Gek Nederlands

Dat mooie Nederlands van ons verbergt eigenaardigheden die je gemakkelijk over het hoofd ziet en waar geen neerlandicus mee bezig is. Zo stuitte ik een jaar of vijf geleden bij toeval op eigenaardige types woordparen, twee in getal, die ook nog eens elkaars tegendeel zijn. Ik leg ze nogmaals voor en vul ze aan.
Type één bestaat uit woorden die schijnbaar het tegenovergestelde betekenen, maar in feite synoniem zijn of althans dezelfde lading hebben. Zoals het er nu staat, begrijpt niemand het. Een voorbeeld maakt alles duidelijk: guur en onguur. Nietwaar, onguur is de minvariant van guur, maar guur weer en een onguur mannetje hebben beide dezelfde ongunstige lading. Is toch gek
Type twee bestaat uit woorden die schijnbaar dezelfde betekenis hebben, maar in feite elkaars tegendeel zijn. Voorbeeld: zouteloos en ongezouten. Nietwaar, allebei zonder zout. Maar een zouteloze grap is flauw en slap, ongezouten kritiek is juist scherp en hard. Is toch gek.
Van de eerste soort (ogenschijnlijk tegengesteld, maar met min of meer dezelfde betekenis) hebben we niet alleen guur-onguur, maar ook kosten-onkosten, hebbelijkheid-onhebbelijkheid, typisch-atypisch, beest-ondier, bijten-ontbijten. Er zijn meer varianten met ont-. Houden en onthouden laten beide iets niet wegglippen. Wie slaat en ontslaat doet in beide gevallen iemand pijn. En er zijn er vast nog meer.
Deze zag ik vorige week: staan en vallen zijn tegengesteld, nietwaar. En toch is er geen verschil tussen ‘dat staat te bezien’ en ‘dat valt te bezien’. En wat is het tegendeel van aan? Uit toch zeker. Maar als je een aanbouw hebt, heb je wel degelijk ook een uitbouw. Zo, die zit. (En dat staat.)
Van de tweede soort (ogenschijnlijk hetzelfde, maar tegengesteld in betekenis) zijn veel moeilijker andere voorbeelden te vinden dan zouteloos-ongezouten. Deze kan ermee door: glad en onkreukbaar. Geen plooi te zien, maar een glad persoon is iets heel anders dan een onkreukbaar persoon. En deze zeker: retour en op de weg terug zijn hetzelfde. Maar als je zegt dat iets op z’n retour is, zeg je iets heel anders dan wanneer je zegt dat iets op de weg terug is. Sterker, dan zeg je het tegenovergestelde.
Zou er nog een type drie zijn? (Koor van lezers: “Ga weg!”) Verdomd, dat is er. Daarbij is een woordpaar exact hetzelfde (homoniem), maar tegengesteld in betekenis. Huilen en lachen zijn elkaars tegendeel, maar je kunt brullen van verdriet, wat iets heel anders is dan brullen van het lachen. En je kunt iemand ontzetten en je kunt iemand ontzetten. Anders gezegd: je kunt iemand schrik aanjagen en een beklemmend gevoel geven en je kunt iemand bevrijden. Maar dit type is nog in aanbouw en moet nog worden uitgebouwd.
Nu kun je je natuurlijk afvragen: wat moeten we met dit alles? Dan zeg ik: helemaal niks, mensen, helemaal niks.

Bob Frommé

P.S. Maar als lezers aanvullingen over de schutting willen werpen, vang/ontvang ik die met graagte

Typisch Carmiggelt

Laatst maakte de Volkskrant een lijstje van de honderd beste boeken van de afgelopen honderd jaar. Een pretentieuze onderneming, maar leuk voor wie van lijstjes houdt. Op die lijst staat ook Kroeglopen van Simon Carmiggelt. Begeleidende uitleg: ‘Humor, ironie, een vlijmscherp waarnemingsvermogen en onnadrukkelijk stilistisch meesterschap kenmerken deze reeks kroegverhalen, die op ingetogen wijze de menselijke grandeur en misère verbeelden.’
Ik heb die bundel herlezen en meteen ook maar Kroeglopen 2. Die kroegverhalen worden algemeen beschouwd als zijn beste werk. Carmiggelt schitterde als hij de lezer meenam naar ‘een kleine tapperij aan een oude gracht’ of ‘een onderneming met volledige tapvergunning’. Koor van fans (een uitstervende groep, want de wereldse roem vervliegt snel): “Ja! Het schemerige rijk van de vaste jongens!”
Ik verwacht schittering, maar ik lees: ‘Kent u In a sentimental mood van Duke Ellington? Dat is een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Erg muzikaal, erg droefgeestig en erg sentimenteel. Maar ik heb er nu eenmaal een onuitroeibaar zwak voor en ik zet het als titel boven dit enigszins wonderlijke kroegverhaal dat ik, geloof ik, eigenlijk helemaal niet schrijven moet, omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.’
Koor van fans: “Wat wil je daarmee? Dat is toch bescheiden en sympathiek geformuleerd?” (Ondergetekende schraapt de keel.) Het woord dat zich bij mij opdringt is tuttig. (Ondergetekende gooit schroom nu van zich af.) Ik vind dat tuttig! Een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Dit enigszins wonderlijke kroegverhaal. Omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.
Koor: “Je gaat ons toch niet vertellen dat je het beter weet dan Simon Carmiggelt?” Dat zou ik in het algemeen niet durven vertellen, maar hier zou ik zeggen: zwak begonnen, weggooien. Temeer omdat Carmiggelt vervolgt met een veel betere openingszin: ‘Laatst moest ik naar een receptie in Rotterdam.’ Waarna het, zonder die eerste alinea, veel minder lang duurt voordat je op een paar gave Carmiggelt-zinnetjes stuit. Hij is dan al weer weg uit die vreselijke receptie, waar mensen ‘elkaar quasi-opgewekt stonden te beliegen’. Hij loopt buiten. Carmiggelt: ‘Het regende hevig. Dat was wel fijn. Want regen is waar. Zéér waar.’ Koor: “Dat is goed, ja. Zeer waar! En dan is hij nog niet eens in de kroeg.”
Ook als hij wel in de kroeg is, doet hij dingen die als prachtig Carmiggeltiaans worden gezien, maar die ik… Koor: “Voorbeeld!”
‘Terwijl de band een cha cha cha inzette, plaatste de ober de in de koeler leunende fles op het tafeltje met de plechtige ernst die men aan een bestelling van vijftig gulden verschuldigd is. Het meisje, dat haar Bardot-kapsel torste als een koolzwarte elefantiasis van de achterschedel, wierp er een koud, triomfantelijk blikje op en de man, zeer dik en zeer beschonken, trachtte er baronnerig naar te kijken met oogjes die zo klein en vet waren, dat moeder ze met een natte punt van de handdoek zou schoonboenen. Omstandig van mimiek, als een opererende chirurg, begon de ober aan het ontkurkingsritueel.’
Als Carmiggelt zoiets voorlas op tv, met die melancholieke oogopslag en voorafgegaan door In a sentimental mood, ging ik nog wel overstag, maar als ik die constiperende beelden lees, vind ik het toch een beetje doorgeslagen mooischrijverij.
Sommige mensen zijn dol op een zinnetje als: ‘Buiten had de als een gezwel losgebarsten herfst de stad verbreitnerd.’ Koor: “Prachtig beeld! Typisch Carmiggelt!” Ja, maar ik houd niet van alles wat typisch Carmiggelt is. Sorry.

Bob Frommé

We gaan ervoor!

Het was erg gezellig op het caféterras. Hoe het ontstond, weet ik niet meer, maar opeens lag het idee op tafel om met de aanwezige groep vijftigplussers op vakantie te gaan op de wijze van We zijn er bijna!, zij het in sterk gewijzigde vorm. Aan mij de eer om aan MAX-baas Jan Slagter een brief te sturen om dit programma-idee aan hem op te dringen. Dit is de conceptbrief:

Ha die Jan!

Hier spreekt Bob Frommé. En ik spreek, behalve voor mezelf, ook voor een groep middelbare lui ofwel vijftigplussers ofwel energieke types die niet tot hun borstbeen in het graf staan. Wij bieden onszelf aan als alternatief voor de mensen in We zijn er bijna!, dat uiterst langzame televisieformaat waar ook wij enorm van genieten. Juist omdat er zo weinig in gebeurt. Het is een oase van rust in ons drukke bestaan. Wij willen die mensen dus niet verdringen. Leven en laten leven, zeg ik wel eens. (Je mag me citeren.) MAX hoeft niet alleen een podium te bieden aan senioren. Wij vijftigplussers zijn er ook nog!
De nieuwe formule heet We gaan ervoor! Dat wil zeggen: een groep vijftigplussers maakt in laten we zeggen Italië een camping onveilig. We komen met de auto, maar niet met een caravan. Veel te veel gedoe. Alleen al dat eindeloze parkeren! Er moet dus al behuizing zijn: huisjes, boshutten, desnoods glampingtenten.
Het programma mist dan wel bepaalde gesprekken zoals deze, die ik ooit op een camping heb opgevangen uit de mond van twee grijsharige vrouwen (het onderwerp was een speciale washand waarmee je de caravan kunt reinigen):
“Hij is in de aanbieding bij de Aldi: tweevijfennegentig.”
“Geen geld!”
“Het is Duits, het komt in elk geval uit Duitsland.”
“Jaja.”
“Ideaal. Je kan ’m in de kookwas doen bij veertig graden.”
Zulke conversaties hebben wij niet. Wij hebben diepgaande menselijke gesprekken, maar vooral veel lol. Ja, we lachen veel. Eigenlijk net zo veel als de deelnemers aan We zijn er bijna! Het punt is alleen dat die mensen lachen om niets, wat op zich wel weer grappig is. Zowat elke zin die ze uitspreken, laten ze volgen door een lach, alsof er zojuist een kostelijke grap is gemaakt. “Nou, dan ga ik daar ook maar eens kijken, hahaha.” Wij lachen om echte grappen die we helemaal zelf bedenken. En reken maar dat de kijker daar een potje van kan genieten!
Wat de samenstelling van de groep betreft zijn er zowel stellen als vrijgezellen onder ons. We moeten ook zorgen voor een weduwnaar, zodat Martine van Os een mooi, menselijk gesprek kan voeren. Ja, Martine moet ook mee.
Overigens verschillen vijftigplussers van echte senioren door hun optreden in de seksuele arena. Voor de meeste senioren is dat een afgesloten terrein, voor ons niet. Jongens en meisjes van vijftig tellen nog wel degelijk mee in die arena. Daarom moet onze weduwnaar of weduwe in de gaten worden gehouden. Hij of zij zou zomaar een huwelijksdrama kunnen veroorzaken, wat natuurlijk wel goed is voor de kijkcijfers.
Net als de senioren uit WZEB! zijn wij van We gaan ervoor! geïnteresseerd in culturele uitstapjes, naar een koele kerk in de bloedhitte bijvoorbeeld of naar een wijngaard of brouwerij om daar de lokale cultuur tot ons te nemen. De nazit levert geweldige televisie op, durf ik nu al te zeggen.
Wat denk je van dit format, beste Jan? Ik weet zeker dat jij zelf daar beter in zou passen dan in WZEB! Dus wat let je? Ga ervoor!
We horen nog van je.

Met levenslustige groet,

Bob Frommé (zelf 71, maar ik mag meedoen – 71 is het nieuwe 51)

Stuiterballen

Het Stedelijk Museum te Amsterdam heeft een overzichtstentoonstelling van Bruce Nauman. Dat is fijn voor Bruce. Bijna tachtig en alom geëerd. Maar niet door mij. De Volkskrant schrijft lovend over deze tentoonstelling van ‘een van de invloedrijkste naoorlogse kunstenaars’. Dat werk is volgens de recensent hels en beklemmend en kruipt onder je huid en laat je niet meer los.
Laten we beginnen met de stuiterballen. Nauman maakte een uiterst vertraagd videofilmpje van zijn eigen zak, die hij met één hand op en neer liet komen. Ooit wilde een Zomergast die Bouncing balls, uiteraard in bewondering, aan de kijker laten zien, maar veel verder dan een paar seconden reikte het filmpje niet, omdat elke seconde een vermogen aan rechten kostte. Zo groot is die Nauman.
Ik vind het knap dat je met zo’n flauwe grap de wereld kunt veroveren. Hier geldt de Wet van Frommé: wie spraakmakende moderne kunst wil maken, doet er goed aan zijn toevlucht te nemen tot humor die niet om te lachen is. Denk hier ook aan die Engelsman die de grote Turner Prize won door in een lege museumzaal het licht aan en uit te laten floepen. Of Georg Baselitz, die menselijke figuren ondersteboven schilderde (en nog matig ook), wat als een revolutionaire doorbraak werd gezien, maar natuurlijk een enorme flauwiteit is. Of Andy Warhol, die Het Laatste Avondmaal van Leonardo Da Vinci op ware grootte liet fotokopiëren, roze liet spuiten en in tweevoud liet ophangen (hij deed niks zelf). Die goedkope inbreuk op het – weliswaar verlopen – auteursrecht werd in de Amsterdamse Nieuwe Kerk vertoond in de reeks Meesterwerken, dezelfde reeks waarin daarna, bij wijze van flagrante tegenstelling, een echt meesterwerk van Francis Bacon te zien was.
De lijst wereldberoemde flauwegrappenmakers op artistieke grondslag is danig uit te breiden en op aanvraag verkrijgbaar, maar laten we nog even bij Bruce Nauman blijven. Een van zijn aanhalingsteken openen kunstwerken aanhalingsteken sluiten is zijn eigen voornaam, uitgevoerd in blauwe neonletters: bbbbbrrrrrruuuuucccccceeeeee. Ik had het daarover met mijn zoon Jim. Zijn recensie: “Bullshit.”
Nog eentje dan. Zeven figuurtjes, ook in gekleurd neon, die op een rij copulerende en anderszins seksuele bewegingen maken. Wat moeten we hiervan denken? Wil het de hoed van ’s burgermans punthoofd laten vliegen? Is het kritiek op de mechanische invulling van de menselijke liefde? Of is het gewoon een betekenisloos 3D-stripje, waar de toeschouwer allerlei diepzinnigheden over ‘the human condition’ in moet leggen? Het moet wat zijn, immers, anders hing het hier niet.
Oud-museumdirecteur en kunstdominee Rudi Fuchs, die in lange, prevelende zinnen de weg kan plaveien naar een enorme open deur (‘Een foto is een beeld dat van de werkelijkheid is afgezonderd, voor altijd gescheiden van de visuele totaliteit waarvan het deel uitmaakte.’), zei over dit kunstwerk nu eens geen vage of voor de hand liggende dingen. Hij zag het in het Stedelijk en zei tegen de verantwoordelijke directeur dat de bewegingen sneller moesten. Dat wist hij van Bruce zelf. “Dat is het vak, dat moet je allemaal weten.” Maar of je dat ding nu sneller of langzamer zet, het blijft wat het is: een gevalletje nikserigheid.

Bob Frommé

Heilig verontwaardigd

Vandaag kijken we naar binnen bij de wonderlijke aardbewoner die de mens is. En dan met speciale aandacht voor de moraal, de wereld van goed en kwaad. Als je overtuigd bent van wat goed en kwaad is, hoort daar een krachtige emotie bij: heilige verontwaardiging. En die is niet onprettig. Je feliciteert jezelf als het ware dat je aan de goede kant staat. Voorwaarde is wel dat je jezelf niet bezondigt aan waar je zo verontwaardigd over bent. Maar daar kun je nooit helemaal zeker van zijn, zo blijkt in wat nu volgt.
Ik had een vriendin die tamelijk jaloers was (lees: vreselijk jaloers). Daar kon ik mee leven, omdat ik van haar hield en zelf ook een jaloers type ben. Op zeker moment ging het uit, maar we bleven vrienden. Maar ook in die vriendschap had ze last van bezitsdrang. Eigenlijk vond ze het maar niks dat ik na jaren een nieuwe relatie kreeg.
En toen ik wilde morrelen aan de hoge frequentie waarmee we elkaar zagen (wekelijks), was ze heilig verontwaardigd. Ik tornde aan de vriendschap en vriendschap was immers ontzettend belangrijk? Vriendschap werd door de meeste mensen onderschat. En dat ik tot die versmade meerderheid leek te behoren, stelde haar hevig teleur.
Mijn nieuwe vrouw vond het niet altijd even prettig dat ik bij mijn ex logeerde, maar dwingende eisen stelde ze niet. Ik wist zeker dat als mijn ex in die positie had verkeerd, zij nog geen kwart had geaccepteerd van een vriendschap als de onze. Ik legde dat aan haar voor. Haar reactie: “Nou en?” Daar moest ik over nadenken.
Natuurlijk, een dief vindt het niet prettig bestolen te worden. Maar hij moet niet in heilige verontwaardiging een betoog afsteken over de onacceptabele slechtheid van de dief. Mijn oude vriendin hield een soortgelijk betoog. Het leidde uiteindelijk tot een breuk.
Laatst stuitte ik via een omweg op een eigen variant van die onterechte heilige verontwaardiging. Ik maakte een fietstocht met M. en op zeker moment waren we onzeker over de juiste route. We stonden stil op het fietspad en wilden omkeren, maar door de verwarring over de route lette ik niet op. Ik draaide zonder te kijken mijn fiets om en blokkeerde zo het fietspad. Een man op een racefiets moest keihard remmen om een botsing te voorkomen. Verdomme, hoe kon ik zo stom zijn. Ik putte me uit in excuses die de man grommend accepteerde, terwijl hij zich met bruuske bewegingen in gang trok.
Ik had nog dagenlang last van dat incident. Dat kwam vooral doordat het mijn heilige verontwaardiging in een schril daglicht stelde, de heilige verontwaardiging over de onachtzaamheid van anderen. Als iemand mijn doorgang op het fietspad blokkeert of zonder te kijken schuin oversteekt, voel ik woede opkomen en heilige verontwaardiging. Ik scheld niet, maar voeg blokkeerders en in-de-weg-lopers wel dingen toe als: “Ja hoor, tuurlijk! Wat je niet hoort, dat is er niet!”
Ik vrees dat ik voortaan een toontje lager moet zingen. De eerste steen werpen is er niet meer bij.

Bob Frommé

Dedain

Ik las een stukje van mijn favoriete columnist, Sylvia Witteman, en ik was het voor de zoveelste keer gloeiend met haar eens. Over de inhoud straks. Dat stukje was ook bijzonder omdat Witteman een columnist in haar eigen krant, de Volkskrant, bestreed. Sinds Piet Grijs in Vrij Nederland op Renate Rubinstein inhakte, komt dat eigenlijk niet meer voor. Witteman hakte niet, maar was wel gedecideerd: Bert Wagendorp had groot ongelijk en ze moest niets van zijn elitaire houding hebben.
Ik heb dat zelf ooit een keer gedaan in Het Parool. Literair recensent Arie Storm schreef dingen als ‘herkenbaarheid en een plot – gaat het met dit boek nog goed komen?’ (hij had kennelijk liever een boek zonder plot waarin je je niet kunt herkennen) en ‘het kenmerk bij uitstek van echte literatuur is misschien dat ze pessimistisch en deprimerend is’. Ik was het daar gloeiend mee oneens. Ik bleef beschaafd, want ruzie maken in één huis geeft overlast. En het was natuurlijk een voordeel dat op deze manier Het Parool altijd gelijk had.
De stukjes van Witteman versus Wagendorp en van Frommé versus Storm hebben meer gemeen dan dat in alle twee op de deur van een buurman wordt gebonkt. Ik ga hier niet de hele column van Witteman citeren, al zou dat wel aanbevelenswaardig zijn. Het stukje van Wagendorp ging over ‘ontlezing’ en hoe erg dat is. Nu ja, er werd wel gelezen, maar dat kon je niet serieus nemen, omdat de boeken die de mensen lazen, bestsellers waren.
Witteman relativeerde het mogelijk rampzalige van de ontlezing (waarom zou je informatie liever uit een boek dan uit een docu halen?) en schreef ten slotte dit: ‘Waarom dat dedain? Waarom betogen dat lezen leuk moet zijn, en intussen zo terloops en vanzelfsprekend neerkijken op bestsellers die mensen daadwerkelijk voor hun plezier lezen? ‘Lezen wordt weer de elitaire bezigheid die het eeuwenlang was,’ verzucht Wagendorp. Ja, zo vráág je er wel om.’ Dat dedain van Wagendorp – zelf bestsellerauteur met Mont Ventoux – werd nog overtroffen door dat van Arie Storm.
Lezen of niet lezen, dat is de kwestie. Voor sommige mensen, vooral ouderen, is de ontlezing het naderende einde van de beschaving en het zoveelste bewijs dat de wereld naar de donder gaat. Maar ouderen vinden al snel dat de wereld naar de donder gaat, omdat ze hun eigen naderende einde verwarren met dat van de wereld. Ik denk dat het wel meevalt met die teloorgang van de beschaving.
Niemand zal beweren dat de wereld buiten het geschreven woord kan. De pessimisten bedoelen met ontlezing dat de mensen steeds minder fictie lezen en dan vooral fictie die tot de hogere literatuur wordt gerekend. Ik ken van nabij mensen die weinig tot geen literaire romans hebben gelezen en die toch kunnen denken. Ook met hun beschaving loopt het nogal los.
Is het wel zo essentieel voor iemands leven Salinger, Joyce, Kafka, Grossman, Kipling, Waugh, Saki, Tsjechov, Tolstoj, Vroman, Reve en Van het Reve te hebben gelezen? Voor mij wel, ja, maar is het dat ook voor het voortbestaan van de beschaving? Ik vind hooguit dat mensen iets missen als ze die schitterende schrijvers niet hebben gelezen, maar ik besef dat dat eigenlijk een gebrek aan voorstellingsvermogen is. Je kunt er nu eenmaal niet van uitgaan dat andere mensen zijn zoals jij.

Bob Frommé

Fragmenten

Karel van het Reve eindigde elke bundeling van zijn stukken met Fragmenten. Korte stukjes over onderwerpen die geen groot stuk verdienden, maar die hij ook niet wilde weggooien. Zulke onderwerpen heb ik, net als iedere stukjesschrijver, ook. Laat ik nou eens in Karels voetsporen treden en het ook doen, fragmentjes bijeenbrengen. Hier komen ze.

Je hebt geloof ik een stuk of twaalf verschillende soorten drogredenen. Een daarvan is de cirkelredenering. Dat zijn uitspraken van het type: “Ik geef niet graag geld uit, want ik ben zuinig.” (Vrij vertaald: “Ik ben zuinig, omdat ik zuinig ben.”) Ik hoorde laatst een fraaie in het Journaal. In de coronatijd waren boodschappen een stuk duurder geworden. Hoe kwam dat? De verslaggever kwam met een sluitende, al te sluitende oorzaak. Het was het gevolg van de prijsstijgingen! Toen Maarten van Rossem, toch een scherpe denker, werd gevraagd hoe het na de verkiezingen verder zou gaan in de VS, zei hij niet dat hij dat niet wist. Hij zei: “Dat hangt af van wat er de komende jaren gebeurt.”

Ik heb een groot zwak voor woorden met unieke lettercombinaties: fnuiken en murw. Er zijn geen andere woorden in het Nederlands die zo beginnen of zo eindigen. Stofnest en winterwanten tellen niet mee. De combinatie ps aan het begin van een woord is ook gek, maar die komt meer dan eens voor. Zie psyche, pseudo- en psoriasis. Kn is ook te algemeen. Mijn stem gaat naar fnuiken en murw, al kan ik murw niet goed uitspreken.

Verwende kinderen dreinen en drenzen en werpen zich soms krijsend ter aarde, waarna ze met hun vuistjes op het aardoppervlak slaan om hun wensen kracht bij te zetten of hun frustratie de vrije loop te laten. Ze hebben te vaak hun zin gekregen, dus als hun iets wordt geweigerd of zelfs als iets hun niet lukt (de weigering komt dan als het ware van de realiteit), raken ze hevig ontstemd.
Daar komt nog iets bij. Aan zulke kinderen zijn vaak keuzemogelijkheden voorgelegd. “Wat voor ijsje wil je? Wil je dit ijsje of dat ijsje of nog een andere?” En dat in allerlei varianten. Van die keuzestress wordt een kind niet alleen ongelukkig, het wordt ook afgericht op keuzes maken. Dus als een ouder een kind ergens toe verplicht, iets aan dat kind opdringt, schiet het in de keuzestand. Het wil kiezen, maar ergens toe verplicht worden is geen keuze, dus zegt het nee. De enig overgebleven keuze.

Vlaams is meer zoals het wordt uitgesproken, schreef Gerard Reve al eens grappenderwijs. De klinkers schieten – net als in het Volendams – alle kanten op. Wit wordt wet. Lopen wordt loepen. Wedstrijd wordt wadstreed. Oud wordt ood. Zeelui wordt zieleu. Op wordt ap. Als de West-Vlaming wil zeggen dat bij elke wedstrijd in Zwitserland, althans buiten en op hoogte, sneeuw en koude horen, zegt hij: “Bee alke wadstreed ap hoegte en Zwetserland hoeren beuten snieuw an kode.” En dan spreekt die Vlaming nog Nederlands. Zijn dialect zou ook voor Fins kunnen doorgaan.

Bob Frommé

Karel van het Reve

Als Karel van het Reve nog geleefd zou hebben, zou hij deze maand honderd zijn geworden. Dat mag niet heel veel mensen iets zeggen, misschien, maar mij zegt het alles. Hij was onze beste non-fictieschrijver. Ik ben door geen enkele andere schrijver zo beïnvloed als door hem. En dan bedoel ik niet zijn schrijfstijl, hoewel die geweldig is in zijn speelse nuchterheid. Nee, het is vooral zijn manier van denken die me heeft aangeraakt.
Zonder Karel van het Reve was ik anders geweest. Hysterischer, sterker geneigd tot voetstoots aangenomen opvattingen, ‘Russischer’. Ik weet dankzij hem dat het goed is geen ideologie te hebben. Van het Reve laat zien dat het losweken en oplossen van die ideologie niet een griezelige leegte veroorzaakt, maar de weg vrijmaakt voor helderheid en eenvoudige deugden zoals fatsoen, smaak en afkeer van fanatisme.
Hij is de enige persoon wiens uitvaart ik heb bezocht zonder hem ooit te hebben ontmoet. Mijn geestelijke vader was dood. Hij is ook de enige aan wie ik na zijn dood in 1999 elk jaar in Het Parool een stukje wijdde. Daar is de laatste jaren de klad in gekomen, maar zijn virtuele honderdste verjaardag is een mooie aanleiding om hem opnieuw te eren en aan te bevelen.
Karel van het Reve is een man naar wiens mening of ideeën ik na zijn dood nieuwsgierig ben gebleven. Ik vraag me soms af: wat zou Karel hiervan hebben gevonden? Dat heb ik bij niemand anders. In die zin mis ik hem.
Hij heeft me in het verleden meer zelfvertrouwen gegeven. Ergens in de jaren zeventig zag ik een VPRO-documentaire over Cuba. De VPRO was Cuba niet onwelgezind en dat kon je aan die documentaire zien, maar hij bevrijdde me van de alom rondwarende, stevige dwang uitoefenende gedachte dat die tropische revolutie zo gek nog niet was.
Dat kwam door één scène. Het was een bijeenkomst van pioniers (communistische padvinders), die salueerden voor de Cubaanse vlag en leuzen riepen waarmee ze Fidel Castro, El Líder Máximo, lof toezwaaiden. Ik had meteen het gevoel dat ik klaar was met Cuba.
Maar hoe kon ik dat volhouden? Ik had mijn gewaarwording slechts gebaseerd op die ene scène. Toen las ik een stuk van Van het Reve waarin hij zei dat je maar één nummer van de Peking Review hoefde te lezen – met al zijn succesverhalen, haattirades en bewieroking van Mao – om te weten dat China een politiestaat was. Dat sterkte mij.
Van het Reve lezen is de beste remedie tegen mensen die beweren dat vrijheid van meningsuiting niet zoveel waard is, dat sommige gruwelen ‘historisch noodzakelijk’ zijn, dat totalitaire regimes ook wel goede dingen hebben voortgebracht, dat je de feiten niet kunt begrijpen als je de achtergronden niet kent en dat je herhaling van woorden moet vermijden.
Ik wil hem nu zelf aan het woord te laten. (Wie meer citaten wil, moet naar zijn boeken grijpen.) Deze passage gaat over de algemeen aanvaarde stelling dat het al of niet voorkomen van een woord in een taal iets zegt over het al dan niet voorkomen van het door dat woord aangeduide ding bij de sprekers van die taal. (Het zou bijvoorbeeld betekenen dat als een taal het woord voor ‘pols’ mist, de sprekers van die taal geen pols hebben.)
Karel: ‘Deze stelling is zeer verbreid, in vele varianten. Het Arabisch kent wel honderd woorden voor paard. Daaruit blijkt dat het paard in het leven der Arabieren een grote rol speelt. De joden kennen het woord chotspe. Daaruit blijkt dat de joden brutaal zijn. De Etrusken kenden geen woord voor links of rechts. Daaruit blijkt dat zij het verschil tussen links en rechts niet kenden en daarom verdwaalden zij steeds. Niemand weet waar zij gebleven zijn.’
Zie voor nog meer Karel zijn praatje voor de Wereldomroep over zijn eigen stemgedrag: http://www.youtube.com/watch?v=vlmoxDBde_A.

Bob Frommé 

Accenten

In films en tv-series kan het zeer storend zijn. Mickey Rourke  speelt een Noord-Ier die in de IRA zit en veel contact heeft met een priester (Bob Hoskins). Hij spreekt die priester aan met father. Rourke is een Amerikaan en Amerikanen kunnen nog zo hun best doen, maar fa’er zeggen zoals de Noord-Ieren dat doen, gaat ze moeilijk af. Het accent van Rourke klopte niet en alleen al daardoor viel die film, A prayer for the dying, in het water.
Beter ware geweest dat de scenarioschrijver een subplotje had bedacht waardoor het aannemelijk zou zijn geworden dat een Ierse Amerikaan  lid wordt van de IRA. Had heel goed gekund. Dan had Rourke niet tevergeefs hoeven zeggen dat de veilens (violence) wel degelijk juus (use) had in Narden Eilend.
Laatst zag ik de film Race, over de Olympische Spelen van ’36 in Berlijn, waar Jesse Owens, de in het geheel niet Arische Jesse Owens, vier gouden medailles won. Twee Amerikaanse joodse sprinters werden uit de 4×100 meter gehaald om de nazi-organisatie tegemoet te komen. Dat was het slinkse, meegaande werk van een Amerikaanse bobo, Avery Brundage. Die werd gespeeld door de zeer Engelse Jeremy Irons. Hij probeerde uit alle macht Amerikaans te spreken, maar daarin faalde hij opzichtig. Het was pijnlijk om te zien. Herstel, om te horen.
In Nederland moeten heel veel acteurs Amsterdams spreken. Dat komt onder andere, doordat series bij voorkeur worden opgenomen in Amsterdam, omdat al die acteurs nou net daar en niet toevallig daar wonen. Frank Lammers Brabants horen spreken is heerlijk, omdat dat helemaal authentiek is. Maar ik zag eergisteren de film Ferry, waarin Frank weer schitterde, maar waarin de Limburger Huub Stapel een Amsterdamse maffiabaas speelde. Hij wendde voor Amsterdams te spreken, maar ook hij faalde opzichtig.
Zelfde probleempje deed zich voor in de serie Klem, waarin Jacob Derwig een Amsterdamse crimineel speelt. Met een Amsterdams accent spreken kan hij niet. Hetzelfde geldt voor de Bunnikse Carice van Houten, die in Red Light een hoer speelde. Ze doen hun best, maar het klinkt niet. Je zou naar het scherm willen roepen: “Niet doen, jongens!”, maar dat is dan al te laat.
Het is toch een kwestie van talent. Karin Bloemen is, net als een goeie vriend van mij, heel goed in Britse accenten. En iemand als Paul Groot kan niet alleen het Utrechtse accent van Henk Westbroek goed nadoen, hij deed ook nog eens keer diens stem en lichaamshouding perfect na. En de ‘kutjes’ van Jeroen van Koningsbrugge en Dennis van der Ven zijn aanvaardbaar Rotterdams. Goed acteren alleen is niet genoeg.
Ik heb een keer in Londen de musical Guys and dolls gezien. Hoofdrol: de Schotse filmster Ewan McGregor. Hij praatte net als iedereen in die musical plat New Yorks. (Vergelijk Archie Bunker: fooist voor first en pooison voor person.) Het klonk vrij overtuigend, maar ja, ik ben geen Amerikaan. Dus zocht en vond ik in de pauze Amerikanen. Ik vroeg ze of het accent van McGregor overtuigend was. Ze vonden van wel, maar volgens hen sprak bijna niemand in New York nog zo.
Ik vrees dat alle Amsterdamse rollen – zelfs die van een Don Juan – voortaan gespeeld moeten worden door Michiel Romeyn. Die kan het.

Bob Frommé

Architectenlatijn

Ik heb zin in een heerlijk potje architectenlatijn. Architecten zijn namelijk meer dan ontwerpers van gebouwen. Zij zijn ook tegen de klippen op zelfbenoemde kunstenaars, en kunst moet nu eenmaal worden omgeven door een waas van woorden.
Mijn kampioen in dezen is ir. Wiel Arets. Dat is geen kleine jongen. Ontwierp het Groningse stadion de Euroborg, de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en woontorens op het Amsterdamse KNSM-eiland en bij de Rotterdamse Erasmusbrug. Verder wordt hij ook gerespecteerd als theoreticus en bracht hij het tot hoogleraar in Berlijn en Chicago.
Arets weet wel weg met taal. Zijn ontwerpfilosofie is niet zomaar een ontwerpfilosofie. Hij liet zich terdege inspireren door de ideeën van Rossi en Grassi. Ik ken Rossi en Grassi niet, maar ze lijken me een leuk stel. Hier komt de duiding van Arets: ‘De architectuur wordt beschouwd als een dynamisch proces, waarbij de continuïteit in ruimte en tijd centraal staat, en waarbij men stelt dat de architectuur een antwoord moet geven op het probleem van de realiteit door zichzelf te zijn…’
Hier bestaat de gelegenheid het voorhoofd te fronsen en – als u het licht ziet – instemmend te knikken en te mompelen: “Ja, jezelf zijn is iets moois. Waar zouden we blijven als de architectuur niet zichzelf was, maar iets anders? De maan boven de Wieringermeer bijvoorbeeld of een stapel linkerwanten. Dan zou van dat bouwen verdomd weinig terechtkomen!”
Ik vraag de lezer nog even door te bijten, want Arets heeft zelf een zo mogelijk nog hoger gegrepen visie: ‘Architectuur is een instrument van gedachten, constant in opwachting. Het is een feest voor de geest, met als belangrijkste functie de potentie. Ze probeert in een gerealiseerd fragment uit te drukken wat in feite niet uit te drukken is, wat we niet kunnen vatten binnen een enkelvoudige uitdrukking; ze probeert door de uitdrukking van het fragment een oneindig aantal uitdrukkingen op te roepen.’ Wie het niet begrijpt, kan het nog altijd beschouwen als een zeldzame woekering van woorden.
Ooit werd Arets geïnterviewd in Elsevier. Als je dat leest, zie je meteen: hier is een groot kunstenaar aan het woord. Hij schudt de ene paradox na de andere uit zijn gewijde mouwen.
Hier komt er één: “Een van de essenties van architectuur is: bewegen. Ik heb het altijd over een cinematografische waarneming. Waar je ook zit, je neemt ruimte waar.” (Instemmend gemompel. “Dat is ergens zo.”)
Verderop wordt het nog mooier: “Alle gebouwen zijn interieurs. Wij mensen kunnen nooit buiten zijn. Als je door een weiland loopt, ben je ook binnen. We zijn altijd in een ruimte en of dat de Sahara is of de bibliotheek van Utrecht maakt niet uit. Ik benader alles vanuit interieuriteit.” In de Sahara ben je binnen! Geef ons nog meer van die glanzende paradoxen.
Ja, deze: “Ook als je alleen bent, leef je samen.” Dit moge een opluchting zijn voor alle eenpersoonshuishoudens, het roept ook een mist op waarin een mens gemakkelijk kan verdwalen.
Het is wel zo, dat gehollewaai van een architect niet per se betekent dat wat hij maakt, onzin is. De Bazel aan de Amsterdamse Vijzelgracht is een schitterend gebouw. Architect Karel de Bazel ontwierp het volgens theosofische principes. Vage mystiek kan dus wel degelijk tot een mooi resultaat leiden. Die anthracietkleurige, 22 verdiepingen tellende woontoren op het KNSM-eiland is geen belediging van het oog. Die Arets weet wat hij doet, zou je zeggen. Daar plaatste bewoner Tim Krabbé de nodige kanttekeningen bij.
Over zijn uitzicht vanaf de negentiende had hij geen klachten, maar het gebouw heeft irritante kenmerken. Krabbé: ‘Aan de toegangsdeur van dit gebouw is de huiseigenarenvereniging tonnen kwijtgeraakt, omdat het oppervlak ervan zo groot is, en de wind op dit eiland zo raar kan staan, dat het voor lieve oude dametjes als mijn moeder soms onmogelijk was om die deur open te trekken. Toen er een naar binnen draaiende deur van werd gemaakt, kreeg zij hem met een beetje wind méé met haar pink open, maar dan was de dranger weer meteen kapot. Natuurlijk snap ik ook wel dat een kunstenaar er geen rekening mee kan gaan houden dat deuren open en weer dicht moeten. Het eind zou zoek zijn. Nu hebben we een schuifdeur. Goddank mocht het van Arets.’
Dit doet denken aan de hoge, zware deur van de dames- en heren-wc in het Amsterdamse Rozentheater (niet van Arets), die in het midden scharnierde, waardoor het binnengaande mannetje de deur, door die naar zich toe te trekken, pardoes in het gepoederde neusje van het uitgaande vrouwtje duwde. Toen iemand lelijk had klemgezeten, hebben ze die deur maar een tijdje schuin vastgezet, met het grote nadeel dat je bij de mannen en de vrouwen naar binnen kon kijken.
Krabbé weer: ‘De benedenverdieping bestaat uit een zaal, die zorgvuldig zo is ontworpen dat er niets mee te doen valt. Wat mij echter het meest aan die zaal verbaasde, was dat de ramen daar niet van de vloer doorlopen tot aan het plafond, maar op twee derde van de hoogte overgaan in steen, of gestuct beton – in ieder geval iets waar je niet doorheen kan kijken. Een soort oogkleppen. Wel een beetje stom van die architect, vond ik, want nu kon je de overkant niet zien, en alleen maar het water. Jaren later zag ik een interview met Arets waarin hij zei dat dit expres was – op deze wijze zorgde hij ervoor dat wij één zijn met het water.’
Ooit zei architect F.J. van Gool over zijn kantoorgebouw aan de Weteringschans te A’dam: “Wat ik daar gemaakt heb, is een solo van 312 ramen, zo heb ik het willen maken, dat is mijn karakter.” Daartegen is Gerrit Komrij in Het boze oog (1983) al eens uitgevaren. Maar zelfs Gerrit kon niet voorkomen dat architecten zijn doorgegaan met het produceren van gelul ter begeleiding van hun ontwerpersactiviteiten. We moeten dus vrezen dat de toestand hopeloos is.
Met lichte verbijstering ernaar kijken is het enige, want mezelf in wanhoop van een 22 verdiepingen tellend gerealiseerd fragment met potentie werpen ben ik vooralsnog niet van plan.

Bob Frommé

PS Dit stuk verschijnt eerlang in Argus

Kunstenaar

Tot u spreekt een kunstenaar. In enkele weken tijds ben ik door twee van mijn oudste vrienden, geheel los van elkaar, zo genoemd. Ik wist het niet, maar als je vrienden het zeggen, zal het wel zo zijn. Ik ben journalist (geweest), stukjesschrijver, liedtekstmaker (af en toe ook liedjesmaker) en zanger. Daar is niets hoogdravends aan. De term kunstenaar heeft dat wel een beetje. Een kunstenaar is iemand die uit een soort innerlijke noodzaak dingen maakt waar niemand op zit te wachten, maar die de mensheid mogelijk wel aanspreken.
Maar wacht even, ik ben al eerder een kunstenaar genoemd, van officiële zijde zelfs. Een zelfstandige kunstenaar ook nog. Dat is wat, hoor. Een tijd geleden bleek ik geheel automatisch en zonder tussenkomst van een eigen wilsbeschikking lid te zijn van de AENA. Dat is de Stichting Beroepspensioenfonds voor Zelfstandige Kunstenaars. Ik had er nog nooit van gehoord.
Ik begreep uit de folder dat het fonds was opgericht door ‘de gezamenlijke organisaties van kunstenaars’ (zelfstandige, hoop ik) en ook door hen wordt bestuurd. Allen: “Dat wordt een zooitje.” Wat u gelijk hebt! Maar een pensioenfonds waar het een zooitje is, verkeert in de normale toestand.
Je kunt je afvragen welke rechtgeaarde kunstenaar nou verlangt naar een pensioen, die burgerlijkste aller voorzieningen? Een kunstenaar houdt toch nooit op met werken? Die is gedreven. Die zet geen potjes op een laag vuurtje. Een zelfstandige kunstenaar brandt zelf, zou ik zo denken.
Kijk, ik brand misschien wel, maar een kunstenaar ben ik niet. Ik dank mijn zalving tot zelfstandig kunstenaar aan mijn lidmaatschap van twee auteursrechtelijke organisaties, de Buma en de Sena, wat ik weer dank aan het feit dat ik liedjes heb geschreven, waarvan er een de toptien heeft gehaald. Dat nummer wordt af en toe nog gedraaid (geld van de Buma) en wordt in alle gevallen door mij gezongen (geld van de Sena wegens ‘naburige rechten’). Ja mensen, ik ben ook ‘een uitvoerend kunstenaar’. En nu wordt af en toe iets gedraaid van de cd Wonder van het akoestische duo Blind Vertrouwen (ook op Spotify), dat voor vijftig procent uit mij bestaat. (Kick van der Veer draait zondag, Moederdag, in Andermans veren ons lied De stem van mijn moeder.)
Mijn auteursrechten leveren wat minder op dan die van de zelfstandige kunstenaar Vader Abraham. De laatste jaren krijg ik een paar tientjes van de Buma en nog minder van de Sena. Het bedrag dat ik op grond van die verdiensten aan pensioen zou mogen ontvangen, moet worden geschat op twee komma zes cent per jaar. En daar de helft van, want die mensen van de AENA moeten ook leven, natuurlijk. Ik heb daar nooit iets van gezien.
Om toch nog enig plezier te beleven aan de mij toegekende titel overweeg ik het aanbrengen van een gevelbordje: ‘Hier woont een zelfstandig kunstenaar.’ En als ik dan dood ben, dat bord laten vervangen door: ‘Hier woonde een zelfstandig kunstenaar.’ Dat het een beetje een historische plek wordt waar de mensen even bij stil kunnen staan. Hoewel je niet kunt geloven dat het de dood behaagt een zelfstandige kunstenaar weg te rapen, komt op mijn grafsteen te staan: ‘Het leven is klaar/ Met – wie hebben we daar?/ Een zelfstandig kunstenaar.’ Met de daarbij behorende bloemenzee.

Bob Frommé

Geprikt!

Wat nu volgt is uit het leven gegrepen, wat toch weer iets anders is dan uit het leven gerukt. Het was woensdag een zonnige dag, sterker, het was vaccinatiedag. Ik fietste richting het Katendrechtse Hoofd, waar op de parkeerplaats bij de SS Rotterdam de priktent staat. Ik zag de schittering op de Maas en beschouwde dat als een voorbode op het gunstige: de langverwachte vaccinatie die me over een minuut of twintig zou worden toegediend.
De priktent was enorm. Ook de menigte aspirant-gevaccineerden was aanzienlijk. Je hebt een afspraak om 15.25 uur en je denkt dat je meteen kunt doorlopen, maar dat is een naïeve gedachte. Aansluiten in de rij, vriend. Zo heb je wel alle tijd die enorme ruimte en alles wat daarin is, te overzien. Al die afgeschermde prikplekjes, al die mensen die, keurig afstand houdend, ordelijk in hun rij staan wachten. Het was een plek des heils, een gevoelvolle plek waar ieders verwachtingen binnenkort zouden worden ingelost.
De verlosser heette geen Jezus, maar Pfizer. Dat was een heel fijne bijkomstigheid, ook als je geen vrouw onder de zestig bent. Met dat andere, bloedstollende vaccin had ik me zonder blikken of blozen laten inspuiten, maar de naam Pfizer had een heerlijk geruststellend effect.
De tegenstelling was overweldigend: de rust, de harmonie, het goedgeregelde van deze plek tegenover de chaos die het vaccinatietraject al maandenlang vertoonde. Het was een zooitje, niet? Ja, maar niet hier. Hier verliep alles zonder haperingen, zonder valse beloften, zonder verkeerde inschattingen, zonder onverwachte tegenslagen.
Nu was het mijn beurt. Het kon pijn doen, zei het meisje dat me zou prikken. Ik ontblootte mijn linkerbovenarm en daar kwam-ie. Van een griepprik merk je helemaal niets, deze was iets voelbaarder, maar toch zo miniem dat je gemakkelijk voor de grap kon zeggen dat je helse pijnen leed. Ik dankte het prikmeisje zeer hartelijk, want dat verdiende ze, en nam plaats in de ruimte waar je minimaal een kwartier moest wachten, voor het geval je na de prik zou omvallen.
Het is misschien niet algemeen bekend, maar ik heb nergens nooit geen last van. Ik had na tien minuten een klein beetje koppijn en een lichte misselijkheid, maar dat was na nog eens tien minuten weer verdwenen. En de bovenarm was een beetje stijf. Ook erg.
Nu, op dit eigenste moment, voel ik me gewoon goed. En ik ben nog steeds verbaasd over de vindingrijkheid van de over het algemeen toch niet al te snuggere wereldpopulatie. Het wonder dat sommige leden daarvan in staat zijn een minuscuul vetbolletje te creëren waarin genetische informatie is opgeslagen, tot heil van de naar vaccinatie snakkende mensheid.

Bob Frommé

Uitvaarthits

Aangezien ik zo niet tot mijn adamsappel, dan toch tot mijn borstbeen in het graf sta, wordt het weleens een keertje tijd na te denken over mijn uitvaart. Dacht ik laatst nog na over de Laatste Woorden, de vraag is nu: wat komt daarna? Ga ik als hologram de menigte rouwenden nog eens gevoelig toespreken? Wil ik precies bepalen wat tijdens de uitvaart gebeurt? Ik moet er niet aan denken en laat het liever over aan de nabestaanden. Het is hun rouwfeestje. Laten we althans hopen dat het ook een feestje wordt.
Een zekerheid is – naast de toespraken en de drank – de muziek, de uitvaartmuziek. Zoals de begrafeniswereld dat omzichtig formuleert: ‘Uitvaartmuziek biedt een moment van herdenking, sfeer en bezinning, met alle aandacht voor de muziek en songtekst.’
Ik neem aan dat mijn naasten dicht bij mijn smaak zullen blijven, die veelal ook hun smaak is. Daar zijn het je naasten voor. Ik weet nergens iets van zoals ik daar lig, maar ik weet vrijwel zeker dat ze niets zullen laten horen van wat in de top-zoveel van de uitvaartmuziek staat. Die lijst is om te huilen, maar niet van ontroering.
Nu ja, Air van Bach, Requiem van Mozart en Who wants to live forever van Queen staan er ook op, zij het niet hoog genoteerd, maar het meeste is verschrikkelijk. Wat dachten we van Afscheid nemen bestaat niet van Marco Borsato of Trein naar niemandsland van Frans Bauer? Ik ga nog liever dood dan daarnaar te luisteren. Heb het toch gedaan en wonderbaarlijk overleefd.
De toon van die zangers: wee, met onwaarachtige trillinkjes. De aard van de teksten: wee, met onwaarachtige metafoortjes. ‘Afscheid nemen bestaat niet’ lijkt een onzinnige uitspraak. De rechtvaardiging: de ik-figuur gaat wel weg, maar blijft terugkomen. Leeft hij nog of dwaalt hij over de eeuwige jachtvelden? Daar bestaat enige onduidelijkheid over. Eerst denk je: hij heeft het gewoon uitgemaakt, maar dan lijkt het weer of hij als geestesverschijning aan de deur klopt: Ik kom als de wind die je voelt en de regen/ Volg wat je doet als het licht van de maan/ Zoek me in alles dan kom je me tegen/ Fluister mijn naam/ En ik kom eraan. Marco, het natuurverschijnsel. Op de natuur heb je geen grip, op hem wel. Hij komt als je hem roept of zelfs maar zijn naam fluistert. Sommige mensen ontlenen daar troost aan.
Frans Bauer is duidelijker. Hij zingt de gestorvene toe. Waar hij ook duidelijk over is: de dood is niet het einde. De toegezongene is op weg naar het Paradijs en hoort engelen een hemels gezang aanheffen. Afscheid nemen bestaat niet, maar de hel ook niet. Luister maar: Er rijdt een trein naar niemandsland/ Daar waar het helse vuur voor niemand brandt/ Alleen één vlam zal iedereen verwarmen/ Het is de liefde waar je naar verlangt. Ik wil niemand de troost ontzeggen die in deze woorden besloten ligt, maar ik draai me om in de kist, als dit ten gehore wordt gebracht.
Andere kandidaten op de lijst hebben een minder desastreus effect, maar ook daar wordt een mens niet blij van. Denk aan André Rieu, Andrea Bocelli, Guus Meeuwis, Claudia de Breij, Il Divo, Paul de Leeuw en Lee Towers. Nee, mijn naasten zullen wat beters verzinnen. Ik hoef het ze niet voor te zeggen; ze kennen me immers. Iets van Little Feat, uiteraard, en natuurlijk iets van Bach, en – dat zit er dik in – ook iets van de muziek die ik zelf gemaakt heb. Van Little Feat kan Willin’ heel goed of Roll um easy,en van Bach onvermijdelijk Erbarme dich uit de Matthäus. Gelukkig kan ik dan zelf niet wenen, maar die aria roept onherroepelijk tranen bij mij op. Als ik alleen al aan het voorspel dénk, komen ze al. Die dalende, ‘zuchtende’ vioollijn is onverdraaglijk treurig en mooi.
Ik was een paar jaar geleden in Uithoorn bij de uitvaart van mijn nicht Tecla, die ik niet zo goed kende. Iedereen kreeg het programma van die middag, en tot mijn grote schrik stond Erbarme dich op het lijstje. “Ach, lieve Jezus,” zei ik tegen mijn broer. “Daar kan ik helemaal niet tegen.” Ik wist dat de tranen zouden komen, maar die zouden ten onrechte kunnen worden gezien als verdriet wegens de dood van mijn nicht. Ik was door haar dood niet zo verslagen dat het me tot tranen toe kon bewegen. Ze kwamen, die tranen, en ik vond ze ongepast, maar ze vielen natuurlijk niemand op.
Er was ook gevoelige live muziek van een klassepianist en een optreden van het koor dat door mijn nicht was opgericht en dat gespecialiseerd was in liedjes van de Beatles. Levende muziek bij een uitvaart is het mooist. Ditmaal was dat het toepasselijke Good night, en die uitvoering bracht meer ontroering teweeg dan die van Ringo Starr. Vochtige ogen krijgen was hier toegestaan, omdat het zo met Tecla verbonden was.
Het was een winderige middag in april, met regenvlagen, maar het was een mooie middag, zonder ook maar één uitvaarthit.

Bob Frommé

P.S. Dit stuk verschijnt eerdaags in het blad Argus

Enkel e’s!

Als ik de naam Guido van de Wiel noem, zie ik alleen maar opgetrokken wenkbrauwen. Deze Guido heeft een monstervertaling gemaakt. Hij heeft het onmogelijke gedaan en Georges Perec vertaald. Dat was al een tijdje geleden. Toen vertaalde hij La Disparition (’t Manco). Een roman waarin de letter e ontbrak. Dat deed hij geweldig, al moest je dan wel voor lief nemen dat de pagina’s bezaaid waren met apostrofs: ’t en ’n.
Perec (1936-1982) was een geweldige, briljante mafkees. Anders doe je zoiets niet. Maar zijn roman, waarin dus de letter e ontbrak, was een overtuigende onderneming. Hij liet het daar niet bij. Hij maakte vervolgens een roman, Les Revenentes waarin de enige klinker de e was. Ook die roman is door Van de Wiel vertaald. Werktitel: De wedergekeerden. Die vertaling komt binnen afzienbare tijd uit.
Ik was geraakt door die eerste vertaling. Ik heb toen, bij wijze van vingeroefening, met veel plezier een stukje gemaakt waarin juist de e de enige klinker was.
Een vergeefs streven? Neen! Een helse hersenbreker, zeker. Beste mensen, men leze deze welgemeende, een gebrek erende, verlekkerd geschreven tekst met enkel e’s.

Een knettergek meesterwerk

De edele, welsprekende letterknecht Perec schreef een werk met heel veel bekende letters. Het heeft echter een enerverend gebrek: geen enkele e. Gekkenwerk, zeggen velen. Het heet La disparation (’t Manco).
Het heet geen De kellner en de levenden, het bekende werk der nederletteren (bedenker: S.V., een hels werkende vent, heeft z’n hele leven geschreven; eerst Verzen en vele werken meer). Deze S.V. geeft de e wel z’n gerechte plek. Hèhè.
De wereld telt vele gekken, de wereld der letteren evenzeer. De mensen weten het en negeren het met reden. Besef de gekte en je hebt geen leven meer.
Hebben de mensen Perec terecht gemeden? Nee, we lezen z’n knettergekke meesterwerk met mekkerende pret. Zeker weten. Het genereert een gebbetje, een verzetje, tevens een meeslepend, eleverend leesbeleven: een gekscherend letterspel met een sterk gegeven, te weten het e-gebrek, de lezer bedélend met levenwekkende wrevel.
Perec werd met reden geen edele geneesheer, geen weledelgestrenge rechter. Welnee, Perec speelde een schertsende, wrede, gekke bekken trekkende kwelgeest der letteren én der mensen. Echter, enkel een bescheten lezer legt hem weg en werpt hem verre. Een weldenkende lezer vreet hem.
Welke letterknechten der wereld hebben extern het e-beeld met Perec gemeen? We hebben Beckett, we hebben Reve, we hebben Genet, we hebben veel meer e-kerels: F. v. Eeden, Beets, Cheever, Stephens, Bernlef, Deelder, Revel, Drs. P, D. v. Weelden, Perk, Herreweghe, Kneepkens, Tellegen, H. v.d. Bergh, Hegel, Bert Brecht, J. v. Lennep en de Here Zelf (Deszelven werken betreffen het geestesleven der mensen). En we hebben – geensdeels te vergeten – Bert Scheerbeek en Cees Neetebeem.
Welke bekende mensen geeft Perec, de e vermeden hebbend, evenzeer geen plek? Esmee Meertens? Bedwelmend veel e’s, echter geen verpletterend bekende mens (perschef HF). Pelé? Zeker! Een wereldspeler! En we hebben de penselende Vermeer, Ket en Klee, en de De Negende beheersende kerels Mengelberg en Klemperer. Etc. – hetgeen betekent: veel meer wereldsterren; echter, welke?
Bedenk wel, Perec heeft te rekenen met veel ergere gebreken. De wereld heeft veel meer met e’s geschreven elementen te vergeven: echte sterren, c.q. hemelsterren, zeeën, bergen, meren, beken, beesten, berken, kerken, zerken en lekkere gerechten (met spekjes).
En teksten met enkel e’s! De E-legende (J. v. Lennep): ‘Te Enschede leeft de heer Engelberts en heeft er een perceeltje met zeven meter gevelbreedte. Zelf werkgever erkent de heer Engelberts de rechten der werknemers. Gevende en nemende en telkens een beetje beleggende leeft dezelve heel netjes.’ Elke e geweerd? Tergend gegeven: een heel genre weg! Echte ellende? Nee! We hebben Perec. De lezer beleeft met hem en z’n werken een feest.
Mensen, ten leste de welgemeende beste wensen. En leve de letteren!

B. Frmmé

Mooi Nederlands

De Engelse ziekte heeft een nieuw hoogtepuntje bereikt. Je hebt op de BBC al heel lang de quiz Eggheads, waarin gewone stervelingen het opnemen tegen experts. Dat programma is door RTL naar Nederland gehaald. Hoe zullen we het hier noemen? Knappe koppen zou goed kunnen, maar beter is nog: Bollebozen. Prima titel. RTL bedacht wat anders: Beat the champions. Hè? Niet eens: Versla de kampioenen, maar Beat the champions. De oorspronkelijke Engelse titel wordt vervangen door een andere Engelse titel. Dat is idioot. Eggheads onvertaald laten was al een symptoom geweest, maar die nieuwe Nederlandse titel is een ernstig gevalletje Engelse ziekte.
Ik neem aan dat iedereen bekend is met het verschijnsel: op niets af Engels gebruiken (Sale in plaats van Uitverkoop) of Nederlands naar Engels laten stinken (een beslissing maken in plaats van een beslissing nemen, aan het eind van de dag in plaats van uiteindelijk, opbrengen als ter sprake brengen wordt bedoeld en – gruwelijke miskleun –  administratie als regering wordt bedoeld).
De patiënt lijdt aan overschatting van andere talen inzonderheid het Engels en onderschatting van de eigen taal, dat mooie Nederlands van ons. Als tegenwicht tegen die minderwaardigheidsgevoelens roep ik thans als getuige een Zwitser op, de in 2015 overleden Heinz Polzer, beter bekend als Drs. P. Zijn liefde voor onze taal was groot. “Het Nederlands heeft uitdrukkingen,” zei hij, “die nergens anders zijn te vinden. Iemand betreedt zijn vriendenkring en zegt: ‘Ik kom net terug uit Torremolinos.’ ‘Hij wel.’ Een volledig commentaar. Probeer dat maar eens in het Frans, Duits of Engels. Het Nederlands is een ongekend rijke en flexibele taal, waarmee je ongeloofwaardige dingen kunt bereiken.”
Bij de overschatting van andere talen hoort de gedachte dat Engelsen geestiger zijn dan wij. Zij lijken soms geestig en origineel wegens een misverstand, dat zich voordoet wanneer ze staande, grappig aandoende uitdrukkingen gebruiken die wij niet als staand herkennen. Grappige of althans treffende uitdrukkingen heeft het Nederlands in overvloed, maar dat beseffen we niet meer. Laatst gebruikte ik in verband met W.F. Hermans zonder nadenken de uitdrukking ‘ruzie zoeken’. Ineens en voor het eerst besefte ik dat dat ‘zoeken’ een heel krachtige term is.
Ik heb een vrij willekeurig verzamelingetje aangelegd van Nederlandse woorden en uitdrukkingen die wij heel gewoon vinden, maar die we treffend zouden hebben gevonden als ze in het Engels gesteld waren. Tjonge, wat was dat dan mooi gezegd door die Engelsman.

Stinkend je best doen
Mijn hoofd loopt om
Bunkeren
Verlekkeren
Steen en been klagen
Slome duikelaar
Sneeuwbaleffect
Meeëter
Daar lusten de honden geen brood van
Goedzak
Naar je grootje gaan
Spatzuiver
Harde dobber
Boven zijn theewater zijn
Dikke nek

Katvanger
Je mond voorbijpraten
Niet goed snik
In de prak rijden
Van je gezond niet af weten
Bladstil
Hij is niet op zijn mondje gevallen
Je zuster op een houtvlot

Gek als een deur
Link als een looien deur
Iemand voortrekken
Mierenneuker

Smoorverliefd

Je vraagt je af hoe zulke vondsten ontstaan zijn. Het komt niet zomaar uit de lucht vallen dat iemand ‘boven zijn theewater’ is. (‘Uit de lucht vallen’ is er ook al een, trouwens.) Dat heeft iemand ooit bedacht. Maar hoe heeft zich dat verspreid? En wanneer werd het een staande uitdrukking? Laatst zei iemand op de radio over Willem Engel: “Die gozer heeft ze niet alle 24 in het kratje.” Dat zou er een kunnen worden.

Bob Frommé

Vertikking

(Uit de memoires van een krantenjongen)

De weg van het schrijven van een tekst naar de publicatie ervan is bezaaid met ongelukken. Het eerste ongeluk dreigt in het hoofd van de auteur, als hij zich verslikt in een stijlbloempje, zich verstrikt in een redenering of het vertikt aandacht te besteden aan de spelling. Vervolgens kan hij zich vertikken. Bedoeld wordt: zomaar een typefout maken.
Als je de Schoevers-academie niet hebt doorlopen en maar een beetje aanmoddert met drie vingers en een duim, kun je gemakkelijk een tikfout maken. Het is aan te bevelen die fout te herstellen. Dan moet je hem wel zien. De spellingchecker ziet lang niet alles.
Ik heb dat laatst aan den lijve ondervonden. Zoals bekend staan op het toetsenbord de i en de o pontificaal naast elkaar. Dat leidde tot de volgende vertikking: ‘Who wants to love forever’. In een stuk over uitvaartmuziek dat binnenkort verschijnt, wilde ik het Queen-nummer ‘Who wants to live forever’ noemen. Maar ik gleed met desastreus gevolg van de i naar de o. Pas enkele dagen later – het stuk was al verstuurd – zag ik de fout. Alarm! Herstel! Ik was nog op tijd.
Natuurlijk mag je hopen dat een eindredacteur het ziet en verbetert, maar zeker kun je daar niet van zijn. De eindredactie is meer dan een correctieve instantie. Zij is ook de oorzaak van ernstige ongelukken. Maar laat ik eerst nog wat heilzame acties van eindredacteuren vermelden. Dankzij hun ingrijpen bleef de krant (Het Parool) zekere stijlbloempjes bespaard. Daar zijn verzamelingen van aangelegd. Drie sprekende, al eerder aangehaalde voorbeelden: ‘De biermagneet Freddy Heineken’, ‘Het is geen wet van persen en meten’ en ‘Hij zou zich, als hij nog in leven was, omdraaien in zijn graf’.
Een stuk van jezelf teruglezen in de krant is een risico. Je kunt zomaar een stomp in je maag krijgen. Een eindredacteur kort je stuk in wegens ruimtegebrek en haalt een passage weg waar je later op voortborduurt. Dat vervolg slaat daardoor nergens meer op. Of je schrijft een recensie over een optreden in de refter van de Universiteit van Nijmegen. De eindredacteur weet niet wat een refter is (eetzaal), vraagt niets aan de auteur of een collega, maar googelt op refter en Nijmegen. Ah, dat levert al snel ‘woonwerkpand De Refter’ op. Dat komt dan – zonder die universiteit – in de krant, hoewel het totale onzin is. Daar kunnen we het zetduiveltje niet de schuld van geven.
Ik moest er af en toe ook om lachen. Ik schreef vanuit huis een tv-recensie met de zinsnede ‘Wanneer wordt je ooit zo’n vraag gesteld?’ Een geweldige instinker. Die t in wordt moet toch weg? Er staat ‘je’ achter! Ja, maar dat is niet het onderwerp van de zin. Het onderwerp is ‘zo’n vraag’. Wanneer wordt aan jou etc. Ik voelde de bui hangen en belde de redacteur van dienst. Ik vroeg haar op te letten wat de eindredactie zou doen (natuurlijk die t weghalen) en daar uit te leggen waarom die t moest blijven. Zo geschiedde: de t was weg, maar werd teruggezet. Maar toen ik ’s middags de krant opensloeg, was die t door een andere, hoger geplaatste eindredacteur weer weggehaald. Ik vond dat voor de verandering hilarisch.

Bob Frommé

Fameuze Laatste Woorden

Nederland heeft er 75 jaar op moeten wachten, maar over luttele weken is het zo ver. Het wereldraadsel zal niet worden opgelost en ik had er tot voor kort geen idee van, maar op 7 mei wordt bekend wat de Laatste Woorden waren van de polder-Mussolini Anton Mussert. Wat zei of riep die man, toen hij op 7 mei 1946 oog in oog stond met het vuurpeloton? Het staat op film, maar die film moest van hogerhand 75 jaar in het verborgene blijven.
De executie werd gefilmd, omdat er bewijs moest zijn voor de dood van Mussert, om speculaties te voorkomen dat hij nog in leven was. Maar de beelden werden opgeborgen in een kluis. Mussert had wellicht dingen geroepen die de in 1940 naar Londen uitgeweken koningin Wilhelmina en haar regering onwelgevallig waren.
De Laatste Woorden van Anton Mussert kunnen dus binnenkort worden opgenomen in de eindeloze reeks Laatste Woorden die aan beroemde/beruchte personen worden toegeschreven. En dat zou wel eens op een deceptie kunnen uitlopen, want zelfs als de aanstaande sterveling weet dat zijn laatste uur heeft geslagen, hoeft zijn afscheidsspeech of -kreet nog geen wonder van inventiviteit of diepzinnigheid te zijn.
Mussolini riep: “Schiet me in de borst!” Hij werd door negen kogels getroffen, maar niet één raakte hem op de door hem gewenste plek. De Laatste Woorden van Marie-Antoinette, voordat haar hoofd van haar romp werd gescheiden, waren: “Neemt u me niet kwalijk.” Ze was per ongeluk op de voet van haar beul gaan staan.
Aldous Huxley schreef, dat je alle dingen moet beoordelen alsof je ze vanaf je doodsbed ziet. Ik zie daar wel wat in. Je moet leven alsof het je laatste seconde is, wat aanzienlijk verder gaat dan dat ‘leven alsof het je laatste dag is’ van de zelfbenoemde levenscoach Youp van ’t Hek. Maar wat zeg je dan? Wat zijn je Laatste Woorden?
Het probleem is: weet je wel of dit je laatste seconde is? Er kunnen er nog vele volgen. Je weet het niet. Je weet het alleen als je op het punt staat te worden doodgeschoten of geroosterd op de elektrische stoel. Van twee ter doodveroordeelden is bekend dat zij een fraai staaltje galgenhumor te berde wisten te brengen. Op de vraag wat hij nog wilde, zei de één: “Een kogelvrij vest.” En de ander, moordenaar James French, kwam op de elektrische stoel met een onvertaalbare grap als Laatste Woorden: “Hé, jongens! Kun je je de krantenkoppen morgen voorstellen? French fries!”
Ook in het geval van euthanasie kun je aardig voorspellen wanneer je je Laatste Woorden uitspreekt. Laatst vertelde Olga Zuiderhoek in de NRC hoe dat in zijn werk ging toen een goede vriend, uitgever Jaap Jansen van Polak & Van Gennep, in 2014 voor euthanasie koos. Het begon ermee dat Olga bij hem aan de keukentafel zat en de telefoon ging. Het was drie dagen voor zijn dood. Jansen zei: “Ja? Lukt het toch, komende vrijdag? Fijn, zeg. Om een uur of elf? Prima. Ik doe een mooi schoon overhemd aan, hoor. Ja, je kent me toch? Schone sokken ook. Tot vrijdag.” Zuiderhoek kon er die vrijdag niet bij zijn, maar dat vond Jansen alleen maar gunstig. “Oh, maar ik wil jou helemaal niet aan mijn bed. Jij gaat huilen, en dat kan ik er niet bij hebben.”
Die verbluffend laconieke toon hield Jansen tot het eind toe vast. Toen de medicamenten hun werk begonnen te doen en Jansen begon weg te doezelen, riep een van zijn vrienden: “Jaap, we houden van je!” Waarop Jaap zei: “En daar komt-ie nou mee…”
Ik geloof dit verhaal. Er zit een vertrouwenwekkende eenheid in. De Laatste Woorden van anderen zijn lang niet altijd een juiste weergave van wat werkelijk gezegd is. Hier eist de mythe haar tol. Zo zou dichtervorst Johann Wolfgang von Goethe op zijn sterfbed hebben uitgeroepen: “Meer licht!” Klinkt goed, ook omdat hij zich veel had beziggehouden met het verschijnsel licht. Maar de werkelijkheid was een stuk banaler. Goethe vroeg zijn bediende nog een luik open te doen, omdat hij het te donker vond in de kamer. Dat is de versie die werd omgesmeed tot die smeekbede om meer licht. Maar er is een nog banalere versie waarbij Goethe om zijn ondersteek vroeg.
Ook de Laatste Woorden van Niccolo Macchiavelli zijn te mooi om waar te zijn. Hij zou hebben gezegd: “Ik wens naar de hel te gaan en niet naar de hemel. In het eerste geval zal ik het gezelschap genieten van pausen, koningen en prinsen, terwijl in het andere geval er alleen maar bedelaars, monniken en apostelen zijn.”
Over de slotzin van Albert Einstein bestaat verwarring. Volgens de ene versie zou hij gezegd hebben: “Ich habe meine Sache hier getan.” Dat riekt wel heel erg naar “Het is volbracht” van de Here Jezus. De andere, geloofwaardiger en aantrekkelijker versie is dat Einstein, die in Princeton overleed, wel Laatste Woorden sprak, maar dat zijn verpleegster geen Duits verstond.
De mooiste Laatste Woorden komen van mensen die dingen hebben gezegd die zo treffend zijn dat je er niet aan wilt twijfelen, maar er ook niet aan hóéft te twijfelen, omdat ze authentiek klinken.
Een verpleegster vroeg, vlak voordat hij zou worden geopereerd, aan jazzdrummer Buddy Rich of hij ergens allergisch voor was. Zijn antwoord: “Yeah, countrymuziek.” Het waren zijn Laatste Woorden.
Komiek Bob Hope kreeg op zijn sterfbed de vraag van zijn vrouw waar hij begraven wilde worden. Hij zei: “Verras me.”
Op de Lagere School hoorde ik ooit het volgende mopje: “Kijk uit voor die afgrond!” “Welke afg…?” Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog gebeurde iets dergelijks in het echt. John Sedgwick, generaal van de Noordelijken, voelde zich veilig ondanks de aanwezigheid van de vijand in de verte. Hij werd dodelijk geraakt door een scherpschutter, maar sprak eerst nog zijn Famous Last Words: “Ze zouden nog geen olifant kunnen raken op deze afst…”

Bob Frommé

Dit stuk verscheen eerder in het opinieblad Argus

Het einde van generaal John Sedgwick

Lachen

Lachen is gezond, zeggen ze welereis. Nu ja, je kunt stikken van het lachen en jezelf dood lachen, maar je hebt gelukkig ook ‘de leverspoelende schaterlach’ (Godfried Bomans). Laten we zeggen dat lachen gezond is.
Maar de ene lach is de andere niet. Je hebt de slappe lach, de vertederde lach, de schaterlach, de zenuwenlach, de holle lach, de ondeugende lach, de besmuikte lach, de gekietelde lach, de ongemakkelijke lach, de voorbeeldlach (van de grappenmaker zelf: kijk mij eens geestig zijn), de laffe lach (Bob den Uyl in treincoupé te midden van hufterige voetbalsupporters: ‘Eerlijkheidshalve moet ik hierbij aantekenen dat mijn laf geschater boven alles uitklinkt’).
De wetende lach (de lacher laat zien dat hij een moeilijk grapje wel degelijk begrijpt), de ‘ik kan hier echt wel tegen’-lach (ohoh, Youp heeft weer kut of godverdomme gezegd), de snobistische lach (in het Concertgebouw blijkt een stofzuiger onderdeel te zijn van het Nieuwjaarsconcert), de gemaakte, door de situatie afgedwongen lach (hooggeleerd persoon maakt tijdens dodelijk saaie lezing een grapje dat in de verte op een grapje lijkt; de wakker geschrokken aanwezigen maken een geluid dat in de verte op lachen lijkt).
En de wonderlijke, op niets gebaseerde seniorenlach (aan te treffen bij de deelnemers aan We zijn er bijna van omroep MAX, die elke zin, ook als die niet eens een poging tot humor in zich heeft, laten volgen door een lach: “Nou, dan ga ik daar ook maar even kijken, hahaha.”)
Maar er is nog een zelden of nooit benoemde onderafdeling in het universum van de lach. Ik wil het daar nu weleens over hebben omdat die mij hoog zit. Het is een kleine, zelfgenoegzame lach, een lachje. Die komt uit de mond van iemand die een voorspelbaar, afgetrapt grapje maakt dat ondanks die clichématigheid toch steeds weer als een geestigheid wordt gepresenteerd.
Praatprogramma’s zijn toch al geen feest, en zeker geen lachfestijn, maar daar zie je dat lachje maar al te vaak. De presentator vraagt iemand iets te doen (voorlezen, zingen, een anekdote opdissen) en die persoon zegt dan: “Ik ben er nou toch.” En dan dat lachje, alsof het een geslaagd bon mot is. (Erik Dijkstra schudt daarbij een beetje met zijn hoofd.) Verbazing en ergernis strijden hier om de voorrang.
Of een ouder persoon diept een herinnering op uit een ver verleden en laat dat volgen door de zinsnede ‘vertelt opa’. Weer dat lachje. Of iets kost veel moeite of veel geld. Welke zinsnede zou hierop moeten volgen? (Zou een vraag kunnen zijn in de Catechismus van het Cliché.) Inderdaad: ‘maar dan heb je ook wat’. Ook hier kan dat lachje niet uitblijven. De ironisch uitgesproken en van een lachje voorziene aanspreekvorm ‘meneer’ doet het nog altijd goed. “Dat zou ik niet durven beweren, meneer Pauw.” Net als de uitermate geestige opmerking nadat van een gast een foto van twintig jaar geleden is getoond: “Geen steek veranderd.” Ja, er wordt wat afgelachen in die talkshows.
Ik lach graag, maar ik ben zo vrij aan die lach niet mee te doen.

Bob Frommé

De kunst van het beledigen

Zullen we een lekker potje beledigen? Laten we Ivo Niehe nemen. Die werd – late eer – wereldberucht door die docu over Britney Spears, waarin te zien was hoe hij lang geleden het meisje een vraag stelde over haar borsten. Hij verdient daarmee met terugwerkende kracht de beledigende kwalificatie Nivo Nihil. Die werd ooit bedacht door Kees van Kooten.
Toentertijd vond ik die grap al niet zo sterk, omdat Ivo toch wel iets kan, al was het maar omdat hij vertrouwd is met de Franse taal (ah oui, c’est une sorte de niveau, hein, où quoi?). Maar een naamgrap is gevaarlijk, omdat het een van de zwakkere instrumenten in de kunst van het beledigen is. W.F. Hermans wist daar ook weg mee. Hij noemde Hugo Brandt Corstius, zijn tegenstander in een polemiek over Multatuli, achtereenvolgens Grijze Piet (wegens Piet Grijs) en Hugo Badhuis (wegens Battus). Zwak uitgedrukt: niet sterk.
De naamgrap zegt niets over de beledigde persoon. Veel eerder maakte Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur gehakt van H.A. Gomperts. Die beledigingen maakten wel indruk. Dodelijk zinnetje: ‘Nergens staan zoveel geslaagde zegswijzen die niet van H.A. Gomperts zijn, als in de schaarse stukjes van H.A. Gomperts.’ Maar het is ook een gedocumenteerd zinnetje. Hermans somt op: ‘Hij zei sensitive, considerate and plucky: zijn moraal. Zij was van E.M. Forster. Hij zei beschikbaarheid. Dertig keer. Het was van André Gide. Hij zei de menselijke conditie. Veertig keer. Deze “Nederlandse uitdrukking” is zelfs niet met een woordenboek te begrijpen, wanneer men niet weet dat zekere André Malraux een roman geschreven heeft die La Condition Humaine heet.’
Toen kon Hermans het nog. Hij kon je beeld van iemand als Gomperts (als je dat al had) drastisch beïnvloeden. Zijn rake beledigingen weken om meer redenen sterk af van een naamgrap als Nivo Nihil. Zijn doelwitten lagen niet voor de hand. Het waren algemeen gerespecteerde grootheden (Mandarijnen). En Hermans voerde een eenmansguerilla. Ivo Niehe belachelijk maken is boe roepen in de gelijkgestemde menigte van laat ons zeggen de VPRO-kijkers.
Cabaretiers hebben daar een handje van. Alleen al het noemen van namen als Ronnie Tober, Ben Cramer, Prins Bernhard, Bonnie St. Claire, Gordon, Viola Holt en Marco Borsato is genoeg. Een treffende belediging verzinnen is niet eens meer nodig. Youp van ’t Hek en Paul de Leeuw hebben vaak naar dat middel gegrepen. Het is de afdeling gemakzuchtig scoren in de kunst van het beledigen.
Gerrit Komrij kon goed beledigen. Over Hans van Willigenburg: ‘het sprekende tosti-ijzer’, en over Bob Bouma: ‘beroemd, omdat hij kan knipogen met zijn toupet’. Maar hij sloeg de plank ook geregeld mis. Over Monique van de Ven: ‘filmsterretje met de erotische uitstraling van een dodo en het acteertalent van een nijlpaard’.
Zo moeilijk is de kunst van het beledigen. De belediging moet niet alleen raak zijn, maar ook grappig. Hier kan Multatuli als voorbeeld gelden. Hij schreef het volgende grafschrift op Thorbecke: Onder dit steentje/ Ligt ’n fenomeentje.
Komrij schreef die beledigingen in de jaren ’70. Toen – en in het decennium daarvoor – was beledigen nog bon ton. Zie ‘Ongebakken Deegsliert’ (Jan Cremer over Simon Vinkenoog) en ‘het doodzieke aapje N.’ (Gerard Kornelis van het Reve over Cees Nooteboom). En Piet Grijs deed vele duiten in het zakje door premier Barend Biesheuvel ‘een operettesmoel’ aan te wrijven en minister Onno Ruding ‘Eichmann’ te noemen. Die tijden zijn voorbij.
Het zou nu ondenkbaar zijn dat een hoogleraar in de literatuurwetenschap (J.J. Oversteegen) een andere hoogleraar (Karel van het Reve) een polemische slag denkt toe te brengen door hem ‘Karel de Kale’ te noemen. (Karel had de literatuurwetenschap een ernstige slag toegebracht in zijn lezing Het raadsel der onleesbaarheid.) Wie beledigt nu nog, in deze kuise tijden? Noem mij een columnist die bij wijze van spreken wekelijks een door hem versmaad persoon op de pijnbank legt. Komrij is dood, Brandt Corstius is dood, Hermans is dood. De kunst van het beledigen is goeddeels uitgestorven.
Persoonlijk vind ik dat niet erg. Toen ik in 1981 aantrad als columnist bij Het Parool, begon ik met een column waarin ik zowel Harry Mulisch als Jules Deelder een trap verkocht. Ik ging van de veronderstelling uit dat je het pand schietend moest betreden. Pas dan werd je serieus genomen, pas dan was je onkwetsbaar. Ik kwam daar als vrij snel van terug. Het menselijk gemoed bestaat uit meer dan woede, ergernis en de daaruit voortvloeiende vileinheid. Ik noem bewondering, ontroering, verbazing, lachlust en neiging tot analyse. Ik ben wel vilein geweest (je hoopt zelfs: dodelijk), maar dat was toch jegens de mensen hun opgeblazenheid, hun pretenties, hun dikdoenerige schrijfstijl. Persoonlijk beledigingen waren zeer zeldzaam.
Ik heb Arthur Sonnen, ooit directeur van het Theaterfestival, ‘het dramatische talent van een houten reiger’ toegedicht. En kijkend naar Cees Nooteboom zag ik ‘het verkreukelde gezichtje van een oude schildpad’. Dat was het wel zo ongeveer.
Ik zou het nu niet meer doen. Het wegdeemsteren van de kunst van het beledigen loopt synchroon met mijn toegenomen afkeer van mensen virtueel op de bek slaan. Gemeen zijn, ik wil het niet meer.
Gelukkig bestaat ook nog zoiets als liefdevol beledigen. Dat is een volkse kunst. Ooit bezocht ik al verslaggever camping ’t Haasje in Oosterhout, waar mensen samenkwamen uit de Rotterdamse volkswijk Crooswijk, waar ik zelf ben opgegroeid. Voor zijn huisje zat opa Bobby, voormalig chauffeur van de vuilnisophaaldienst Roteb. Hij was duidelijk de pasja van de camping zoals hij daar zat, bretels over een enorme blote pens. Tijdens ons gesprek kwam een schraal mannetje aanlopen. Opa Bobby stelde hem aan me voor: “Kijk, dit is me vriend Sieb. Hep ze hele leven gevaren, is dom geboren, niks bijgeleerd, schrijft poep met twee oe’s.” Zo kan de kunst van het beledigen ook zijn.

Bob Frommé

Dit stuk verscheen eerder in het tweewekelijkse opinieblad Argus

Zwartwit

Je moet ontzettend op je woorden letten in deze preutse tijden, zeker als je niet helemaal en totaal en volledig woke bent. Ik vond bijvoorbeeld dat dat al te lange gedicht dat Amanda Gorman voordroeg bij de inauguratie van Joe Biden, nauwelijks de naam gedicht verdiende en inhoudelijk nogal kitscherig was. Hoewel haar voordracht wel weer heel goed was, vond ik het algemene enthousiasme over haar optreden nogal overdreven.
Hier voel ik al de druk dat zo’n opvatting eigenlijk ongepast is. Je moet dat jonge, talentvolle zwarte meisje, dat ook nog eens een spraakgebrek heeft overwonnen, omarmen en niet bekritiseren. Maar waarom eigenlijk? Toch niet omdát ze zwart is? Ik vrees van wel. En als dat zo is, kunnen we spreken van positieve discriminatie.
Dat gedicht was zo spraakmakend dat het ook in het Nederlands vertaald moest worden. Uitgeverij Meulenhoff gaf de opdracht aan Marieke Lucas Rijneveld, een geschikte kandidaat, zou je zeggen. Maar er is grote ophef over ontstaan. Rijneveld is namelijk een witte vrouw. (Nu ja, een non-binair persoon.) En een witte schrijver moest van dat ‘zwarte’ gedicht afblijven. De vertaler moest iemand (bij voorkeur een vrouw, natuurlijk) uit de zwarte gemeenschap zijn. Geschrokken van de ophef heeft Rijneveld de opdracht wijselijk teruggegeven.
Als je tegen racisme bent, moet je als het ware kleurenblind zijn, lijkt mij. Iedereen moet gelijk worden behandeld, ongeacht de huidskleur, nietwaar? Rijneveld is dus het voorwerp van negatieve discriminatie. Waarom zou een ‘zwart’ gedicht alleen door een zwart persoon vertaald mogen worden? Dat is absurd. Mag Yasmine Allas dan ook geen ‘witte’ roman vertalen en Jeangu Macrooy geen ‘wit’ liedje zingen? Hou toch op, mensen!
Die politiek-correcte overgevoeligheid en die heilige verontwaardiging beginnen vreeswekkende vormen aan te nemen. Het kan een wit persoon zijn baan kosten als hij het N-woord gebruikt, ongeacht de context. Ron Jans, voetbaltrainer van FC Cincinnati, zong in de kleedkamer het woord nigger mee in een rapnummer. Hij kon vertrekken.
Hetzelfde overkwam Donald McNeill, gerenommeerd journalist bij de New York Times. Hij was begeleider van een peperduur schoolreisje naar Peru, toen het gesprek ging over een video waarin dat gehate woord voorkwam (terecht gehaat, zeg ik er voor de zekerheid maar bij). McNeill nam in die context het N-woord in de mond, wat kennelijk tot ontsteltenis leidde bij zijn witte, geprivilegieerde reisgenootjes. Die gaven hem aan. McNeill werd ontslagen.
Ook zangeres Adèle ging volgens kleurgevoeligen ernstig over de schreef. Zij postte vorig jaar zomer op Instagram een foto van zichzelf om stil te staan bij het betreurenswaardige feit dat het Caribische Notting Hill Carnival wegens corona niet doorging. Daarbij droeg ze een bikini met het patroon van de Jamaicaanse vlag. En ze had zich laten kappen in Jamaicaanse stijl (Bantu knots). Dat kwam haar op felle verwijten te staan. Zij had zich namelijk schuldig gemaakt aan ‘culturele toe-eigening’.
Ik ben een witte man en ik zing soms de blues. Ik moet daar onmiddellijk mee ophouden.

Bob Frommé

Chick Corea

Toen ik hoorde dat Chick Corea dood was, werd ik met een enorme boog teruggekatapulteerd naar het jaar 1973. Ik was toen in de Amerikaanse stad Berkeley. In de zomer van dat jaar ontdekte ik de elektrische Chick Corea. Dat was een openbaring.
Ik kende de akoestische jazz van Corea. Hij maakte op het ECM-label mooie, tamelijk ingetogen pianoplaten, ook met vibrafonist Gary Burton. In Berkeley deed hij iets nieuws. Hij speelde met een jonge elektrische gitarist, Bill Connors, en een jonge elektrische bassist, Stanley Clarke. Lenny White was de drummer, een veertiger. De naam voor de muziek die die jongens speelden, was bij mijn weten nog niet uitgevonden, maar lag wel voor de hand: jazzrock. (Miles Davis had drie jaar eerder op Bitches Brew al zeer succesvol geëxperimenteerd met een mengvorm van jazz en rock, die toen fusion werd genoemd. Chick Corea deed ook mee op die plaat.)
Ik was alleen in Berkeley. Ik liftte door de VS; toen was ik nog avontuurlijk. Met geduld kwam je overal, maar geld had ik niet (drie dollar per dag). Buiten de steden sliep ik bij liftgevers of langs de weg onder een buitententdoek, in de steden sliep ik bij de mensen thuis. Dat kon, doordat die mensen zich hadden aangemeld bij een hippie-toeristenbureau om langswaaiende vreemden kosteloos te huisvesten. De westerse wereld was in die jaren immers één grote familie, althans het jongere deel daarvan. Ik had dus een slaapplaats in Berkeley, maar geen geld voor een concert van Chick Corea’s elektrische band, die zich geheel volgens de tijdgeest Return to forever noemde.
De enige manier om het concert te zien leek mij: absurd vroeg bij de zaal zijn waar de band speelde, en proberen binnen te komen voordat de kaartjesscheurders bij de deur stonden. Ruim twee uur voor aanvang van het optreden was ik er. Ik had geluk. Het was geen gewone concertzaal, maar een uitzonderlijk groot café met podium, zodat ik ongemoeid werd gelaten, toen ik zonder kaartje aan een tafeltje ging zitten. Ik wachtte stilletjes.
Het concert was overweldigend, ik zou haast zeggen mindblowing. Ik kende deze muziek niet. Dat dit kon! Keiharde rock die geen rock was, maar ingenieus en virtuoos denderende jazz. Ik hield eigenlijk niet zo veel van jazz, maar dank zij Chick Corea ging ik helemaal om. Ik had in het huis van de muziek een nieuwe kamer ontdekt.
Het enige nadeel van deze concertzaal was, dat jonge obers bestellingen kwamen opnemen en dat een glas bier twee dollar kostte. Gevaarlijk vaak kwamen ze langs om te kijken of het een keer was afgelopen met dat ene glas. Maar ondertussen werd ik gedrenkt in de nieuwe muziek.
Die nacht sliep ik op een overloop, omdat op mijn logeeradres niemand thuis was. Dat scheelde me niks. Ik had Chick Corea gezien.

Bob Frommé

Zangers

De sneeuw, de sneeuw, de sneeuw. Als de sneeuw is gekomen en je hebt gezien hoe in het wit op de auto’s smiley’s zijn getekend en hoe mensen – oud en jong samen – in het park een iglo hebben gebouwd en hoe een enthousiast meisje tegen haar jongere broertje zegt: “Het is een droom, hè, Jacob?”, dan raak je overgevoelig en ben je van harte bereid een potje te janken. Het is de illusie dat alles nieuw is, en goed.
Dan ben je ook klaar voor een filmpje op FaceBook, waarin een jongen in een niet genoemde stad een lied zingt in een winkelstraat. Hij doet dat zo mooi dat je – hoewel het een versie is van het overbekende Hallelujah – niet ver meer bent van dat potje janken. En als zich ook nog een zangeres bij hem voegt, een vriendin met een even krachtige als lyrische stem, ben je verloren.
Waar zou zich dit afspelen? Waar staan die twee voor een kring van meelevende luisteraars hun gezang naar de hemel te zenden? Dat moet haast wel Dublin zijn, Grafton Street, hartje Dublin. Echt te herkennen is het niet, omdat wandelgebieden in de westerse contreien nu eenmaal op elkaar lijken. Maar het is de atmosfeer en de kwaliteit van de zangers die de gedachte aan Dublin ingeven. En ja, het is Grafton Street in Dublin, zie ik op YouTube.
Heb ik het derde oog? Geenszins. Ik weet gewoon uit ervaring dat de buskers in Dublin uitzonderlijk goed zijn. Van al die straatmuzikanten sprong er eentje uit. In Grafton Street hoorde ik een zanger die mij het hart doorwondde.
Het was laat op een koude zaterdagavond. Hij stond met zijn uiterlijk van dwaas uitgedoste voetbalsupporter in het portiek van een modemagazijn. Klein, onooglijk mannetje met een rode stoppelbaard, slap hoedje, lange rood-witte sjaal, een trouwpak van twee generaties geleden en zwarte schoenen die grijs waren van het stof. Hij had als Napoléon de rechterhand in zijn vest. Zijn mond leek tandenloos, maar was het niet. Hij was een armoedzaaier met een stem, een stem uit duizenden. Hij zong, begeleid door een onopvallende harpspeler.
Ver voordat je hem zag, kon je hem al horen, want hij zong ongeloofwaardig hard. Operavolume, maar geen operagalm. Zijn stem was licht, trillend en hoog. Hij vulde de hele straat en scheurde je hart aan flarden. Hij zong een ballad over mooie meisjes in de naderende lente: For the leaves are getting greener/ And spring is on the way/ Girls are getting prettier/ And younger every day.
Ieren hebben vaak iets scherps en neuzigs in hun stem, maar daarmee was deze zanger niet te beschrijven. De jongen in het portiek trok een register open dat niet aan gewone stervelingen kon toebehoren. De voorbijgangers bleven staan, ongelovig lachend, zich afvragend hoe dit mogelijk was. Daarna werden de blikken ernstig. Wie was deze koddige, duivelse verschijning? En waar haalde hij die stem vandaan? Ik lachte allang niet meer. Toen een vrouw onhoorbaar begon mee te zingen, kon ik me niet meer beheersen en kwamen de tranen.
En het sneeuwde niet eens.

Bob Frommé

Snobs

Wie voor mijn boekenkast staat, kan niet anders doen dan knikken en zeggen: zo, meneer is niet van de straat. Het is mooi meegenomen dat de meeste van die schrijvers tot de literaire canon worden gerekend. Ik heb ze, omdat ik ze geweldig vind, maar ik hoef me niet te generen als iemand een blik werpt op mijn boekenkast. Het is een mooi bezit, hoor. Ik kan er, na een blik op de witte wereld, een bundel uit pakken met een sneeuwgedicht van Joseph Brodsky: ‘Neerdwarrelende vlokken die ik nastaar./ Sta stil, moment! ’t Is niet zozeer dat jij/ mooi bent, als wel volslagen onherhaalbaar.’
Wat je ook met een boekenkast kunt doen: ervoor gaan zitten, in het zicht van anderen. Ik heb nog nooit een zoom-gesprek gevoerd; dat is meer voor mensen die nog met beide benen in de coronamaatschappij staan. Zulke mensen hebben bij die gesprekken een achtergrond nodig. Een boekenkast maakt een gunstige indruk (al heb ik het gevoel dat de waarde daarvan enorm is afgenomen), maar dan is het wel zo handig als die boekenkast verantwoord gevuld is.
Sommige tweedehandsboekhandels schijnen daar veel profijt van te hebben. Zij kunnen zorgen voor een snobs achtergrondje voor al die zoomvergaderaars. Tweedehands heeft twee voordelen: het is een stuk goedkoper dan nieuw, en duidelijk gebruikt maakt een geloofwaardiger indruk dan smetteloze, ongeknakte ruggetjes.
Het Journaal had een item over de Engelse firma Bookbarn. Die maakt gouden tijden door, doordat hun tweedehands spullen de barn uit vliegen. (De Engelse boekenschuur verdient die naam overigens niet. Bookbarn beschikt over hallen zo groot als een hangar. Geef mij dan maar de Boekenschuur in Formerum op Terschelling. Die staat echt op een boerenerf.) De Engelse zoomsnobs kunnen dus voor een luttel bedrag aan hun gerief komen.
Het deed mij onmiddellijk denken aan Myles na Gopaleen. Niemand kent die naam. Dat is het leuke van het literaire snobappeal. Je kunt meepraten over de verantwoorde Grote Namen, maar je hebt ook een nisje met schrijvers van jou alleen. Nou, Myles na Gopaleen is zo’n schrijver. Hij is mijn favoriete columnist, die een prominente plaats inneemt in mijn verzamelingetje Ierse literatuur. Hij heet eigenlijk Brian O’Nolan (1911-1966), schreef als Flann O’Brien hilarische romans, maar was als Myles na Gopaleen columnist voor The Irish Times, wat hem in Ierland zo beroemd maakte als Simon Carmiggelt hier.
Ik ontdekte hem in een boekhandel in Cork, wat een wonderlijk toeval was, omdat de boeken daar niet eens op alfabet stonden. Ik kocht The best of Myles. En nu komt de reden dat ik aan hem moest denken.
Hij stak de draak met boekensnobs door The Myles na Gopaleen Buchhandlung Service in het leven te roepen. Tegen een vergoeding kon een literair onwetend persoon met veel geld een boekenkast verwerven die grote indruk maakte. De boeken werden door de Service gekozen, ingelezen (vakkundig mishandeld) en – hier steeg de prijs aanmerkelijk – van deskundig commentaar in de kantlijn voorzien (‘Yes, but cf. Homer, Od., iii, 151’ of ‘I remember poor Joyce saying the very same thing to me’). De Traitement Superbe behelsde vervalste opdrachten van een beroemde auteur: ‘From your devoted friend and follower, K. Marx’.
Dat is geweldig, maar de eenvoudigste, banaalste, goedkoopste vorm van Buchhandlung – verzorgd door de Bookbarn – is voor de zoomsnobs al voldoende.

Bob Frommé

Gedicht van de week

Wat, zo vraag ik u, is zo bijzonder aan deze week? Allen: “Het is de Poëzieweek!” Ik stem daarmee eens. Sterker nog, ik doe er aan mee. Elk jaar heeft de Poëzieweek een thema en dat is dit jaar Samen. Samen krijgen we corona eronder, samen kunnen we verbinden, samen kunnen we de eenzaamheid bestrijden etc. etc. Ik heb in Het Parool vaker een sonnetje gemaakt op het thema van de Poëzieweek. Doe ik nu weer.

Samen zijn

Samen zijn, verbinden, één zijn, één
Daar kan werkelijk niets aan tippen
Zonder loopt je leven op de klippen
Samen is zoveel beter dan alleen

We zitten altijd om elkaar verlegen
Wie je lief is, zie je voor je geestesoog
De stemming gaat ervan omhoog
Dat zijn de dingen die je hart bewegen

Maar ongemak kan je dag vergallen
Aambeien groot als pingpongballen
Dan doet samen zijn de pijn vergeten
En dat je ooit zo moeilijk hebt gezeten
Samen zijn van Willeke Alberti
Werkt beter dan de zalf van Sperti

Bob Frommé

Bijsluiter

God, ja, dan komt dat vaccin, maar we hebben de bijsluiter nog niet gelezen. Veel mensen bedenken zich nu al. Toen ik de prik kreeg tegen de bof, de mazelen en de rode hond, kende ik de woorden bijsluiter en bijwerking niet. En dat is maar goed ook. Je zou er nog van schrikken. Dat weet ik uit ervaring.
Ik weet nog dat ik voor het eerst van mijn leven (ik was vijftig) een bijsluiter las. Ik zat namelijk met een voetbalzweepslag en om een mogelijke ontsteking te remmen en de pijn te dempen slikte ik ‘Ibuprofen CF 400 mg, omhulde tabletten’. De bijsluiter was heerlijke kost. En dat is hij nog steeds. Je weet niet wat je ziet. Ik pak de tekst er even bij.
Het hoofdstukje Bijwerkingen is fascinerend. Jezus, Maria en Jozef! Men moet werkelijk stuiptrekkend ter aarde liggen, in de zekerheid dat de dood een kwestie van seconden is, om zelfs maar te overwegen 100 mg van deze omhulde ziekmaker tot zich te nemen.
Wat staat de slikker mogelijk te wachten? Ik noem: irritatie van de maag of darmen, misselijkheid, braken, verlies van eetlust, verteringsklachten, zuurbranden, diarree, bloedingen in het maagdarmkanaal en het weer actief worden van zweren in de maag of de twaalfvingerige darm.
Het betreft hier nog slechts aandoeningen in het maagdarmkanaal. Er zijn ook slikkers geweest die last kregen van hoofdpijn, duizeligheid, oorsuizen en slapeloosheid, waarbij zich nog juichend waandenkbeelden en aanhoudende neerslachtigheid kunnen voegen.
Nu geef ik toe dat de drie laatste aandoeningen ook een plaats zouden verdienen in de nooit uitgereikte bijsluiter des levens, maar om vrijwillig driemaal daags een pil te nemen waardoor men niet slaapt, redeloze angsten moet doorstaan en aanhoudend neerslachtig wordt, lijkt me een aan het suïcidale grenzende daad.
Maar de opsomming is nog maar net op gang gekomen. Ik lees: netelroos, bloeduitstortingen (‘al dan niet met jeuk’), koorts, huiduitslag en verschijnselen die lijken op hersenvliesontsteking. Nog een geluk dat ik, voor zover ik weet, niet lijd aan ‘systemische lupus erythematosus’, anders zouden de rapen pas echt gaar zijn. Ook ben ik geen ‘vrouw van het negroïde ras’. Mijn haar had bij bosjes kunnen uitvallen.
Alle andere slikkers hebben genoeg andere redenen tot ongerustheid. Zij krijgen, als de duivel het wil, last van verminderd gezichtsvermogen, acute ontsteking aan de nieren, vochtophopingen, luchtwegkrampen, afwijkende bloedbeelden in de lever, geelzucht of een aandoening genaamd aften. Dank u, dokter!
Ik mis nog het een en ander in deze juridisch verantwoorde lijst: zinkings, grijze staar en het syndroom van Hartmannswillerkopf bijvoorbeeld. Maar je kunt niet alles krijgen. Je bent zo ook al een held als je die pil slikt.
Dat was toen, maar er is nu een ziekteremmend middel waarbij geen duidelijke bijsluiter wordt verstrekt: de avondklok. Kennelijk hebben sommige mensen wel de beschikking over een bijsluiter. Deze: ‘Traumatische associaties met WOII. De avondklok kan herinneringen oproepen aan dramatische bladzijden in onze geschiedenis: de bange oorlogsdagen met de daarbij behorende Sperrzeit. Men hoeft die herinneringen niet te hebben om die toch hevig aan den lijve te ondervinden.’
Nee, de avondklok kan alleen in uiterste noodgevallen worden ingesteld. Voor je het weet, zit je in een angstpsychose waarbij dreunende Duitse laarzen je gehoor teisteren. Daarbij vergeleken is Covid-19 een niesbui om snel te vergeten.

Bob Frommé

Russisch (2)

Spraken wij vorige week over den Russischen mensch zoals die tot ons kwam in die docu over een cruiseschip op de Wolga, nu richten wij ons op de hevige gemoedsbewegingen en gevoelsuitstortingen die daarbij horen. Ze zijn typisch Russisch, al weet de rest van de mensheid er ook weg mee.
In het algemeen worden zulke bewegingen en uitstortingen onderverdeeld in echt en onecht. Dan hebben we het wel, toch? Nee. Het is ingewikkelder. Je hebt ook bewegingen en uitstortingen die zowel echt als onecht zijn. Valsheid en oprechtheid kunnen in één borst huizen. Het besef van die dubbelheid dank ik vooral aan de Russische literatuur. Ik ben het, buiten de werkelijkheid, nergens anders tegengekomen.
Ik geef drie voorbeelden. In De zwarte monnik van Tsjechov troost Andrej Vasilitsj Kovrin de jonge Tanja, die hevige ruzie heeft met haar vader. Ze huilt, schouderschokkend en handenwringend. En dan staat er: ‘Hij had vooral met haar te doen omdat haar verdriet niet serieus was, en ze toch zwaar leed.’ Bij Tsjechov zijn veel meer van zulke voorbeelden te vinden.
In het prachtige De dood van Ivan Iljitsj van Tolstoj is die dood aanleiding voor geruststellende gedachten bij Ivans collega’s: hij is dood en ik niet. Het verplichte bezoek aan de weduwe en het ontzielde lichaam is een last, omdat een gepland kaartavondje daardoor misschien niet doorgaat. En er moet rouw worden betoond. De weduwe, die blij is dat haar man dood is, zegt tegen Pjotr Ivanovitsj dat zij weet dat hij een echte vriend was van de overledene. En dan schrijft Tolstoj: ‘Pjotr Ivanovitsj wist dat het nu noodzakelijk was haar de hand te drukken, te zuchten en te zeggen: “Inderdaad!” En dat deed hij dus. En toen hij dat gedaan had, voelde hij dat dit het gewenste resultaat had: hij was ontroerd en zij eveneens.’
Hypocrisie die met echte gevoelens gepaard gaat. Zo ook bij Vasili Grossman, schrijver van het verpletterende meesterwerk Leven en lot. De hoofpersoon, de joodse fysicus Viktor Strum, is het middelpunt van een controverse waarin opnieuw vals en oprecht moeilijk te scheiden zijn. Strum heeft een belangrijke theoretische ontdekking gedaan en wordt daarvoor gefeliciteerd en omhelsd door zijn collega’s. Maar dan slaat de stemming om. Er zijn geluiden van hogerhand dat Strum ‘te abstract’ zou zijn en ‘te judaïsch’. Hij moet afstand nemen van zijn ontdekking en spijt betuigen. Hij weigert en wordt als de pest gemeden. Maar dan belt kameraad Stalin, die hem prijst en hem succes wenst. Plotseling komen collega’s van Strum die hem kort daarvoor nog kil aankeken, op hem af met van ontroering glanzende ogen; niet wegens Strums rehabilitatie, maar wegens zijn wetenschappelijke prestatie.
Ik zou niet durven beweren dat ik de gehele wereldliteratuur in mijn zak heb. Dat maakt mijn stelling dat het bovenbeschreven verschijnsel alleen in de Russische literatuur voorkomt, nogal twijfelachtig. Eén tegenvoorbeeld is al genoeg om die stelling onderuit te halen.
Misschien dat iemand onder de lezers met zo’n tegenvoorbeeld kan komen. Dan ben ik geholpen en niet geholpen. Maar dat is een andere dubbelheid.

Bob Frommé

Russisch

Ik ben een Russische roman binnengestapt. Of eigenlijk een verhalenbundel. Gebeurde vorige week. Ik zag personages van Tolstoj, maar nog meer van Tsjechov. De locatie: een armoedig cruiseschip op de Wolga, vol verdrietige, wanhopige, melancholieke, soms vrolijke, maar vaker verbitterde Russen. Zij waren de veelkoppige rolbezetting van een schitterende documentaire bij de VPRO: Bitter love, van de Poolse Zweed Jerzy Sladkowski.
De kleine, mollige, oudere vrouw die een oogje had op een oudere, flirterige man met een haviksneus, maar moest toezien hoe hij met een andere vrouw stoeide in het water van de Wolga en hem daarom een klap in zijn gezicht gaf. De oude, illusieloze, wodka hijsende liedjeszanger, die in zijn hut een verdrietige, door mannen teleurgestelde vrouw van in de veertig zijn melancholieke teksten liet horen over vijandige sneeuw en ijs in zijn handen dat maar niet wilde smelten. En die voor de ogen van die vrouw foto’s van hem en zijn vroegere geliefde doormidden scheurde.
En ook de jonge zangeres die, begeleid door haar vriend, die tot haar droefenis naar Amerika zou vertrekken, typisch Russische liederen zong over ‘mijn geliefde, bittere moederland’. De man die om zijn vriendin te tergen zijn halve baard had afgeschoren, maar haar later gladgeschoren toch ten huwelijk vroeg. En de door de kleine, mollige vrouw tijdens de cruise aangenomen dochter, die wegens slechte ervaringen geen man meer wilde in haar leven. (Geen wonder dat zo veel Svetlana’s hun heil zoeken bij een westerse man.)
Alles Russisch als de pest. Melancholiek, teleurgesteld in het leven, maar daar in schaamteloze ontboezemingen uiting aan gevend. Zo’n mooie, intens droevige film zou onmogelijk gemaakt kunnen zijn op een schip met Hollanders. Die klaverjassen of bingoën, en houden de ziel op slot. Veel pleit tegen het bestaan van een nationale volksaard – lijk ik op een Staphorster ouderling? – en toch kun je het bestaan ervan niet ontkennen.
Ach, dat eeuwig Russische! De Russische ziel. Ik schijn er zelf wat van te hebben. Als twintiger werd ik door mijn oudste vriend ten voorbeeld gesteld als ‘den Russischen mensch’, omdat je toen voor zwaarmoedigheid en ‘diepe’ emoties bij mij moest zijn. Maar ik ken het vooral uit de 19e-eeuwse literatuur. Ik herken die mensen op dat cruiseschip. Net als Natalja Wladimirowna uit een verhaal van Tsjechov zouden ze kunnen verzuchten: “Mijn God, mijn God, wat een verknoeid leven!”
Ik ben zelf maar één keer in Rusland geweest. Nergens 19e-eeuwse bastschoenen of knechten die op kachels slapen, maar wel ijzige kou, borsjt, datsja’s, wodka en samowars. En ik heb Ljev Mysjkin gezien, uit De idioot van Dostojewski. Hij stond eenzaam, met een wezenloze grijns, boven aan de lange trap naar de Heilige Drieëenheidkerk in Pskov. In die kloosterkerk zag ik het eeuwige, kromgebogen, in zwart gehulde oude vrouwtje – moedertje! baboesjka! – dat steunend op een stok langs de iconen schuifelde.
Nee, het is geen lolletje om een Rus te zijn, maar als onderwerp voor boeken en films zijn Olga en Igor uitermate geschikt. Wij Nederlanders hebben een distantiërende, uit het Engels geleende term voor ze: drama queens.

Bob Frommé

Ischa

Ik heb I.M. gezien, een mooie serie waardoor ik een ander beeld van Ischa Meijer heb gekregen. Door de pijn die hij, vooral als kind, heeft moeten ervaren, werden zijn brutaliteit en bewijsdrift voor mij een stuk begrijpelijker.
Iedereen heeft zijn eigen Ischa. Zijn aanwezigheid was zo groot en zijn optreden zo extreem dat je onmogelijk aan hem voorbij kon gaan. Hij liet niemand onberoerd.
Mijn Ischa is niet zo’n leuke Ischa. En dat komt voor een groot deel door mijzelf. Natuurlijk had hij een onuitstaanbaar grote bek en moest hij zo nodig acteren, zingen en dansen, wat hij helemaal niet kon. (Hans van Manen kon voor hem bedenken wat hij wilde, maar niemand kan een mopshondje laten vliegen.) Maar dat kan mijn weerstand tegen hem niet voldoende verklaren.
Ik kon trouwens ook van hem genieten, vooral van zijn dolzinnige, vaak meesterlijke radio-interviews. (Van de tv werd zijn geweldige, hilarische interview met Annie M.G. Schmidt klassiek.) Ik herinner me een radiogesprek met acteur Victor Löw dat van de kant van Löw slechts bestond uit hysterisch gegiechel. En dat snapte ik nog ook, zo grappig en snel was Meijer daar.
De andere kant daarvan was het moment dat hij fotograaf Daniel Koning al na een paar minuten wegstuurde. Koning, weet ik van mijn moeder, die hem ooit heeft ontmoet, was een zeer sombere man en dus ongeschikt gezellig op te treden in Circus Meijer. Mensen als Daniel Koning telden niet mee en moesten opdonderen.
Ik was bang voor Ischa Meijer. Als hij bij me in de buurt kwam, werd ik zeer zwijgzaam. Ik hoopte dat hij het woord niet tot mij zou richten. Ik was bang door hem in verlegenheid gebracht te worden. Ik zag hoe hij dat bij anderen deed.
Hij heeft me een keer opgebeld, toen hij nog niet zo lang met zijn dagelijkse Parool-column De Dikke Man bezig was. Hij wou een keer met mij en met Theodor Holman afspreken (‘hapje eten’) om te praten over het schrijven van columns. Ik wou dat niet. Ik wilde niks met hem te maken hebben. En ik heb die boodschap kunnen overbrengen zonder het rechtstreeks te zeggen. Rechtstreeks zeggen durfde ik niet.
Als ik op de redactie van Het Parool was en Meijer kwam binnen, hoorde ik hem al van verre naderen. Geschreeuw. Druk gedoe. De opwinding van een speedfreak. Ik had daar de pest aan, ook uit jaloezie, vrees ik. Hier was duidelijk iemand bezig alle aandacht te vangen alsof hij daar recht op had, en die overal schijt aan had. Ik had bij wijze spreken nergens schijt aan.
Op een keer stond hij in mijn buurt te fulmineren tegen zeker modern taalgebruik (tegen ‘dan heb ik zoiets van’, geloof ik). Voor het eerst zei ik iets tegen hem. Ik zei: “Ja, daar kan ik me ook zo aan irriteren.” Hij trapte erin en dacht dat ik die fout per ongeluk maakte. Het was een kleine triomf die geen bevrediging schonk. Het was minnetjes.
Dat was toen. Ik zeg nu volmondig dat Ischa Meijer briljant was. Voorbeeld. Ooit werd hem gevraagd naar zijn mening over het ik-tijdperk van de jaren tachtig. Hij maakte toen een fantastische cirkelgrap. Hij zei: “Daar heb ik niet zo veel van mee gekregen. Ik was te veel met mezelf bezig.” Ook dat was Ischa voor je.

Bob Frommé