Myles

Vorige week bracht ik in een stukje over clichés een van mijn schrijvershelden ter sprake, Flann O’Brien ofwel Myles na Gopaleen. Ik heb een lang stuk over hem dat ik heden presenteer. (In gewijzigde vorm verschenen in Dublin, de literaire stedenreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen.) Het is echt een heel lang stuk, zowat zeven keer zo lang als normaal. “Daar heb ik echt geen zin in. Dat is gekkenwerk.” Dat is het. Beschouw het als een uitdaging. Hoe denkt u dat uw doorzettingsvermogen zal worden beloond? Rijkelijk.

Myles na Gopaleen heeft mij gered. Zonder hem zou ik misschien een weeë liefhebber van Ierland zijn gebleven. Ik kwam voor het eerst in Dublin in 1985 en was op slag verliefd. Ik logeerde in The Happy Rambler (nu Isaacs Hostel) in Frenchmans Lane in Dublin, waar ’s avonds altijd een jongen onder een lantaren stond te lezen. Ook in de jaren die volgden, stond die jongen daar met een boek onder die lantaren. Een Dublin character, want hij sliep niet in dat jeugdherbergachtige logement. Ik heb hem nooit durven aanspreken.
Ik beschouwde hem als typisch Dublins, zoals je altijd je eerste ervaringen als typisch beschouwt. Die jongen koesterde liefde voor de literatuur, was eigenzinnig, viel niemand lastig en oogde zeer vriendelijk – echt Dublins.
Door mijn verliefdheid op al wat Iers was vond ik de idiootste dingen charmant. In een boekhandel in Cork bleken de titels niet op alfabetische volgorde te staan. Ook niet op de planken van mijn inmiddels favoriete afdeling Books of Irish interest. Je kunt ook zeggen: het was er een zooitje. Maar dat vond ik juist opmerkelijk en eigen. Ik stuitte in die chaos op de bundel met columns The Best of Myles. Van Myles na Gopaleen had ik nog nooit gehoord, wel van zijn andere pseudoniem Flann O’Brien. Ik kende zijn romans At Swim-Two-Birds en The Hard Life, en vond de eerste superieur grappig.
De columns, oorspronkelijk verschenen in The Irish Times, waren leerzaam. Myles wist met mijn Ierland-liefde wel raad. Alleen al de in zijn columns terugkerende, niet erg slimme, clichéverliefde Plain People of Ireland, die Myles af en toe tevergeefs tot de orde riepen, lieten zien hoe Myles over zijn landgenoten dacht. Hij maakte weliswaar geen grappen over dweepzieke toeristen, maar wel over het typisch Ierse en de mensen die daar dol op waren. In het hoofdstuk Bores stelde Myles mij niet alleen voor aan de gevreesde saaineuzen The Man Who Does His Own Carpentry en The Man Who Spoke Irish When It Was Neither Popular Nor Profitable, maar ook aan de man die van zijn vaderland houdt wegens de pure eigenaardigheid ervan. Treinen die nooit op tijd rijden? Heerlijk Iers! Een verbod op literaire werken wegens obsceniteit? Heerlijk Iers! Zie die man aan de rand van het trottoir staan, terwijl een vuilniswagen van de Dublinse gemeentereiniging hem aanrijdt en een berg smerigheid over hem uitstort. Een deel van de smurrieberg beweegt na enige tijd, verheft zich en roept door een opening bovenin met gesmoorde stem: ‘Waar anders dan in Ierland kan dit je overkomen?’
Ook later, in andere bundels van Myles, kwam ik die anti-Irishness tegen. Voorbeeld uit 1943, opgenomen in Myles at War: ‘Wij Ieren zijn eenvoudige, onbedorven, godvrezende, verfijnde Centraal-Europeanen die wellevendheid koesteren als een kostbaar kleinood. Het wordt tijd dat dat eens gezegd wordt, want bij ons kan bescheidenheid bijna een ondeugd worden. We zijn een buitengewoon aardig volk. Een nederige gemeenschap, in ons dagelijkse rondje eenvoudige landbouwtaken verbonden door de sterkste traditionele banden die door aardmannetjes op een minuscuul weefgetouw voor een appel en een ei en zonder bon worden geweven.’
Zulke onweerstaanbare teksten maakten me eigenlijk nog weerlozer. Immers, ik was een briljant persoon tegengekomen die het typisch Ierse belachelijk maakte, maar die zelf ook erg Iers was. Zo ken ik nu ook Dubliners die niet over de nationale Ierse tv-zenders RTE 1 en RTE 2 spreken, maar over Bog 1 en Bog 2. (Veenmoeras 1 en Veenmoeras 2.) Myles verruimde het Ierse en vergrootte mijn liefde voor Ierland nog.
Myles na Gopaleen (of nog Keltischer: Myles na gCopaleen) overleed op 1 april, 1966. Een Dubliner die hem met eigen ogen in de stad heeft gezien, moet dus ten minste een zeventiger zijn. Maar als aan die voorwaarde is voldaan, is de kans erg groot dat hij Myles met zijn hoed en regenjas gezien heeft, en zeer waarschijnlijk in een pub. Myles kwam in The Scotch House aan de Liffey, Neary’s, The Palace Bar, The Bailey, McDaid’s, Doheny and Nesbitt, The Dolphin, The Pearl, The White Horse, Mulligan’s in Poolbeg Street, Cheerio Ryan’s in Dun Laoghaire, The Morgue in Templeogue, The Bleeding Horse, The Dead Man Murray’s, Gerry Byrne’s of Galloping Green in Stillorgan, Matt Smith’s in Stepaside, The Brazen Head, Sinnott’s, Ye Old Grinding Younge, The Winter Garden Palace, Dolly Fossett’s, The Ouzel Galley, The Widow Flavin’s in Sandyford en O’Rourke’s in Blackrock.
Het is goed mogelijk dat een nog levende tijd- en stadgenoot van Myles hem na langdurig pubbezoek in een taxi heeft geholpen of een neef heeft die hem in een taxi heeft geholpen. De man met de neef die Myles na Gopaleen in een taxi heeft geholpen, ontmoette ik in de jaren tachtig aan de Ierse westkust, in het lege graafschap Galway. Ook daar was zijn naam een begrip.
Myles was de beroemdste en ongetwijfeld beste columnist van Dublin. In verband met hem wordt vaak en niet ten onrechte de kwalificatie comic genius gebruikt. Zijn beroemdheid is alleen te vergelijken met die van Simon Carmiggelt in Amsterdam, ook een frequent cafébezoeker. Veel meer overeenkomsten hebben Carmiggelt en Myles niet.
Ik vind de columns van Myles geweldig, en dat vind ik ook van een aantal van zijn romans, die hij onder de naam Flann O’Brien schreef. Ik vind hem zo goed dat ik in een absurd overmoedige stemming zelfs heb overwogen een biografie van hem te schrijven. Gelukkig heeft Anthony Cronin dat voor mij gedaan, onder de treffende titel No Laughing Matter. Door die biografische neiging ben ik wel op plekken in Dublin geweest die ik anders misschien nooit had gezien: de prachtige leeszaal van de Nationale Bibliotheek in Kildare Street en de begraafplaatsen Mount Jerome in Harold’s Cross (zuidwest-Dublin) en Deansgrange in Monkstown (zuidoost-Dublin). Myles lag niet op twee begraafplaatsen, Mount Jerome bleek de verkeerde te zijn. Die is protestants en Myles (eigenlijke naam: Brian O’Nolan), die werd begraven in hetzelfde graf als zijn beide ouders, was van katholieke huize.
Het bezoek aan Mount Jerome leverde wel een leerzaam gesprek op met de beheerder van het kerkhof. Hij had menige Dubliner zien gaan. Op zijn dodenakker lagen beroemde mensen, zoals de dichter Thomas Davis, mede-oprichter van de negentiende-eeuwse opstandelingen The Young Irelanders, William Wilde, behalve oog- en oorarts ook archeoloog, oral historian en vader van Oscar Wilde, de schrijver George Russell, beter bekend als Æ, en de toneelschrijver J.M. Synge. De beheerder was trots op een grillige boom op zijn kerkhof, die vol doornen was en uit het Heilige Land kwam. Hij had mij wegens de regen in zijn onderkomen op het kerkhof genood, waar ik werd gadegeslagen door een zwijgende dobermannpincher.
Ik heb, rondvragend naar Myles, een ontzettend knappe oude vrouw gesproken in haar woning in Sandycove, ten zuiden van Dublin, waar zich ook Joyce’s Tower bevindt en Forty Foot, deGentleman’s Bathing Place (vereeuwigd in onder meer At Swim, Two Boys van Jamie O’Neill). De vrouw was de echtgenote van een van de terloopse aristocraten die het hele jaar door naakt in zee duiken vanaf Forty Foot. Zij vertelde dat Myles erg charmant tegen haar was, haar eigenlijk het hof maakte, maar dat zij hem niet erg aantrekkelijk vond. (Zie zijn portret met Rudolf Hess-wenkbrauwen.)
Ronnie Drew, in 1962 een van de oprichters van The Dubliners, herinnert zich Myles alleen als ‘zwijgzaam’, heel anders dan de even alcoholische, maar luidruchtige, vaak chagrijnige dichter Paddy Kavanagh en de nog luidruchtigere schrijver en kroegzanger Brendan Behan.
De Dublinse schrijfster en columniste Nuala O’Faolain vertelt in haar autobiografie Are You Somebody? (1996), dat zij in Neary’s, in Chatham Street, Myles tegen de zijkant van de tapkast heeft zien pissen. Dit gruwelijke beeld past goed in haar bewering dat veel literaire (en andere) levens geheel werden verzopen in Dublin. Dat geldt helaas ook voor de briljant begonnen Brian O’Nolan, beter bekend als Flann O’Brien en Myles na Gopaleen. Een kennis zag hem op een kwade namiddag in zuidelijke richting lopen (Myles woonde met zijn vrouw Evelyn in Stillorgan, zuid-Dublin), waarbij hij hand over hand voortbewoog, zich als een drenkeling vasthoudend aan de railing van het hek langs Merrion Square, almaar mompelend: ‘Fuck the fucking fuckers.’
Brian O’Nolan was een Dubliner en liet fictieve Dubliners in zijn columns Dublins spreken. Maar een Dubliner qua afkomst was hij niet. Hij werd in 1911 als zoon van een belastingontvanger geboren in de provincieplaats Strabane in het Noord-Ierse graafschap Tyrone. Door die afkomst kende hij Gaelic van huis uit. Hij spelde zijn achternaam ook wel als O Nualáin. Een intellectueel uit Dublin zou die achtergrond nooit hebben gehad.
Hij ging wel in Dublin studeren, aan het katholieke University College, net als James Joyce vóór hem. Daar werd hij een hogelijk gewaardeerde, plaatselijk beroemde, tegendraadse spreker in disputen en schrijver (onder talloze pseudoniemen) in een studentenblad. In 1939 kwam zijn eerste boek uit, At Swim-Two-Birds, een hilarische anti-roman, die hogelijk werd geprezen door Graham Greene en James Joyce, en later ook door de briljante Ierse schrijver John Banville, die hem ‘mijn held’ noemde.
Maar het boek kreeg, ook door het uitbreken van de oorlog, weinig aandacht en werd nauwelijks verkocht. Een jaar later gebeurden twee dingen die zijn schrijversleven bepaalden. Het manuscript voor zijn tweede roman, het surreële, donkere meesterwerk The Third Policeman, werd afgewezen door zijn Londense uitgever. (Tegenover de buitenwereld hield hij vol dat hij het manuscript op reis was kwijtgeraakt of ergens in een pub had laten liggen; het werd postuum uitgegeven.) En hij werd aangenomen als columnist bij The Irish Times, nadat hij – mét vrienden – een tijdje de brievenrubriek van die krant onder, alweer, allerlei pseudoniemen onveilig had gemaakt met onzinnige teksten. Eerst schreef hij nog in het Gaelic, maar na een jaar vrijwel uitsluitend in het Engels. Die column, getiteld Cruiskeen Lawn (Het Volle Glas), werd een onmiddellijk succes en behoorde tot de weinige krantenstukken die een Dublinse intellectueel of iemand met aspiraties daartoe gelezen moest hebben.
Dublin was, zoals elke stad, rijk aan characters. Maar misschien zijn Ierse characters net iets spraakzamer, woordspeleriger, lach- en zanglustiger, drankzuchtiger en uitzinniger dan andere characters. Het is grappig in Remembering How We Stood van John Ryan te lezen dat op zeker moment een Dubliner halverwege de jaren vijftig door Grafton Street liep en drie mannen op straat hoorde klagen over het gebrek aan real characters in Dublin. Ze meenden het. Maar zie wie ze zelf waren: Myles, Brendan Behan en de alom bekende kogelronde schilder, kroegloper en raconteur Sean O’Sullivan, die er plezier in had mee te delen: ‘We are the people our mothers warned us against.’ Deze drie mannen zagen nergens nog een echte persoonlijkheid. Volgens Ryan zou dat de kern van een Dublin character zijn: hij is er zich totaal niet van bewust dat hij er zelf een is.
Myles was geen extraverte persoonlijkheid. Hij zat vaak alleen in een pub met zijn eeuwige donkerbruine hoed op het hoofd, zijn lange jas en zijn krant. Soms was hij, in Neary’s of Sinnott’s, vlak bij het Gaiety Theatre, in het gezelschap van de treurig ogende komiek Jimmy O’Dea, schepper van vele Dublin-types onder wie de in die tijd beroemde Biddie Mulligan. O’Dea was net als Myles klein van gestalte. Voor veel Dubliners, die van hun humoristen hielden, was het een gedenkwaardige aanblik die twee kleine mannen bij elkaar te zien zitten. O’Dea en Myles waren verwante zielen, maar Myles kon zich ook mengen onder het publiek in de bar van het Dolphin-hotel in Essex Street, waar veel rugbyliefhebbers kwamen: zakenlieden, tandartsen en advocaten. Daar was Myles met zijn hoed met niet erg brede rand een niet al te bohemienachtige verschijning, die genoeg kennis van het rugby bezat om er enige welgeplaatste opmerkingen of grappen over te kunnen maken.
Hij ging lang niet altijd naar literaire- en journalistenpubs, zoals McDaid’s in Harry Street of The Palace Bar in Fleet Street, vlakbij het gebouw van The Irish Times in Westmoreland Street. Tijdens of zelfs vóór kantooruren kon hij worden aangetroffen in The Scotch House op Burgh Quay. Hij werkte als hoge, maar niet altijd aanwezige ambtenaar in het nabijgelegen Custom House. Zijn directe chef en beschermheer John Garvin wees hem er vriendelijk op dat zijn pubbezoek niet onopgemerkt was gebleven: ‘You were seen going into the Scotch House.’ Waarop Myles zei: ‘You mean I was seen coming into the Scotch House.’ Het was Myles’ ambitie niet om op te vallen. Zijns ondanks gebeurde dat toch. Vaak doordat hij te uitbundig was geweest in zijn liefde voor de whiskey. (Goed dan, doordat hij te veel had gezopen.)
Myles schiep, net als O’Dea, een beroemde Dubliner: The Brother, hoewel het de broer van de broer is die door Myles wordt geciteerd. The Brother en de broer van The Brother zijn echte oudehoeren, betweters, clichémannetjes, moralisten, amateurfilosofen, ingezonden-brievenschrijvers, wereldverbeteraars. Zie de volgende dialoog, waarbij de droge gecursiveerde zinnetjes niet van de broer van The Brother zijn, maar van de minzaam luisterende Myles zelf.

‘M’n broer kan geen ei meer zien.

Is dat zo?

Kan absoluut niet tegen de aanblik van een ei. Spek, ham, vis, wat je maar wil – hij krijgt het allemaal weg en vraagt om meer. Maar een ei gaat er niet in. Evengoed bedankt, maar nee, geen eieren. Het ei komt er niet in.

Ik snap het.

Ik hoor hem vaak praten over het gevaar van eieren. Je kan allerlei soorten ziektes krijgen van eieren, dat zegt m’n broer tenminste.

Dat is verontrustend nieuws.

Het probleem is dat een ei nooit doodgaat. Het zit vol met allerlei soorten microben en als een ei eenmaal in je pens zit, gaan ze opgetogen op pad om een hapje te eten. Het is een kleine moeite voor ze om een soort zweer te veroorzaken in je pens.

Ik snap het

Stel je eens voor; al die kereltjes daar binnen lopen heen en weer in je maag en fokken misschien families en zetten het op een vreten en kauwen en zuipen een eind weg; het is een wonder dat we niet allemaal in ons graf liggen, man, met al die kippen in het land.

Ik moet onthouden dat ik eieren voortaan laat staan.

Ik waag me er zo nu en dan zelf aan, maar daar zou ik wel eens spijt van kunnen krijgen. Daar heb je m’n Drimnagh-bus, ik moet er vandoor, doe niets als je oom er bij is, zeggen ze wel eens.

Tot ziens.

Myles was een taalman. Een van zijn uitvindingen: The Myles na gCopaleen Cathechism of Cliché. Vraag: ‘Wat zou je het meest kenmerkende van willekeurig welke overleden Dubliner willen noemen?’ Antwoord: ‘Al het beste in het Ierse leven.’
Vraag: ‘Door welke eigenschappen maakte hij zich bemind bij iedereen die hem kende?’ Antwoord: ‘Door zijn charme en zijn niet aflatende vriendelijkheid.’ ‘Hoe was hij toen hij begon weg te kwijnen?’ ‘Ondanks zijn broze gezondheid bleef hij zich onvermoeibaar inzetten voor zijn minder fortuinlijke medemens.’ ‘En hoe zou je zijn verlies omschrijven?’ ‘Als bijkans onherstelbaar.’ 
Een van zijn andere uitvindingen: de verhalen over de dichters Keats en Chapman, altijd culminerend in een krankzinnige woordspeling. (De heren leefden overigens in heel verschillende tijden.) Maar de absurde, altijd terloops vertelde weg erheen was net zo belangrijk. De lol zit hem wonderlijk genoeg in de anti-climax. Keats huurt viswater en vangt grote hoeveelheden forel, te veel om op te eten. Zijn vriend Chapman verschaft hem daarom een handige ‘canning-machine’ om de vis in te blikken. Enige tijd later gaat Chapman op bezoek bij Keats en wordt getroffen door diens toegenomen gewicht. ‘Je eet zeker veel,’ zegt Chapman. ‘Je verdient zeker veel geld met de ingeblikte forel.’ Keats antwoordt: ‘I eat what I can.’ Zo zien de beide mannen tijdens een circusvoorstelling een dierentemmer de leeuwenkooi betreden, die daar gewoon gaat zitten lezen. Keats, opnieuw onvertaalbaar: ‘He’s reading between the lions.’
Myles bedreef in zijn dagelijkse column ook veel satire, gewapend met zijn grote eruditie. Zelfingenomen intellectuelen (waartoe hij natuurlijk ook zelf behoorde) en andere snobs hadden het in de column hard te verduren. Myles had het graag over de klasse der bebaarde corduroys, die ook in Dublin ruim was vertegenwoordigd. ‘Mensen die niet in Dublin wonen (of wel, maar de “intellectuele” rattenkooien vermijden) hebben er moeite mee het ongelooflijke geleuter serieus te nemen dat doorgaat voor verlichte conversatie wanneer een paar baarden en corduroys bij elkaar zijn. Dat is erg grappig.’ Volgt een krankzinnige conversatie vol mislukte Franse citaten en dolgedraaide verwijzingen naar het quattrocento en het cinquecento.
Het best op dreef is Myles als hij zijn ijlhoofdige fantasie loslaat op de werkelijke wereld. Enter: The Myles na Gopaleen Buchhandlung Service. Tegen een vergoeding kan een vulgair persoon met veel geld een boekenkast verwerven die grote indruk maakt. De boeken worden door de Service gekozen, ingelezen (vakkundig mishandeld) en – hier stijgt de prijs aanmerkelijk – van deskundig commentaar in de kantlijn voorzien ‘Ja, maar verg. Homerus, Od., iii, 151’ of  ‘Ik herinner me dat die arme Joyce precies hetzelfde tegen me zei’). De Traitement Superbe behelst vervalste opdrachten van de beroemde auteur: ‘Van je toegewijde vriend en volgeling, K. Marx’ of  ‘Beste A.B., – Je suggesties en bijstand zijn van onschatbare waarde geweest, om maar te zwijgen van je goedheid hoofdstuk 3 geheel te herschrijven. Dit alles geeft je zeker recht op dit eerste exemplaar van Tess. Van je oude vriend T. Hardy’.
In bovenstaande voorbeelden is het doelwit van de spot nog een naamloze groep snobs, maar Sir Myles na Gopaleen, zoals hij zichzelf noemde, begon ook een belangrijk wetenschappelijk bureau naar het voorbeeld van het door president De Valera opgerichte Institute for Advanced Studies: het Myles na Gopaleen Research Bureau. Dat Research Bureau bedacht onder meer ‘een sneeuwmeter’, een installatie die uitkomt op een emmer. Het doel is de in de buurt rondlummelende, Proust lezende jonge literaat, die op zeker moment verzucht: ‘Mais où sont les neiges d’antan?’ naar die emmer te slepen en te zeggen: “Daar, in die emmer, gek!”
Maar Myles had ook directe kritiek op dat instituut. Het hoofd ervan, de naar Dublin gehaalde Nobelprijswinnaar Edward Schrödinger, had een rede gehouden, waaruit bleek dat het scheppingsverhaal niet houdbaar was. Een andere geleerde aan het instituut had beweerd dat Ierland ooit bezocht was door twee missionarissen die later waren aangezien voor die ene Saint Patrick. Myles reageerde daarop met een geestigheid die in Dublin zeer werd bewonderd. Hij schreef dat het Institute for Advanced Studies bewezen had dat er twee St. Patricks waren en geen God.
Het instituut liep naar de rechtbank. In een regeling buiten de rechter om stemde The Irish Times in met een schadevergoeding van honderd Ierse ponden, waarvan uiteindelijk maar de helft werd betaald. Maar de angst voor rechtszaken was voorgoed gezaaid bij hoofdredacteur Smyllie.
The Irish Times weigerde daarom steeds vaker columns van Myles. En wat het honorarium betreft, gold: niet plaatsen was niet betalen. Dat frustreerde Myles hevig, omdat hij toch al moest sappelen. (De ambtenaar Brian O’Nolan was niet meer te handhaven geweest en had zich in 1953 gedwongen teruggetrokken uit de dienst met een klein pensioen.) Myles maakte onder het pseudoniem George Knowall ook slappe, uit de Encyclopedia Britannica overgeschreven stukjes voor een provinciale krant.
En tot het schrijven van fictie kwam het lange tijd niet meer. Hoewel je kunt volhouden dat Myles na Gopaleen een fictief personage is in zijn eigen stukken (hij woont op een landgoed, verkeert met de groten der aarde en doet de ene uitvinding na de andere), was het na de afwijzing van The Third Policeman aan het begin van de jaren veertig met de romanschrijver gedaan, al schreef hij als Myles kort daarna nog in het Iers de hilarische satire An Béal Bocht (The Poor Mouth), over dweepzieke liefhebbers van de Gaeltacht, de ver van Dublin gelegen Iers-sprekende gebieden.
Pas nadat At Swim-Two-Birds in 1960 opnieuw was uitgegeven en ook in de Verenigde Staten was ontdekt, schreef Flann O’Brien weer nieuw werk: The Hard Life en The Dalkey Archive. Alleen de eerste titel benadert enigszins de kwaliteit van de eerdere romans. De ex-ambtenaar Brian O’Nolan was in de jaren zestig een tamelijk bittere, half verdronken man geworden. Hij had de belofte van de briljante student en de jonge schrijver toch niet kunnen waarmaken, laat staan dat hij uit de schaduw van die andere comic genius James Joyce had kunnen komen. Zelfs als columnist had hij zijn beste tijd had gehad. Nee, er viel niets meer te lachen.

Bob Frommé

Advertentie

One thought on “Myles

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.