Dublin fair city

Toen ik de eerste keer in Dublin was, werd ik door twee dingen getroffen. Door de onvoorstelbare vriendelijkheid van de Ieren, verreweg het meest sociale volk dat ik ooit had ontmoet, en door hun zanglust. Beide dingen troffen mij aangenaam. En je kon ze gemakkelijk op één plek ervaren: in de pub.
Een volle pub betreden was een bijzondere fysieke sensatie. Of het nu Toner’s in Lower Baggot Street was of O’Donoghue’s in Merrion Row of McDaid’s in Harry Street, zodra je de deur had geopend, werd je opgemerkt door een der barlieden, zodat je nooit om aandacht hoefde te smeken, en je kon je door de menigte bewegen zonder te hoeven worstelen. Dat kende ik niet. De mensen in Dublin waren zich bewust van jouw aanwezigheid en maakten net die kleine draaiing of zetten dat ene stapje, zodat jij gemakkelijk kon passeren.
En zingen deden ze, met of zonder begeleiding. De vreemdste gewaarwording had ik, in datzelfde jaar (1985), op een late namiddag in Toner’s. Mannen met witte boorden en aktetassen stonden bijeen aan de bar en begonnen onbegeleid te zingen. Dronken waren ze niet. Ze zongen één voor één, meest ballads, terwijl de rest intens luisterde en meegenoot. Ook dit leek me ondenkbaar in Nederland: nuchtere employés die zich in het café niet geneerden een mooi lied te zingen. Nederlanders zingen niet in het café. Ze blèren.
Ook zag en hoorde ik die zanger in Grafton Street. Het was laat op een zaterdagavond. Hij stond met zijn uiterlijk van dwaas uitgedoste voetbalsupporter in het portiek van een modemagazijn. Klein, onooglijk mannetje met een rode stoppelbaard, slap hoedje, lange rood-witte sjaal, een trouwpak van twee generaties geleden en zwarte schoenen die grijs waren van het stof. Hij had als Napoléon de rechterhand in zijn vest. Zijn mond leek tandenloos, maar was het niet. Hij was een armoedzaaier met een stem, een stem uit duizenden, nee, miljoenen. Hij zong, begeleid door een onopvallende harpspeler. Ver voordat je hem zag, kon je hem al horen, want hij zong ongeloofwaardig hard. Operavolume, maar geen operagalm. Zijn stem was licht, trillend en hoog. Hij vulde de hele straat en scheurde je hart aan flarden.
In Grafton Street, waar toen niet, maar nu wel een beeld staat van Molly Malone uit ‘Dublin fair city’, of zoals ze door de Dubliners ook wel wordt genoemd: the tart with the cart, kun je nog steeds zang horen. Ook gitaarspel en blazers en strijkkwartetten van opvallende kwaliteit, maar niets beweegt het hart nu eenmaal zo hevig als de menselijke stem. Zo hoorde ik op een zaterdagmiddag een jochie zingen, aan het begin van Grafton, althans gerekend vanuit St. Stephen’s Green. Weer zo’n vervloekte, alles doordringende Ierse stem waarbij het moeilijk is het gemoed onder controle te houden. Het jochie was twaalf, dertien jaar oud en stond daar hondsbrutaal te zingen, met een plastic emmer voor zich. Hij zong onbegeleid en stond daar helemaal alleen. 
Hij zong met glaszuivere jongensstem (een alt) de ballade The fields of Athenry. Doordat het zaterdagmiddag was en iedereen gerichter op weg was dan op een late zaterdagavond, vormde zich geen groepje toeschouwers om de jongen. Niettemin regende het gestaag muntjes in de emmer.
De tekst van het lied is dramatisch – over een jonge vrouw die tijdens de hongersnood halverwege de negentiende eeuw haar man op een gevangenisschip naar Australië ziet vertrekken, omdat hij voor hun hongerende kind koren heeft gestolen –, maar de volksjongen, gehard reeds, zo te zien, maalde niet om de woorden. It’s so lonely round the fields of Athenry, ja hoor, het zou wel. Zijn blik was koel, alsof hij corvée had.
Na een paar nummers vond hij het weer welletjes. Hij pakte de emmer en goot die leeg in zijn rechterbroekzak. Daarbij rolden wat muntjes op straat, die onmiddellijk door vriendelijke voorbijgangers werden opgeraapt en aangereikt. (‘Vriendelijke voorbijgangers’ is hier bijna een pleonasme.) De jongen nam ze aan met een korte knik en liep weg in noordelijke richting, de richting van de Liffey en O’Connellstreet.
Ik had The fields of Athenry een dag voor die a capella-uitvoering in Grafton Street nog gehoord uit de mond van Paddy Reilly, de balladezanger van The Dubliners, die het lied met meer gevoel zong. Ik zag de mannen optreden in een tent naast het Royal Hospital in Donnybrook, zuid-Dublin. Eigenlijk was dat alleen bedoeld voor de patiënten; ik was er als verslaggever van Het Parool.
De tent was vol ernstig zieke mensen, die na een beroerte of anderszins gehandicapt scheef in hun rolstoelen hingen. Ze konden nauwelijks klappen. Een oude vrouw zong de ballade mee, althans, zij bewoog haar lippen, steeds iets te laat. Paddy Reilly zong met prachtige stem: vol, met een scherp Iers randje.
The Dubliners speelden gratis en dat deden ze al voor de derde keer. De eerste keer was geweest, toen hun manager Jim Hand in dat ziekenhuis lag. Hij overleed korte tijd later, maar The Dubliners bleven komen. Nu lag er toevallig weer een goede bekende van hen, een radioproducer, zij het op een revalidatie-afdeling waar een virus was uitgebroken. Daardoor mochten de patiënten niet van de afdeling. The Dubliners gingen naar de binnenplaats en gaven daar nog een kort, ontroerend optreden. Ze speelden een reel met de blik omhoog naar het raam waarachter hun vriend lag. Ook zong Sean Cannon, de andere, nog Ierser klinkende zanger, een lied. De vriend achter het raam zwaaide met een slap handje. Heel in de verte kon je het zwakke applaus van hem en zijn medepatiënten horen. Op de binnenplaats keek het personeel genietend toe.
The Dubliners ontstonden in de beste singing pub van Dublin, O’Donoghue’s, waar je nu nog voorin en in de backroom muzikanten bezig kunt zien, van balladezangers tot razende pennywhistlers. Daar verzamelden de mannen zich na het optreden in Donnybrook voor een pint. Als je de kroeg binnenkomt, hangt rechts om de hoek een galerij met foto’s van The Dubliners. Niemand deed opgewonden dat ze er nu zelf waren. Wel veel hartelijke begroetingen, met be Jaysus en for fuck’s sake. De violist en componist van de Dubliners, John Sheahan, bleek niet alleen graag over muziek te praten, maar ook over literatuur. En hij liet me een zelfgeschreven haiku lezen over de manier waarop de noten van een compositie tot hem kwamen: ze waren er altijd al en werden aangevoerd door de wind. (Orphaned notes adrift/ winds of inspiration blow/ a new tune finds me.) Literatuur, muziek, pub. Dit kon weleens Dublin zijn.

Bob Frommé

2 thoughts on “Dublin fair city

  1. Ja man, Ierland, Jaysus!

    Keer of 10 geweest, hele land gezien, Galway, Cork, Dublin en alles wat er tussen, opzij, boven en onder zit.
    Gek genoeg ooit begonnen in Shannon of all places en daarna m’n eerste pint Guinness ever gedronken bij Durty Nelly’s in Bunratty.
    Oké oké, een ietwat toeristische attractie maar je móet er geweest zijn.

    Met dank aan m’n vrienden Terry O’Connor en Fergus Duff.
    Waarbij de laatste zich altijd als volgt placht voor te stellen: Hello, my name is Fergus Duff, by name and nature.

    Ierse muziek?
    Voor mij de Fureys graag en met name Finbar Furey solo.

    Hartelijk dank voor dit en het vorige verhaal heer Bloemkolk.
    Ik lust er nog wel een paar.

    • Ik hou van de Ieren en hun land. Ach, Dublin. Ach, de westkust. Ik ben zelf een soort van Ier. In een pub in Dungarvan (Donegal) kwam een meisje naar me toe die vroeg: “Are you Brian O’Connor?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.