Twee vrienden

Je hebt columnisten die in elk stukje dat ze schrijven, iets meemaken in de buitenwereld. Ze zien een ruzie in een ijswinkel tussen een moeder en haar verwende kind, luisteren op een terras een gesprek af tussen twee verliefde mensen op leeftijd of zijn getuige van de manier waarop in een supermarkt een strontvervelende klant een onschuldig kassameisje bejegent. Ik maak nooit iets mee. Nu ja, heel af en toe. Die scène in de supermarkt heb ik zelf meegemaakt, maar dat is een hoge uitzondering. Ik denk wel eens dat die columnisten over iets beschikken waarover ik helaas niet beschik: een dikke duim. Carmiggelt moet die hebben gehad.
Ik moet het wat de buitenwereld betreft toch vooral hebben van het openbaar vervoer. Zo had ik een mooi gesprek in een tram met een vrouw die een dichtbundel zat te lezen en hoorde ik een volkse man zijn vriendin telefonisch een laatste waarschuwing geven: “Ik geef je nog een jaar. Ik meen het serieus. Als het zo blijft, ga ik alleen verder. Ik geef je nog een jaar. Ik zou maar me best doen als ik jou was.” En zo nog wat gevalletjes.
Je kunt je voorstellen dat ik mijn oren spits, als ik een bijzondere conversatie opvang. Laatst was het weer eens raak. Achter mij in de metro vanuit Nesselande zat een knappe, donkere jongeman. Hij zweeg, want hij was alleen. Totdat met veel kabaal een forse man in trainingspak het toneel betrad. “Order! Order!” riep hij, zoals mister speaker in het Lagerhuis dat deed. En die uitroep was bedoeld voor de jongen achter mij. “Ben je weer eens op weg naar de rechtbank?” zei de man. De jongen bevestigde dat lachend. “Wat ben je toch een boefie. Wat heb je nou weer uitgevreten?” “Gewoon, een diefstalletje.” “O, dan is het goed. Je moet mensen niet gaan lopen beroven of zo. Dat je een soort Clyde wordt, weet je wel, van Bonnie en Clyde. Die gingen mensen doodschieten in bankgebouwen. Dan word je Staatsvijand Numero Eén.” De jongen lachte: “Ik ben Staatsvijand Numero Twee.”
De man moest daar ook smakelijk om lachen. Hij verplaatste zich nu van het stoeltje achter de jongen naar het stoeltje naast de jongen, aan de andere kant van het gangpad. Voor de verstaanbaarheid was dat niet van belang. De man was een roeptoeter. Hij vatte de bezigheden van de jongen samen met: “Ach ja, je mot wat.” En hij vervolgde: “Je bent zeker op weg naar het Wilhelminaplein. Naar dat hoge gebouw toch? Daar ken je ook gemakkelijk in hoger beroep, hahaha.”
De conversatie was hiermee ten einde, want de man ging eruit bij Alexander. “Ja, ik moet pinnen. Nou, de mazzel en gedraag je een beetje, hè.” “Ja, hoor,” lachte de jongen. De man riep nog een keer wat hij bij binnenkomst had geroepen: “Order! Order!”
En zo gingen ze als vrienden uiteen, in een wereldje waarin te veroordelen misstappen en racisme niet voorkwamen.

Bob Frommé

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.