun piems laten zien aan de blonde vertaalster – en de blonde vertaalster heeft naar behoren gejubeld over de grootte ervan.’
Joop (van den Ende, samen met zijn Janine ‘Clinton & Hillary’) wilde haar overhalen de vertaling van Mamma mia! te maken. Dan zou ze wel mee moeten naar een bijeenkomst in Londen:
‘Ik hoefde niet de garantie te geven dat ik de hele show zou vertalen, als ik nou in GODSNAAM maar zou gaan en als het moest dan mocht ik met de Privéjet!! Ik heb gezegd dat ik hem graag ter wille was, met dien verstande dat we dan later geen gezeik krijgen als ik nee zeg. En dat ik een bontjas wilde van een bedreigde diersoort. Kwam in orde.’
Martine had onderweg de nodige problemen bij die musicals, maar soms kreeg ze ook complimenten:
‘Aan Tracey Corea had ik mijn poppenboek gestuurd. Die kon niets anders meer uitbrengen dan dat ik the most talented person in the world was, en dat de poppen naar Amerika moesten, en dat de teksten soms wel beter waren dan het origineel.’ En dan dit zinnetje: ‘Ja, ik schrijf het allemaal maar op, want later durf ik het me nooit meer zo te herinneren.’
Die dagboeken zijn geweldig, maar ook de novelle en het toneelstuk zijn dat. Van dit en dat en van alles wat is net zo veelzijdig als Martine zelf: zangeres, cabaretière, actrice, presentatrice,  poppenmaakster (briljant, zij het niet zo bekend), vertaalster en schrijfster, en dat alles met volledige inzet en op hoog niveau. En ze was, zoals ik eerder schreef, hartelijk, krachtig, slim, geestig, mooi. Nee, zo’n vrouw vindt men, misschien op een enkele uitzondering na, op den geheelen wereld niet.

Bob Frommé

Stukjes

Op het vorige Dekens laken sloop kreeg ik twee mooie reacties. Een poëzievriend stuurde de volgende limerick, waaruit bleek dat iemand al veel eerder dan ik – zo’n zestig jaar eerder – op die lakende dekens was gekomen.

Bedsermoen

Toen de deken der Domkerk te Aken,
deskundig in wereldse zaken,
werd gevraagd of een zoen
aan de ziel scha kon doen
bleek de deken ’t kussen te laken.

John O’Mill

En een vlekkeloos Nederlands sprekende Noord-Ierse stuurde een volgens eigen zeggen oude grap, die enige kennis van het Engels vereist. Die begint zo: een psychiatrische patiënt ontsnapt uit een inrichting, gaat naar een wasserette en verkracht een aantal vrouwen. De politie komt, maar de man ontsnapt. De volgende dag staat in de krant de volgende kop: NUT SCREWS WASHERS AND BOLTS. We betreden hier de wereld van de moeren, schroeven en bouten. Maar wat zijn dan washers? Ik heb het opgezocht: sluitringen.

*******

Wijlen mijn schoonvader placht monter te zeggen: ”Mijn leven is een aaneenschakeling van teleurstellingen.” Mijn variant: mijn leven is een aaneenschakeling van gemiste kansen. En dan heb ik het niet eens over de liefde. Nee, ik had twee jetsers kunnen hebben, als ik er maar wat mee gedaan had. (Een jetser, dames en heren, is een hit.)
Tijdens de opkomst van de house-muziek zag ik wel heil in een nummer dat uitsluitend zou bestaan uit – doef-doef-doef – doordreunende house, slechts onderbroken door een luide kreet uit vele kelen: ‘Doortrekken!’ en het bijbehorende wc-geluid. Uitvoerende artiest: de formatie Shithouse. Coupletten overbodig. Niks mee gedaan, helaas.
Je ziet steeds vaker dat ov-passagiers geen mondkapje dragen. Dat vroeg om het volgende refrein: ‘Hé wappie, waar is je kappie?!’ Daar moesten misschien wel coupletten bij. Eenvoudig te doen met rijmparen als mond/ongezond, dwaas/helaas en Covid-19/Wie niet weg is, is gezien. Maar het is een beetje mosterd na de maaltijd en leuker dan Tebbie nou op je muil? van Richard Groenendijk kon het niet worden.

*******

Druk gezien, een prachtige film van Thomas Vinterberg. Gaat over vier leraren die de weldadigheid van alcohol uitproberen, met soms rampzalig gevolg. Het is een Deense film en hij heet Druk. Druk? Ja, druk, het is af en toe een druk gedoe in die film, maar Druk is hier een Deens woord, te vertalen met Drinkgelag. Waarom dat Deens handhaven? Leidt in dit geval zelfs tot een misverstand. (Denk hier aan een Engelstalige film die Beer of Trees heet en die niet gaat over een grizzly of een Hollands meisje dat met een Canadees trouwt, maar over bier en bomen.)
Druk heet in de Engelstalige wereld overigens Another round. De Belgen hebben krankzinnig genoeg ook gekozen voor een Engelse titel: Drunk. Konden niet op het woord dronken komen.
Ik zou zeggen: laten we proosten op Drinkgelag en de druk aan de Denen overlaten.

*******

In de jaren zestig werden de titels van films, zoals nu nog steeds van boeken, netjes vertaald. The longest day werd gewoon De langste dag, The Phantom of the opera Het spook van de opera etc. Ongeveer een decennium later wilde de Nederlander kosmopolitisch zijn en werden filmtitels onvertaald gelaten, ook als ze Frans, Spaans of Italiaans waren. Dan kreeg je Il pianeta azzurro. De azuren piano of toch De blauwe planeet? En iedereen wist kennelijk dat Le genou de Claire over de knie van Klaartje ging. Nederlands waren vanaf die tijd alleen nog de titels van kinderfilms of van – allang overbodig geworden – softpornovehikeltjes als Vrolijke vluggertjes in Tirol en Kom met je waldhoorn tussen m’n Alpen.

Bob Frommé

Dekens laken sloop (4)

Het is een oeroud grapje: ‘Appel: Citroen? Zo’n peer.’ (Karel Appel over collega-schilder Paul Citroen.) Het is te beschouwen als de voorloper van DEKENS LAKEN SLOOP, de kop boven een bericht over geestelijken die zich uitspraken tegen de sloop van een kerk.
Ik tekende meer van zulke berichten op, zoals: SPRUITEN RAPEN KOOLTJES, over kinderen die in de verlaten mijnschachten van de Borinage op zoek moesten naar bruikbare brandstof. En: BESSEN PRUIMEN MANDARIJN, over een bejaardentehuis waar de oude vrouwen zich met plezier bezighielden met lessen Chinees, hun gegeven door een medebewoonster die sinologie had gestudeerd.
Maar de zoektocht ging verder. Zie hieronder.

Alkmaar – Bewoners van het bejaardentehuis De Volle Aandacht zijn meermalen opgeschrikt door incidenten in hun directe omgeving. Wie achter zijn rollator een ommetje maakt, loopt het risico te worden aangevallen door straatjeugd die nauwelijks ouder is dan twaalf jaar en zich de Bende van de Ouwe Sok noemt. De directie maakt zich ernstige zorgen: “De toestand is onhoudbaar, ook voor het personeel. Ik geef het je te doen: steeds maar weer die volle luiers van doodsbange bewoners verschonen.”

Het plaatselijke huis-aan-huisblad LokaalTotaal bedacht een treffende kop boven dit bericht: BROEKJES PAKKEN SOKKEN.

En dan nu een bericht over onrust in adellijke kring, waar de hiërarchie nogal eens tot scheve ogen leidt.

Den Haag – Een comité van adellijke personen heeft de Regering een petitie aangeboden, waarin zij zich beklagen over de voorkeurspositie van de hogere echelons in de adel. Woordvoerder Hendrik Markies van Heerwaarden thoe Kolfschoten: “Wij kunnen ons niet langer verenigen met de privileges die aan hertogen en prinsen ten deel vallen. Aan deze afschuwelijke toestand moet en zal een einde komen!” De petitie werd in ontvangst genomen door Ankie Broekers-Knol, die spontaan In Den Haag, daar woont een graaf aanhief.

De Haagse Courant zette er deze enigszins tendentieuze kop boven: MARKIEZEN BLIND VAN JALOEZIE

Over het ongenoegen van dierenbeschermers bereikte ons dit bericht aangaande de afnemende wildstand in het Limburgse.

Berg en Terblijt – De dassenpopulatie in ons mooie Limburg neemt zienderogen af door nietsontziende stroperspraktijken. Daartegen komen vertegenwoordigers van de Dierenbescherming in het geweer. “De das is nog maar net terug van weggeweest,” aldus een woordvoerder. “En nu wordt de soort alweer bedreigd. Het lijkt erop dat de das de korenwolf achterna gaat. En tegen de stropers zeg ik: Doe kóns hoeag en lieëg springe, ’t moog neet!

Het Belang van Limburg bedacht deze kop: STRIKKEN STROP DASSEN.

In dezelfde sfeer is de ophef over verboden jachtpartijen rond het dorp Doel, nabij Antwerpen. De schepen van die stad (wethouder, zouden wij zeggen) heeft daar uitgesproken ideeën over.

Antwerpen – Bewoners van Doel worden ’s nachts geregeld opgeschrikt door het geknal van geweerschoten. Verantwoordelijk bestuurder, schepen Raymond Luyckxs, heeft een tirade gehouden die er niet om liegt: “Wat mij betreft worden die jagers zelf afgeknald. Excusez le mot.” Luyckxs heeft assistentie van het leger gevraagd.

De Gazet van Antwerpen wist daar wel raad mee: SCHEPEN UITGEVAREN TEGEN JACHT.

Tot zover deze berichten. Wij blijven ter zake diligent.

Bob Frommé

P.S. Ons checking department heeft vastgesteld dat de stad Alkmaar inderdaad beschikt over een bejaardentehuis met de naam De Volle Aandacht.

Romdram

Je hebt de romantic comedy, kortweg romcom genoemd. Je hebt ook het romantic drama, dat bij dezen wordt afgekort met romdram. Zowel de romcom als het romdram drijft op clichés. In de romcom doet Hugh Grant mee of Julia Roberts of allebei. De romcom loopt goed af, het romdram niet. In beide genres doen strijkerssecties mee.
Het eerste cliché is: bekende filmacteur met goed gelukt uiterlijk krijgt iets met bekende filmactrice met goed gelukt uiterlijk.
Stel, je hebt een romcom of romdram dat in de middeleeuwen speelt. Dat genre heeft zijn eigen clichés. Geen film over de middeleeuwen zonder varkens in de modder, kinderen met vuile gezichten, vuren, rook boven het land en een herbergscène. (Ook in de serie Peaky Blinders – jaren twintig – gaat geen scène voorbij, of er brandt op straat ergens ten minste één walmend vuur.) In die middeleeuwse herberg zitten baardige mannen enorme kippenbouten of varkensdijen te eten dat het vet hun langs de kin druipt. Ze drinken enorme pullen bier en als de dienstmaagd langskomt, slaat een van de mannen haar hard op de kont, waarna allen uitbarsten in een bassige lach: “Hohohoho!”
In één van de eerste scènes rijdt een ridder het dorp binnen op zijn prachtige paard. Vroeger herkenden we in hem dadelijk Rutger Hauer, tegenwoordig zien we dat het Fedja van Huêt is of Barry Atsma of Thijs Römer. In het volk dat langs de weg staat, herkennen wij tussen alle figuranten het gezichtje van Anna Drijver, Carice van Houten, Anniek Pheifer of, wat sinds Nova Zembla ook kan, Doutzen Kroes, al was dat haar enige filmoptreden. (Talent schijnt toch nog een rol te spelen.) Wat denken jullie, jongens en meisjes? Zal Fedja, Barry of Thijs Anniek, Carice of Anna krijgen, of wordt het één van die andere, onbekende, veel minder knappe types?
Op Netflix heb je Up close & personal uit 1996, een romdram. (Niet aan te bevelen.) Speelt in de wereld van het tv-nieuws. Wie is de oude rot in het vak? Robert Redford zelf! En wie komt aankloppen voor een baan bij het nieuws? Allemachtig, dat is Michelle Pfeiffer! Zouden die twee elkaar krijgen?
Even denken, hoor. Eh jawel, maar zoiets duurt een tijdje in zowel de romcom als het romdram. Er ligt geen diep water tussen de koningskinderen, zodat zij bij malkander niet kunnen komen, maar een hinderlijk obstakeltje hier en een wrijvinkje daar zorgen voor enig oponthoud. Maar dan ontbrandt toch de liefde en barst de strijkerssectie los, waardoor je de tranen over de wangen lopen, als je daar gevoelig bent en de boel niet verpest door “Ja hoor, daar hebben we de violen!” te roepen.
Redford wil nog één keer iets groots doen in de nieuwssfeer en reist naar Zuid-Amerika, hoewel Pfeiffer hem liever bij zich had gehouden. “Wil je me niet zien?” vraagt zij. Hij vindt haar prachtig, misschien zelfs godsgruwelijk prachtig, en hij zegt: “Zo veel dat het pijn doet.” Mooi, hè? Dat hebben wij romantici ook vaak genoeg gezegd.
Maar hoe gaat het nu verder? Let wel, dit is een romdram. Allen: “Hij gaat dood! Hij raakt ten minste zwaar gewond.” Inderdaad, Robert in hinderlaag, Robert dood. We krijgen onze zin, en daar gaat het maar om in een romdram of romcom.

Bob Frommé

Fragmenten (3)

Karel deed het (ja, Van het Reve), ik doe in navolging hetzelfde: kleine stukjes samenvoegen tot een uiteenlopend geheel, en dat noem je dan Fragmenten. Kom er maar in, Bob.

Waar is Theo Hiddema als je hem nodig hebt? Hij is er wel, maar hij doet niks om zijn vileine, leugenachtige, losgeslagen kompaan Baudet op diens misstappen te wijzen. Hiddema lijkt me geen idioot, maar hij verdedigt Baudet op Twitter als die weer eens Nederlanders in coronatijd vergelijkt met joden tijdens de oorlog. Als mensen daar bezwaar tegen maken, twittert hij: ‘Daar gaan we weer!’ Dat moet Theo niet doen.

Wat is het verschil tussen Fries en Limburgs? Daarop zijn verschillende antwoorden mogelijk. Fries is speelgoed-Nederlands dat vrij aardig te begrijpen is, Limburgs speelgoed-Duits dat niet te verstaan is. Fries wordt een officiële taal genoemd, Limburgs een dialect. (Een Fries die elders in Nederland voor de rechter staat, mag een tolk eisen.) Maar er is nog een ander antwoord mogelijk. Friezen en Limburgers zijn dol op de letter j, maar er is een curieus verschil. De Limburger zet hem op plek twee in een woord, de Fries op plek drie. Een Friese sterfkamer is – de j op drie – een stjerkeamer, een Limburgse snijboon is – de j op twee – een sjnieboean. Ik ga daar maar eens een proefschrift over schrijven.


Ik ben een Pietje Precies (of een pietlut, zoals je ook kunt zeggen) als het op taal aankomt. Ik slijp scherp, zift muggen en neuk mieren. Iemand moet het doen. In mijn appjes staan komma’s en hoofdletters. Ik maak me zelfs druk om de stand van de apostrof. Bij een beginnend aanhalingsteken wijst in Word het kringeltje linksboven naar rechts (‘), afsluitend rechtsonder naar links (’). Dat zie je ook in kranten en romans. Op Facebook en in WordPress kennen ze dat verschil niet. Maar je hebt constructies als ’s morgens. Daar zit het kringeltje rechts, hoewel de apostrof hier het beginteken is. Je moet je best doen om dat in Word voor elkaar te krijgen: de eind-apostrof aanmaken, die een spatie opschuiven en dan de s van ’s morgens tikken. Dan staat-ie goed. Het is een afwijking.

Een niet op zijn achterhoofd gevallen persoon (in wie wij schrijver dezes herkennen) moet toch af en toe tegen zijn voorhoofd slaan wegens zijn eigen domheid. Als een bezoeker bij mij thuis een koffie wil, krijgt hij die. Ik zet zijn kopje, dat sprekend lijkt op het kopje dat ik zelf gebruik, onder de koffiemachine en ben stomverbaasd dat zijn kopje veel voller is dan het mijne. En dat gebeurt vaker, als er bezoek is. Die machine kan toch niet weten dat hij voor een ander dan het baasje koffie aan het maken is? Het is een wonder. Totdat iemand zei: “Als je nou eens met een maatbeker…” Ik goot het volle kopje water van de bezoeker leeg in het mijne en ja hoor, het water stond een stuk lager. Dat was het moment om tegen mijn eigen voorhoofd te slaan.

Hoe we erop kwamen, weet ik niet meer, maar mijn basketbalvriend Pim wees me op unieke namen in zeker voetbalelftal. Het ging om Excelsior in het begin van de jaren zeventig. Niet alleen heette de doelman Bram Geilman, op het veld stonden ook Thijs Kwakkernaat en Wim Meutstege. Dat had zelfs Bordewijk niet kunnen verzinnen.

Bob Frommé

Mooie woorden

Het is een typisch Nederlandse eigenaardigheid een lage dunk te hebben van de eigen taal. Nederlands zou duf en lelijk zijn en ongeschikt voor liedteksten. Nee, dan de Engelsen. De treffende uitdrukkingen waarmee daar wordt rondgestrooid, daar kunnen wij Nederlanders met onze clichés niet aan tippen. Ik zeg: onzin, mensen. Weg met dat minderwaardigheidsgevoel.

Ik heb bij wijze van kleine kruistocht mooie Nederlandse woorden en uitdrukkingen bij elkaar gezocht, die, als een Engelsman ze – letterlijk vertaald – zou gebruiken, door veel Nederlanders enorm origineel en grappig zouden worden gevonden.

Hier hebben we het niet over ‘mooie’ woorden als liefde en weemoed. Dat zijn mooie begrippen. Nee, het gaat om treffende woorden en uitdrukkingen, waarvan we door het veelvuldige gebruik niet meer zien hoe treffend ze zijn. Daarvoor moet je er even bij stil staan. Hier is die eindeloos uit te breiden, toevallig samengeworpen verzameling, waaronder – zeg ik er maar bij – ook exemplaren die niet letterlijk te vertalen zijn. Het zijn er op de kop af zestig:

Achterklap

Afknapper

Amehoela

Bar en boos

Bliksemstraal (donderse jongen)

Bofkont

Borrelpraat

Boze tongen

Brekebeen

De bui voelen hangen

De gebeten hond

De hort op

De mond vol hebben

Doorgestoken kaart

Dwaalweg

Een en al oor

Een gelopen koers

Ene

Flierefluiter

Gevleugelde woorden 

Harde dobber

Heilige verontwaardiging 

Het veld ruimen

Hij wel!

Hoofdbrekens 

Hooggestemd 

IJlhoofdig

In het water gevallen

Intuinen

Jandoedel

Katvanger

Kippeneind

Kleddernat

Kletsmajoor

Klinkklaar

Kopjes geven (een stuk van Karel van het Reve heeft mij meegegeven dat het Russisch, Engels, Duits en Frans die uitdrukking niet hebben, al wrijven Russische, Engelse, Duitse en Franse katten ook met hun kopjes tegen ons aan)

Lariekoek

Meneertje Koekenpeertje

Nee maar

Ogen en oren tekortkomen

Ogen uitsteken

Op je neus kijken 

Opsteker

Pietluttig 

Pineut

Poeha

Poespas

Reken maar van Jetje

Rooskleurig

Schoonheidsfout

Slopend

Strohalm (de laatste)

Tuthola

Uit de lucht gegrepen

Uit het veld geslagen

Van Lotje getikt

Venuskuiltjes 

Voor spek en bonen 

Wel? (Rotterdams: Nou en?)

Zweepslag (als in spierscheuring)

Enzovoort, et cetera en zo verder

Nee, dat Nederlands van ons doet niet onder voor welke taal dan ook. Geloof mij. Ik ben niet achterlijk. Of wat je ook kunt zeggen (nummertje 61): laat mij maar schuiven.

Bob Frommé

Corps

Die ontgroening weet wat. Voor de zoveelste keer komt naar buiten dat aankomende studenten extreem worden vernederd, geschopt en in elkaar geslagen, althans door ouderejaars bij het corps. Lekkere jongens, die het nog ver zullen brengen.
Nog niet zo heel lang geleden hoorde ik in alle vroegte op een station een redeloos gebrul. Het kwam uit tientallen kelen. Voetbalsupporters! Maar zo vroeg al? Nu zag ik vanuit de trein de mannen lopen. Ze droegen geen sjaals en geen toeters. Ze brulden alleen, een laag, hol geloei, waarin geen woorden te herkennen waren.
De mannen liepen in een langgerekte groep over het perron richting de uitgang, zodat het gebrul lang aanhield. Ze waren jong en tamelijk goed gekleed. Ik zag nu wat die jongens waren: studenten. Die kunnen ook brullen. Hooligans en de vermeende elite hebben dezelfde houding: schijt aan alles. Die studenten moesten aankomende corpsballen zijn die op bevel van een ouderejaars verplicht waren langdurig te loeien.
Ja, dat is lachen. Er gaat niets boven studentenhumor. Zo zag ik ooit een foto van geknielde jongens onder een Amsterdamse  spoorbrug, die met slaapzakken over hun hoofd werden afgeblaft door ouderejaars. Voorbijgangers schrokken zich kapot, omdat het inwijdingsritueel er zo angstaanjagend uitzag.
In de jaren zeventig woonde ik in ‘de roetkapkamer’, een lang, hoog vertrek met lambrisering in het landhuis Nieuw-Amelisweerd, in een bos nabij Utrecht. In 1965 was een jonge student, jonkheer David Rutgers van Rozenburg, aan een strenge ontgroening onderworpen door het adellijk dispuut Tres. Hij kreeg een roetkap opgezet die niet behandeld was met het ‘veilige’ steenkoolroet, maar met petroleumroet, waardoor hij stikte. Volgens de overlevering was die jongen ontgroend op het landgoed Amelisweerd en meer in het bijzonder in het toen leegstaande landhuis en nog meer in het bijzonder in mijn kamer.
Sommige andere bewoners in dat huis hadden schrik van die plek en er werd zelfs beweerd dat vanuit het holle van die kamer geluiden waren gehoord, ook toen hij nog niet was bewoond. Ik ben er wel eens geschrokken van een idioot grote spin vlak boven mijn hoofdkussen, maar de dode student heeft mij nooit bezocht.
Het nieuws over Amsterdam en vandaag ook weer over Groningen vermeldt geen doden, maar wel gewonden. Ik vermoed dat de daders dezelfde sadistische inslag hebben als sommige verkenners die ik heb mogen meemaken. Verkenners (katholieke padvinders) gaan elk jaar op kamp. Ik ging mee als groentje.
Vast ritueel: de lianentocht. De leiding had op de woensdagavond een touw door het bos gespannen waarlangs de jongens geblinddoekt moesten voortlopen of -kruipen, de jongsten als laatsten. Onderweg joegen oudere verkenners die jongsten schrik aan door plotseling in hun oor te brullen of een met bladeren bedekt zeiltje onder ze weg te trekken. Sommige oudere verkenners gingen een stap verder. Die hadden er, gedekt door de duisternis, schik in de jongsten tegen een doornstuik aan te duwen of in de brandnetels te gooien.
Geef mannen de gelegenheid straffeloos gewelddadig te zijn en er zullen altijd types zijn die daar dankbaar gebruik van maken. Dat gebeurde bij de verkennerij en gebeurt – structureler en heviger – bij de welopgevoede heren van het corps.

Bob Frommé

Fragmenten (2)

Opruiming! Alles moet weg! En het kost geen cent. In navolging van Karel van het Reve maak ik een tweede aflevering van Fragmenten, dingen die te klein zijn om een hele column aan te spenderen, maar die ik ook niet aan de vuilnisman wil meegeven. Daar komen ze.

Ouder worden (bedoeld wordt: in leeftijd toenemen) gaat in stappen. Ik noem er drie, afgezien van het Grote Kwakkelen.
A) De eerste keer dat je op straat wordt aangesproken met meneer. Dat is ontegenzeggelijk een flinke mijlpaal. Het overkomt je als je tegen de dertig loopt.
B) De eerste keer dat je geluid maakt, terwijl je bukt om iets van de grond te rapen. De Schotse komiek Billy Connolly wees daar al op. Dat overkomt je niet lang na de gezegende leeftijd van veertig.
C) De eerste keer dat je niet meer in staat bent staande en zonder houvast een lange broek aan te trekken. Zittend is er geen kunst aan. Nee, staand en desnoods hinkelend op je standbeen terwijl je dat andere been in de pijp wurmt. Ik voel het moment naderen dat me dat niet meer lukt. (Gelukkig kan ik nog steeds tijdens het basketballen de bal van flinke afstand – Joris Driepunter – in het netje laten ploffen.)

Dromen kunnen heel ingewikkeld zijn. Wat nu volgt is een droom in een droom in een droom.
Ik droomde dat ik in een vreemde stad mijn kinderen kwijt was en mijn mobiele telefoon. Ik droomde verder dat ik wakker werd en me realiseerde dat ik mijn kinderen en mijn telefoon niet kwijt was. Waarna ik droomde dat dat laatste maar een droom was geweest en dat ik telefoon en kinderen wel degelijk kwijt was. Pas toen ik echt wakker werd, wist ik dat ik het zoekraken van mijn kinderen en van mijn telefoon alleen maar had gedroomd.

Bedrijven kunnen met enige trots te kennen geven dat ze al sinds de oertijd bestaan. Dan voeren ze hun naam met daaronder ‘sinds XXXX (lang geleden)’. Ik zag vandaag nog een grote vrachtwagen met het opschrift ‘Feyenoord. Sinds 1908’. Dat haalt het niet bij de 1888 van Sparta, maar respectabel is het. De vraag is: hoe ver kun je daarin gaan? Als je vorig jaar een bedrijf bent gestart, krijg je de lachers op je hand als je zegt: ‘sinds 2020’. Nee, het moet ‘sinds 1860’ zijn. Wat een kennis, wat een ervaring, wat een levensvatbaarheid! Vanaf wanneer kun je je daarop laten voorstaan? Niet na een jaar, ook niet na tien jaar. Ik vermoed dat men na 25 jaar in de verleiding komt. Maar als ik een bedrijf trots zie vermelden: ‘al sinds 1996’, maakt dat op mij een potsierlijke indruk. Het zal de leeftijd zijn.

Laatst citeerde ik Joop Schafthuizen: “Zo simpel leg het gewoon niet.” Nu het verband waar het is uitgerukt. Een interviewer vroeg of hij en Gerard bezoek kregen op hun Franse Geheime Landgoed. Joop: “Nee, dat niet. Dan ken je wel zeggen: da’s makkelijk, maar zo simpel leg het gewoon niet.” Gisteren (her)las ik Brieven van een aardappeleter van Gerard Reve. Hij gebruikte de term ‘onroerend goed’, wat hem deed denken aan wat zijn taalverhaspelende Joop ooit zei: “Wat ‘ontroerend goed’ is en wat ‘exaltische kruiden’ zijn, dat weet ik, maar wat is toch dat ‘antiseminisme’?”

Bob Frommé

Poëzie aan de plas

Dankzij relaties in de wereld van de poëzie hebben Theo en ik (samen het akoestische duo Blind Vertrouwen) gisteren opgetreden op het poëziefestival Lagogo aan de Bergse Plas in Rotterdam. Muziek mocht in bescheiden mate ook meedoen. Het was heerlijk om weer eens samen op een podium te staan en – unique selling point van dit festival – in een fluisterboot de plas op te varen en daar voor een klein gehoor je liedjes te zingen. Het was een dankbaar gehoor ook nog.
Maar wat op mij het meest indruk maakte, was het optreden van Jan Rot. Alles krijgt een heviger lading, als je weet dat iemand ongeneeslijk ziek is. En dat is Jan helaas. Maar allemachtig, wat is die man goed! Hij zong ontroerende liedjes over de liefde en dat hij, al was het maar een uurtje, bij zijn moeder wilde zijn die allang dood is. Ook had hij een virtuoos razend, woordbuitelend gedicht over alle klankwoorden in onze taal (sissen, slissen, klateren, snateren etc.), met als gezongen refrein dat al die klanken niets zijn vergeleken bij de lieve woorden die zijn geliefde tegen hem zegt.
De ontspannenheid in zijn optreden was indrukwekkend. Hij wilde ‘een tophit’ uit de negentiende eeuw zingen, maar was de eerste regel vergeten. Hoe hij daar laconiek en zonder frustraties op reageerde en gewoon een ander nummer koos. Benijdenswaardig.
Ons eigen kleine hoogtepunt was het spelen en zingen van De parachutist, een uiterst geschikt nummer voor een poëziefestival, omdat het uit drie sonnetten bestaat. Een poplied dat uit drie sonnetten bestaat, vindt men op de gehele wereld niet. (Of wel? Laat zien.)
Ik doe de tekst hieronder:

De parachutist

Ik loop naar het eind van de betonnen baan
Daar staat het vliegtuig vlieggereed
Ik hoor de motoren almaar sneller gaan
Als ik de vliegtuigvloer betreed

Het is prachtig weer met helder zicht
Geen vuiltje aan de lucht
Ik draai de luiken stevig dicht
Ik
ben klaar voor de vlucht

Als het toestel in beweging raakt
En langzaam loskomt van de aarde
Voel ik de spanning in mijn maag
Ik heb hiervoor nog nooit een vlucht gemaakt
Wat heeft mijn kennis dan voor waarde?
Straks stort ik als een blok omlaag

Via de intercom zegt de piloot:
‘Je hebt nog één, nog één minuut’
Ik voel me klein, maar houd me groot
Ik betast de parachute


Het touw waarmee hij opengaat
Is mijn achilleshiel
Straks hang ik af van nylondraad
En van een stuk textiel

Nu we hoog genoeg gestegen zijn
Kijk ik naar beneden
Of ik de wereld nog herken
Ik ben groot en de wereld klein
Een minuut is lang geleden
Nu ik op de toppen ben

Ik stap naar buiten door het luik
In de buik van het heelal
De baan waarin ik naar de aarde duik
Dat is mijn eerste vrije val

Terwijl ik opgetogen kreten slaak
Raak ik bevangen door de kou
Ik voel dat ik buiten adem raak
Ten slotte ruk ik aan het touw

Ik ben niet bang, ik ben niet bang
Zo lang zo lang als ik maar wind vang
Onder het doek waaraan ik hang
Ik ben niet bang, ik ben niet bang
Zo lang zo lang als ik maar wind vang
Onder het doek waaraan ik hang


Ooit speelden we dit nummer in onze vorige band Noodweer in een café in het centrum van Rotterdam. Moesten we dat wel doen, zo’n etherisch nummer in die omgeving? Toch maar wel. Na afloop kwam een gozer in een Feyenoordshirt op me af. Hij legde zijn hand op mijn borst en zei: “Dat nummer, joh hé, over die parachutist. Mooi, man! Dat gaat over ’t leven.” Ik was stomverbaasd en even heel gelukkig.

Bob Frommé

Vaarwel, meneer Menière

Triomf, triomf, heft aan de luit, want het lichaam zegt: het is eruit. (Pollens, dat is een variant op Tollens.) Wat is eruit? De Ziekte van Menière. Dat durf ik nu met zekerheid te zeggen.
Ik had er jaren last van. Als je daar een aanval van krijgt, word je idioot duizelig, zodat je niet meer op je benen kunt staan. Je moet hevig braken en – in mijn geval – een uurtje of acht, een enkele keer zelfs twaalf, platliggen in een verduisterde kamer. Dan is het over, voorlopig.
Het ergste is de wetenschap dat je bijvoorbeeld niet naar een zanguitvoering van het koor van je zoon kunt. Dat concert is in Amsterdam en het risico dat zo’n aanval komt terwijl je in de trein zit of zelfs tijdens de uitvoering, is te groot. De ziekte was, zoals de kno-arts het uitdrukte, in een ‘invaliderende’ fase. Op den duur had ik een professionele kotszak bij me, maar dat was voor een kort en niet te ver verblijf buitenshuis.
Mijn laatste serieuze aanval – sindsdien slechts een paar aanzetjes die weer wegebden –  had ik vorig jaar tijdens mijn verjaardag, toen ik dacht dat het grootste gevaar nu wel was geweken. Ik lag zo’n acht uur gestrekt en zo min mogelijk bewegend in een mooie, met zorg uitgekozen hotelkamer in Limburg. De volgende dag voelde ik me enigszins zwakjes, maar toch weer goedgemutst.
Ik durf nu weer alles: lange fietstochten maken, een vriend in Buurmalsen opzoeken, naar de Wadden reizen. Ik weet nu (vrijwel) zeker dat ik daar goed aan doe. Ik heb namelijk in Trouw een interview gelezen met een lotgenoot: de muzikant Anne Soldaat, voorheen gitarist van Daryl-Ann.
Hij zei: “Ik wist nooit wanneer het kon toeslaan. Ik heb een paar keer gehad dat ik in de trein zat. Kwamen we het station binnen. Iedereen dacht dat ik stomdronken was. Ik weet nog dat ik me vasthield aan bankjes en prullenbakken en zo naar huis ben gestrompeld. En dan daarna acht uur op bed liggen in het donker; hoe stiller ik lag, hoe minder ik hoefde te kotsen. Echt, oh my God.”
Een feest der herkenning. Maar hij is er vanaf gekomen. De evenwichtsstoornis is eindig. Soldaat: “Het enige wat ik eraan heb overgehouden is blijvende gehoorschade, een kapot linkeroor. Links hoor ik niks meer.” Bij mij zat het rechts. Met dat oor hoor ik niet niks, maar bijna niks meer.
Mijn kno-arts haalde er op zeker moment een neuroloog bij, want misschien was het wel migraine wat ik had. Ik was, werd met enige ironie gezegd, ‘een interessant geval’. Maar nu ik dat interview met Anne Soldaat heb gelezen, weet ik het zeker: het was Menière, met de nadruk op was.
Ik heb er van pure opluchting een tekst bij gemaakt, op muziek van mijn kompaan Theo van Duijl. Ik doe een deel hieronder:

Eindelijk vrij

Ik kreeg vaak onverwacht bezoek
Van een ongewenste heer
Hij gaf meteen een rechtse hoek
En ik ging bijna neer

Kon niet meer op mijn benen staan
Als een dronken idioot
Ik heb zijn naam heel goed verstaan
Zijn daden bennen groot

Door ziekte en misère
Liet hij me heftig braken
Het was de heer Ménière
Die mij kapot wou maken

Ik moest ervan af, ik ben ervan af
Door mazzel ben ik eindelijk vrij
Ik prijs de dag, ik prijs de dag
Dat ik weer leven mag

De klap doet niet het meeste pijn
De angst ervoor is erger
Altijd ongerust te zijn
Dat is pas hemeltergend

Gewoon op weg te durven gaan
Van reizen durven dromen
Niet angstig stil te blijven staan
Omdat hij elk moment kan komen

Menière, jij zieke oudgediende
Blijf heel ver van mijn bed
De groeten aan je vrienden
Alzheimer en Tourette

Ik moest ervan af, ik ben ervan af
Door mazzel ben ik eindelijk vrij
Ik prijs de dag, ik prijs de dag
Dat ik weer leven mag

Bob Frommé

Clipje opnemen

Ik heb voor het eerst van mijn leven Pisang Ambon geproefd. Niet gedronken, maar geproefd. Conclusie: mierzoete synthetische narigheid. Precies wat ik van tevoren dacht en geheel en al in overeenstemming met het lied dat ik op dat moment zong.
Ik zong, omdat Theo en ik (Theo van Duijl, mijn wederhelft in het akoestische duo Blind Vertrouwen) bezig waren aan video-opnamen van drie nummers van onze cd Wonder. Dat glas Pisang Ambon was het rekwisiet voor het bluesy dronkemanslied Gemenut.
Eerste couplet plus refrein: Geef me een drankje dat desnoods gifgroen is/ Gemaakt van rotte vrucht waarvoor het niet het seizoen is/ Geef me een drankje dat afschuwelijk smaakt/ En waarvan m’n moeie lijf in al z’n vroegen kraakt// Geef me ’t, ah gemenut/ Gemenut, want ik heb geen nut/ Dus gemenut. Dat rekwisiet was dus passend en juist.
Ik zwalkte zo’n beetje tussen platenbakken met vintage vinyl; we waren met open armen ontvangen door Jenny Dorst, eigenaar van de vintage platenzaak JensDo aan het Zwaanshals. (Tussen deze twee haken: dat is de mooiste straatnaam van Rotterdam, zo niet van Nederland. Ja, hét Zwaanshals, ook al is het dé hals.) Op deze locatie ging het gebeuren.
Zo doorgewinterd zijn we niet ondanks onze vintage leeftijd, want je denkt: drie nummertjes opnemen, camera erop zetten, desnoods een lampje erbij, maar dan is het toch spelen en klaar. Maar zo simpel leg het gewoon niet, zou Joop Schafthuizen zeggen. Het werd een stuk professioneler aangepakt, met een ervaren cameraman, die een stel enorme tassen met spullen meebracht, en een nog veel ervarener televisieregisseur, die allerlei ideeën had over looplijnen, standpunten van de – meervoud – camera’s, bepaalde woeste camerabewegingen, extra shots vanaf de straat en plannetjes voor de montage. Het klonk ons als muziek in de oren.
Het is bekend van filmsets: acteren is wachten. We hadden veel vaker in een geluidsstudio gestaan en, toen we nog in Noodweer zaten, geplaybackt in tv-studio’s en in Nederland Muziekland. We hadden maar één keer live gespeeld, bij Sonja Barend (het schimplied Amsterdam, in het hol van de leeuw), maar dit werden toch een soort van clips. En dan geldt: wachten kan lang duren.
Je staat op een stukje duct tape, dat op de vloer is geplakt en waar je niet vanaf mag wijken. Je kompaan staat naast je op een ander stukje duct tape en dan is het wachten. Cameraman en regisseur zijn in druk overleg. Waar komen de camera’s en op welke hoogte, en waar komt het licht? Dat ben je, in lijdzaamheid, toch al snel een half uur verder.
Gezellig converseren en geintjes maken zit er niet in. Daarvoor is de spanning te groot. Ik zou wel eens willen weten hoe een mens daarvan afkomt. Het is me in al die jaren niet gelukt. En de spanning neemt nog toe, wanneer je je ook nog eens ergert aan dat eeuwige gebrek aan gemoedsrust voor een optreden.
Eindelijk mogen we los. We doen Gemenut, Het is een wonder dat je leeft en De stem van mijn moeder. Steeds is de derde versie de beste. Pas dan ben ik af van mijn gespannenheid met bijbehorende dode blik. Het leven komt dan goddank terug. En het lacht ons zelfs toe.
Werd het toch nog een fijne middag.

Bob Frommé

Sifan Hassan

Nee, dat was niet zomaar iets wat Sifan Hassan presteerde. Zij was na Fanny Blankers-Koen de tweede atlete in de historie die op drie individuele loopnummers een medaille won. Ik las in The Guardian – de Engelsen hebben een veel grotere traditie in de lange-afstandsnummers – dat de laatste honderd van Hassans tienduizend meter (the most jaw-dropping of all) sneller waren dan de laatste honderd van de bronzen loopster op de vierhonderd meter en de gouden winnaars op de achthonderd en vijftienhonderd meter (nota bene de afstand waarop ze derde werd). Het minste wat zij verdient, is een sonnetje.

Heldindicht

Zij had een voorsprong op het hele veld
Ze was krankzinnig hard vooruitgesneld
De rest was op het einde uitgeteld
Dit was geen lopen, dit was brutaal geweld

Drie medailles, drie, hoe kon ze het doen?
Het was bijna een daad van onfatsoen
Sifan Hassan: wonderbaarlijk kampioen
Zij is de nieuwe Fanny Blankers-Koen

Groots liep ze en dwars door alles heen
Gekweld door pijn in haar linkerbeen
Wat een ongehoorde suprematie
The greatest ever volgens de BBC

Haar verhaal zal altijd worden verteld
Zij is de vrouwelijke vorm van held

Bob Frommé

Andersvalide

Een mens komt wel eens ergens, of je nu een oude witte man bent, zoals ik, of een medelander met een migratie-achtergrond. Zo kwam ik laatst in een gezondheidscentrum. Zo’n plek des heils is te verkiezen boven een penitentiaire inrichting, op voorwaarde dat je aandoening ver verwijderd is van de gevreesde ziekte en dus ook van de palliatieve zorg. Ik ben gelukkig niet chronisch ziek en ik ben zeker niet bedlegerig. Ik heb geen visueel uitgedaagde vlek voor de reeds door Els Borst gesignaleerde lichte ongepastheid van de term ‘bedlegerig’.
Ik zag op de parkeerplaats tot mijn grote genoegen bij een aantal parkeervakken P-borden met de tekst ‘bijzondere doelgroepen’. Ik nam aan dat het mensen betrof die zich buiten hun automobiel in een rolstoel voortbewegen. De kiesheid waarmee de in een speciale commissie benoemde aandachtspersonen voor deze rolstoelloze oplossing hadden gekozen, had op mij een weldadige uitwerking.
Ik meldde mij goedgemutst aan de balie, waar een uiterst vriendelijke, volslanke dame van Caribische afkomst mij verwelkomde. Zij vroeg me welke lichamelijke beperking mij ertoe bracht een bezoek te brengen aan haar gezondheidsinstituut. Ik zei, nadat ik om herhaling van haar woorden had gevraagd, dat ik auditief was uitgedaagd. (Voor je het weet, bezondig je je aan – moeilijk woord – validisme, waardoor je mensen met een beperking onnodig stigmatiseert. Dus zeg nooit Oost-Indisch doof, blinde vlek, schele dakduif, kreupelhout of stomme hond, gebruik ook nooit een manke vergelijking en doe nooit spastisch.)
Ik weet wat het is om een beperking te hebben. Door de mijne had ik zelfs moeten afzien van een rol in het toneelstuk Sneeuwwitje en de zeven hoeders van het woud. Ik zou oorspronkelijk een van de hoeders spelen, maar mijn auditieve beperking zat in de weg, waarbij nog kwam dat mijn aanzienlijke lengte de geloofwaardigheid van de rol ernstig belemmerde.
Dit nu vertelde ik niet aan de gastvrouw met niet-westerse achtergrond. Ik wilde haar niet lastigvallen met mijn medisch-culturele problematiek noch met mijn persoonlijke history – al helemaal niet omdat history een niet-inclusieve, masculiene term is die suggereert dat er niet zoiets is als her story. Ze verwees me door.
Op weg naar de medisch specialist liep ik door een gang met aan weerszijden kamers die gevuld waren met lichamelijk beperkten. Of wat je beter kunt zeggen: mensen die anderszins bekwaam waren. Er lagen cliënten in verschillende levensfasen. Zo zag ik een senior die, naar het zich liet aanzien, negentig jaar jong was. Het ene fysieke ongemak na het andere vroeg hier om specialistische behandeling. En dat in de stellige verwachting dat de gezondheidscliënt niet heen- of naar gene zijde gaat of het tijdelijke met het eeuwige moet verwisselen. De mensen maken liever geen rit in een rouwauto op weg naar een gedenktuin en zeker niet, ouderwets grof geformuleerd, in een lijkwagen naar een dodenakker.
Ik hoopte wel dat de vermeende hoogopgeleidheid van mijn specialist niet zou leiden tot arrogantie en neerbuigendheid. Bijvoorbeeld jegens de vermeend laagopgeleide interieurverzorgsters of plantsoenharkende milieumedewerkers die in en om het medisch instituut werkzaam zijn.
Ik ben zelf opgegroeid in een Vogelaarwijk/krachtwijk, waar een groot deel van de populatie al lang niet meer actief betrokken is bij het arbeidsgebeuren of onlangs boventallig is verklaard. Ik weet dus precies hoe de sociaal-economisch gedepriveerde, geldelijk minvermogende medemens zijn of haar waardigheid moet zien te bewaren. En dat tegenover de algehele dominantie van de gestudeerde bovenlaag, die vaak een tot slaaf gemaakte is van zijn eigen vooroordelen.
Mijn specialist bleek een man te zijn. Dat ligt helemaal niet voor de hand, zoals u weet. Er zijn nog andere genders ook namelijk! Dat inzien vergt wel een stukje awareness. Ik moest enkele tests ondergaan en dat leverde geen ongewenste sensitieve sensaties op, zoals je dat bij de tandarts kan overkomen. Een onverdoofde zenuwbehandeling komt neer op wat in militaire kring treffend wordt aangeduid met ‘verbeterde ondervragingstechniek’. In die kring gaat ook wel eens iets níét goed, bij een precisiebombardement bijvoorbeeld, met ‘bijkomende schade’ voor de omwonenden. Dat is dan wel een puntje.
De KNO-arts bleek te lijden aan een relatieve tekortkoming in zijn uiterlijke verschijning. Let wel, lelijkheid bestaat niet, schoonheid zit van binnen. Mij hinderde het niet, maar ik ben dan ook een heteroseksuele homo sapiens, die daarom wel liever te maken had gehad met een goed gelukt vrouwspersoon. De arts was bovendien zeer kundig en vriendelijk. Dat was maar goed ook, want aan onvriendelijkheid heb ik een broertje levenloos. Ik word dan dermate gebelgd, dat ik met alle macht moet worden gesensibiliseerd. Een enkeling zou me dan misschien willen neutraliseren, maar daar bestaan wetten tegen en praktische bezwaren.
Mijn auditieve beperking bleek vrij ernstig te zijn. Ik was dus een persoon die speciale aandacht verdiende. Ik behoorde in zekere zin wel degelijk tot een bijzondere doelgroep. Dat ik daartoe eigenlijk over een op wielen voortbewogen zetel zou moeten beschikken, beschouw ik als een vorm van discriminatie.
Ik werd voorzien van een auditieve prothese en met verende tred verliet ik, na een sanitaire stop, zonder ondersteuner het gezondheidscentrum. Mij kreeg je niet geestelijk beperkt of uitgedaagd. Ik bleef in mijn kracht staan en wist dat ik voortaan als blijmoedige andersvalide door het leven zou gaan.

Bob Frommé

P.S. Dit stuk verschijnt morgen in het blad Argus

Gek Nederlands

Dat mooie Nederlands van ons verbergt eigenaardigheden die je gemakkelijk over het hoofd ziet en waar geen neerlandicus mee bezig is. Zo stuitte ik een jaar of vijf geleden bij toeval op eigenaardige types woordparen, twee in getal, die ook nog eens elkaars tegendeel zijn. Ik leg ze nogmaals voor en vul ze aan.
Type één bestaat uit woorden die schijnbaar het tegenovergestelde betekenen, maar in feite synoniem zijn of althans dezelfde lading hebben. Zoals het er nu staat, begrijpt niemand het. Een voorbeeld maakt alles duidelijk: guur en onguur. Nietwaar, onguur is de minvariant van guur, maar guur weer en een onguur mannetje hebben beide dezelfde ongunstige lading. Is toch gek
Type twee bestaat uit woorden die schijnbaar dezelfde betekenis hebben, maar in feite elkaars tegendeel zijn. Voorbeeld: zouteloos en ongezouten. Nietwaar, allebei zonder zout. Maar een zouteloze grap is flauw en slap, ongezouten kritiek is juist scherp en hard. Is toch gek.
Van de eerste soort (ogenschijnlijk tegengesteld, maar met min of meer dezelfde betekenis) hebben we niet alleen guur-onguur, maar ook kosten-onkosten, hebbelijkheid-onhebbelijkheid, typisch-atypisch, beest-ondier, bijten-ontbijten. Er zijn meer varianten met ont-. Houden en onthouden laten beide iets niet wegglippen. Wie slaat en ontslaat doet in beide gevallen iemand pijn. En er zijn er vast nog meer.
Deze zag ik vorige week: staan en vallen zijn tegengesteld, nietwaar. En toch is er geen verschil tussen ‘dat staat te bezien’ en ‘dat valt te bezien’. En wat is het tegendeel van aan? Uit toch zeker. Maar als je een aanbouw hebt, heb je wel degelijk ook een uitbouw. Zo, die zit. (En dat staat.)
Van de tweede soort (ogenschijnlijk hetzelfde, maar tegengesteld in betekenis) zijn veel moeilijker andere voorbeelden te vinden dan zouteloos-ongezouten. Deze kan ermee door: glad en onkreukbaar. Geen plooi te zien, maar een glad persoon is iets heel anders dan een onkreukbaar persoon. En deze zeker: retour en op de weg terug zijn hetzelfde. Maar als je zegt dat iets op z’n retour is, zeg je iets heel anders dan wanneer je zegt dat iets op de weg terug is. Sterker, dan zeg je het tegenovergestelde.
Zou er nog een type drie zijn? (Koor van lezers: “Ga weg!”) Verdomd, dat is er. Daarbij is een woordpaar exact hetzelfde (homoniem), maar tegengesteld in betekenis. Huilen en lachen zijn elkaars tegendeel, maar je kunt brullen van verdriet, wat iets heel anders is dan brullen van het lachen. En je kunt iemand ontzetten en je kunt iemand ontzetten. Anders gezegd: je kunt iemand schrik aanjagen en een beklemmend gevoel geven en je kunt iemand bevrijden. Maar dit type is nog in aanbouw en moet nog worden uitgebouwd.
Nu kun je je natuurlijk afvragen: wat moeten we met dit alles? Dan zeg ik: helemaal niks, mensen, helemaal niks.

Bob Frommé

P.S. Maar als lezers aanvullingen over de schutting willen werpen, vang/ontvang ik die met graagte

Typisch Carmiggelt

Laatst maakte de Volkskrant een lijstje van de honderd beste boeken van de afgelopen honderd jaar. Een pretentieuze onderneming, maar leuk voor wie van lijstjes houdt. Op die lijst staat ook Kroeglopen van Simon Carmiggelt. Begeleidende uitleg: ‘Humor, ironie, een vlijmscherp waarnemingsvermogen en onnadrukkelijk stilistisch meesterschap kenmerken deze reeks kroegverhalen, die op ingetogen wijze de menselijke grandeur en misère verbeelden.’
Ik heb die bundel herlezen en meteen ook maar Kroeglopen 2. Die kroegverhalen worden algemeen beschouwd als zijn beste werk. Carmiggelt schitterde als hij de lezer meenam naar ‘een kleine tapperij aan een oude gracht’ of ‘een onderneming met volledige tapvergunning’. Koor van fans (een uitstervende groep, want de wereldse roem vervliegt snel): “Ja! Het schemerige rijk van de vaste jongens!”
Ik verwacht schittering, maar ik lees: ‘Kent u In a sentimental mood van Duke Ellington? Dat is een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Erg muzikaal, erg droefgeestig en erg sentimenteel. Maar ik heb er nu eenmaal een onuitroeibaar zwak voor en ik zet het als titel boven dit enigszins wonderlijke kroegverhaal dat ik, geloof ik, eigenlijk helemaal niet schrijven moet, omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.’
Koor van fans: “Wat wil je daarmee? Dat is toch bescheiden en sympathiek geformuleerd?” (Ondergetekende schraapt de keel.) Het woord dat zich bij mij opdringt is tuttig. (Ondergetekende gooit schroom nu van zich af.) Ik vind dat tuttig! Een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Dit enigszins wonderlijke kroegverhaal. Omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.
Koor: “Je gaat ons toch niet vertellen dat je het beter weet dan Simon Carmiggelt?” Dat zou ik in het algemeen niet durven vertellen, maar hier zou ik zeggen: zwak begonnen, weggooien. Temeer omdat Carmiggelt vervolgt met een veel betere openingszin: ‘Laatst moest ik naar een receptie in Rotterdam.’ Waarna het, zonder die eerste alinea, veel minder lang duurt voordat je op een paar gave Carmiggelt-zinnetjes stuit. Hij is dan al weer weg uit die vreselijke receptie, waar mensen ‘elkaar quasi-opgewekt stonden te beliegen’. Hij loopt buiten. Carmiggelt: ‘Het regende hevig. Dat was wel fijn. Want regen is waar. Zéér waar.’ Koor: “Dat is goed, ja. Zeer waar! En dan is hij nog niet eens in de kroeg.”
Ook als hij wel in de kroeg is, doet hij dingen die als prachtig Carmiggeltiaans worden gezien, maar die ik… Koor: “Voorbeeld!”
‘Terwijl de band een cha cha cha inzette, plaatste de ober de in de koeler leunende fles op het tafeltje met de plechtige ernst die men aan een bestelling van vijftig gulden verschuldigd is. Het meisje, dat haar Bardot-kapsel torste als een koolzwarte elefantiasis van de achterschedel, wierp er een koud, triomfantelijk blikje op en de man, zeer dik en zeer beschonken, trachtte er baronnerig naar te kijken met oogjes die zo klein en vet waren, dat moeder ze met een natte punt van de handdoek zou schoonboenen. Omstandig van mimiek, als een opererende chirurg, begon de ober aan het ontkurkingsritueel.’
Als Carmiggelt zoiets voorlas op tv, met die melancholieke oogopslag en voorafgegaan door In a sentimental mood, ging ik nog wel overstag, maar als ik die constiperende beelden lees, vind ik het toch een beetje doorgeslagen mooischrijverij.
Sommige mensen zijn dol op een zinnetje als: ‘Buiten had de als een gezwel losgebarsten herfst de stad verbreitnerd.’ Koor: “Prachtig beeld! Typisch Carmiggelt!” Ja, maar ik houd niet van alles wat typisch Carmiggelt is. Sorry.

Bob Frommé

We gaan ervoor!

Het was erg gezellig op het caféterras. Hoe het ontstond, weet ik niet meer, maar opeens lag het idee op tafel om met de aanwezige groep vijftigplussers op vakantie te gaan op de wijze van We zijn er bijna!, zij het in sterk gewijzigde vorm. Aan mij de eer om aan MAX-baas Jan Slagter een brief te sturen om dit programma-idee aan hem op te dringen. Dit is de conceptbrief:

Ha die Jan!

Hier spreekt Bob Frommé. En ik spreek, behalve voor mezelf, ook voor een groep middelbare lui ofwel vijftigplussers ofwel energieke types die niet tot hun borstbeen in het graf staan. Wij bieden onszelf aan als alternatief voor de mensen in We zijn er bijna!, dat uiterst langzame televisieformaat waar ook wij enorm van genieten. Juist omdat er zo weinig in gebeurt. Het is een oase van rust in ons drukke bestaan. Wij willen die mensen dus niet verdringen. Leven en laten leven, zeg ik wel eens. (Je mag me citeren.) MAX hoeft niet alleen een podium te bieden aan senioren. Wij vijftigplussers zijn er ook nog!
De nieuwe formule heet We gaan ervoor! Dat wil zeggen: een groep vijftigplussers maakt in laten we zeggen Italië een camping onveilig. We komen met de auto, maar niet met een caravan. Veel te veel gedoe. Alleen al dat eindeloze parkeren! Er moet dus al behuizing zijn: huisjes, boshutten, desnoods glampingtenten.
Het programma mist dan wel bepaalde gesprekken zoals deze, die ik ooit op een camping heb opgevangen uit de mond van twee grijsharige vrouwen (het onderwerp was een speciale washand waarmee je de caravan kunt reinigen):
“Hij is in de aanbieding bij de Aldi: tweevijfennegentig.”
“Geen geld!”
“Het is Duits, het komt in elk geval uit Duitsland.”
“Jaja.”
“Ideaal. Je kan ’m in de kookwas doen bij veertig graden.”
Zulke conversaties hebben wij niet. Wij hebben diepgaande menselijke gesprekken, maar vooral veel lol. Ja, we lachen veel. Eigenlijk net zo veel als de deelnemers aan We zijn er bijna! Het punt is alleen dat die mensen lachen om niets, wat op zich wel weer grappig is. Zowat elke zin die ze uitspreken, laten ze volgen door een lach, alsof er zojuist een kostelijke grap is gemaakt. “Nou, dan ga ik daar ook maar eens kijken, hahaha.” Wij lachen om echte grappen die we helemaal zelf bedenken. En reken maar dat de kijker daar een potje van kan genieten!
Wat de samenstelling van de groep betreft zijn er zowel stellen als vrijgezellen onder ons. We moeten ook zorgen voor een weduwnaar, zodat Martine van Os een mooi, menselijk gesprek kan voeren. Ja, Martine moet ook mee.
Overigens verschillen vijftigplussers van echte senioren door hun optreden in de seksuele arena. Voor de meeste senioren is dat een afgesloten terrein, voor ons niet. Jongens en meisjes van vijftig tellen nog wel degelijk mee in die arena. Daarom moet onze weduwnaar of weduwe in de gaten worden gehouden. Hij of zij zou zomaar een huwelijksdrama kunnen veroorzaken, wat natuurlijk wel goed is voor de kijkcijfers.
Net als de senioren uit WZEB! zijn wij van We gaan ervoor! geïnteresseerd in culturele uitstapjes, naar een koele kerk in de bloedhitte bijvoorbeeld of naar een wijngaard of brouwerij om daar de lokale cultuur tot ons te nemen. De nazit levert geweldige televisie op, durf ik nu al te zeggen.
Wat denk je van dit format, beste Jan? Ik weet zeker dat jij zelf daar beter in zou passen dan in WZEB! Dus wat let je? Ga ervoor!
We horen nog van je.

Met levenslustige groet,

Bob Frommé (zelf 71, maar ik mag meedoen – 71 is het nieuwe 51)

Stuiterballen

Het Stedelijk Museum te Amsterdam heeft een overzichtstentoonstelling van Bruce Nauman. Dat is fijn voor Bruce. Bijna tachtig en alom geëerd. Maar niet door mij. De Volkskrant schrijft lovend over deze tentoonstelling van ‘een van de invloedrijkste naoorlogse kunstenaars’. Dat werk is volgens de recensent hels en beklemmend en kruipt onder je huid en laat je niet meer los.
Laten we beginnen met de stuiterballen. Nauman maakte een uiterst vertraagd videofilmpje van zijn eigen zak, die hij met één hand op en neer liet komen. Ooit wilde een Zomergast die Bouncing balls, uiteraard in bewondering, aan de kijker laten zien, maar veel verder dan een paar seconden reikte het filmpje niet, omdat elke seconde een vermogen aan rechten kostte. Zo groot is die Nauman.
Ik vind het knap dat je met zo’n flauwe grap de wereld kunt veroveren. Hier geldt de Wet van Frommé: wie spraakmakende moderne kunst wil maken, doet er goed aan zijn toevlucht te nemen tot humor die niet om te lachen is. Denk hier ook aan die Engelsman die de grote Turner Prize won door in een lege museumzaal het licht aan en uit te laten floepen. Of Georg Baselitz, die menselijke figuren ondersteboven schilderde (en nog matig ook), wat als een revolutionaire doorbraak werd gezien, maar natuurlijk een enorme flauwiteit is. Of Andy Warhol, die Het Laatste Avondmaal van Leonardo Da Vinci op ware grootte liet fotokopiëren, roze liet spuiten en in tweevoud liet ophangen (hij deed niks zelf). Die goedkope inbreuk op het – weliswaar verlopen – auteursrecht werd in de Amsterdamse Nieuwe Kerk vertoond in de reeks Meesterwerken, dezelfde reeks waarin daarna, bij wijze van flagrante tegenstelling, een echt meesterwerk van Francis Bacon te zien was.
De lijst wereldberoemde flauwegrappenmakers op artistieke grondslag is danig uit te breiden en op aanvraag verkrijgbaar, maar laten we nog even bij Bruce Nauman blijven. Een van zijn aanhalingsteken openen kunstwerken aanhalingsteken sluiten is zijn eigen voornaam, uitgevoerd in blauwe neonletters: bbbbbrrrrrruuuuucccccceeeeee. Ik had het daarover met mijn zoon Jim. Zijn recensie: “Bullshit.”
Nog eentje dan. Zeven figuurtjes, ook in gekleurd neon, die op een rij copulerende en anderszins seksuele bewegingen maken. Wat moeten we hiervan denken? Wil het de hoed van ’s burgermans punthoofd laten vliegen? Is het kritiek op de mechanische invulling van de menselijke liefde? Of is het gewoon een betekenisloos 3D-stripje, waar de toeschouwer allerlei diepzinnigheden over ‘the human condition’ in moet leggen? Het moet wat zijn, immers, anders hing het hier niet.
Oud-museumdirecteur en kunstdominee Rudi Fuchs, die in lange, prevelende zinnen de weg kan plaveien naar een enorme open deur (‘Een foto is een beeld dat van de werkelijkheid is afgezonderd, voor altijd gescheiden van de visuele totaliteit waarvan het deel uitmaakte.’), zei over dit kunstwerk nu eens geen vage of voor de hand liggende dingen. Hij zag het in het Stedelijk en zei tegen de verantwoordelijke directeur dat de bewegingen sneller moesten. Dat wist hij van Bruce zelf. “Dat is het vak, dat moet je allemaal weten.” Maar of je dat ding nu sneller of langzamer zet, het blijft wat het is: een gevalletje nikserigheid.

Bob Frommé