Ironie

Ironie is minder simpel dan de meeste mensen denken. Ironie, nietwaar, dat is het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Over een overdreven lelijk persoon zeggen: “Wat een knapperd, zeg.” Of na een dodelijk saaie lezing: “Het was een unieke ervaring. In één woord kostelijk.” Maar ironie kan ook geveinsde geveinsdheid zijn. Iemand aankondigen met de woorden: “En dan geef ik nu volgaarne het woord aan mijn zeer gewaardeerde vriend, de hooggeleerde…” Er zit spot in die stem, maar hier wordt niet beweerd dat de komende spreker een irritante domkop is. Deze ironie is – met duidelijke overdrijving –  wat iemand wel degelijk meent.
Aan deze vorm van ironie zal niemand zich een buil vallen, aan de eerder genoemde wel. Schoolvoorbeeld – ik heb dat al eens eerder genoemd – is het lied Italianen van Raymond van het Groenewoud. Ruim veertig jaar geleden veegde Raymond alle negatieve vooroordelen jegens Italianen op een hoop. Vertrouw geen Italianen, want ze stelen uit je auto, ze zitten achter je vrouw aan en ze liegen zich te barsten. Alles op een vrolijke deun en duidelijk ironisch. Maar daar dachten veel mensen anders over. Een ingezonden-briefschrijver reageerde fel: ‘R. van het Groenewoud scheer ik met zijn liedje Italianen over dezelfde kam als dat stelletje vreemdelingenhaters dat allerlei leugens over gastarbeiders rondstrooit.’ Van het Groenewoud zou zijn gecanceld, als cancelen toen had bestaan.
Hij was er kennelijk van overtuigd dat iedereen dat lied zou begrijpen voor wat het was, zonder regels in te voegen dat het allemaal onzin was en dat Italianen net zulke mensen zijn als jij en ik. Randy Newman deed dat wel in Short people. Hij laste een bruggetje in waarin hij zong dat kleine mensen net zo zijn als jij en ik (‘een gek zoals ik’) en dat alle mensen broeders zijn.
De rest van de tekst was van geheel andere aard. Newman wil niks met die kleine mensjes te maken hebben, omdat ze nare piepstemmetjes hebben en akelige voetjes op hun plateauzolen. Hun leugenachtige geestjes vol grote leugens zijn klein en viezig, en je moet ze optillen om hallo te zeggen. Weg met die kleintjes! Alles zogenaamd, natuurlijk. Ironie van de simpelste soort.
Ik heb het altijd een beetje zwak gevonden dat hij, misschien onder druk van de platenmaatschappij, die zoete woordjes inlaste. Het is een vorm van zelfcensuur en een stijlbreuk van jewelste. Maar zelfs dan nog waren er hevige protesten. Sommige radiostations weigerden het lied te draaien, omdat het te kwetsend zou zijn. Die zoete woordjes waren kennelijk onvoldoende, terwijl je die zou kunnen opvatten als het door Harry Mulisch voorgestelde ironieteken. (Verg. “Allemaal onzin, mensen” van Toon Hermans.)
Het was een weinig aansprekend voorstel van Mulisch. De grap van ironie is natuurlijk dat het lijkt op iets anders. Met een ironieteken is de spanning weg en de lol eraf. Het ironieteken is een onderschatting van de lezer en een uitleg van iets wat voor zichzelf moet spreken.
Ironie zonder aanwijsbord is daardoor wel gevaarlijk, wegens het dreigende onbegrip. Ik heb zelf ten tijde van de Centrumpartij een liedtekst gemaakt voor de band waar ik toen in zong (Noodweer). Die tekst was een grove weergave van allerlei extreemrechtse opvattingen. Refrein: ‘Haal een bezem door de beestenstal/ Verlos ons van het gif, verlos ons van de gal/ Haal een bezem door de beestenstal/ Properheid en orde overal.’ En in de coupletten was de grofheid niet van de lucht: ‘Dood aan alle zwarten, dood aan alle nichten/ Dood aan al die Islamitische gezichten/ Of de gemoederen verloederen, dat is voor ons geen vraag/ We trappen alles rücksichtlos omlaag/ Weg met alles, iedereen de pleuris/ Die nou nog niet weet waar het gat van de deur is.’ Het leek mij duidelijk dat de zanger hier opvattingen vertolkt die hij juist afschuwelijk vindt. Maar daar dachten de bandgenoten anders over. En ze hadden gelijk.
Ik moest het inkleden, anders zou het zelfs kunnen gebeuren dat Nederlandse bruinhemden ermee weg zouden lopen. Dus het refrein werd ingeleid met Ze schreeuwen (wat ook de titel van het nummer werd) en er kwam een tussenstuk: ‘Maar wij, wij schreeuwen niet, maar kijken toe vanachter de vitrages/ Hoe de stoet een spoor trekt langs leeggeroofde etalages/ Kijk, er hangt een rosse gloed boven de moskee en boven de synagoge/ Maar dat kan in de stoet de stemming alleen maar verhogen/ En ze schreeuwen’ (volgde het refrein).
Maar zelfs deze aangeklede, van distantiërende uitleg voorziene versie stuitte op onbegrip en weerstand. Een technicus in de studio waar we dat nummer opnamen, vond de tekst zo vreselijk dat hij weigerde de opname verder te begeleiden. Het lukte ons niet hem ervan te overtuigen dat we het goed bedoelden.
Nog een ander, luchtiger voorbeeld uit de eigen praktijk. Als lid van de mediareactie van Het Parool had ik, net als mijn collega, veel positieve aandacht gegeven aan het programma Andere tijden. We juichten de makers toe en hadden bijvoorbeeld de geweldige beeldresearcher uitgebreid geïnterviewd.
Andere tijden won de Nipkow-schijf. Voor de gein schreef ik als Han Lips een tv-recensie, waarin ik toch maar eens had gekeken naar dat programma waar iedereen zo hoog over opgaf. Viel me dat even tegen! Het was geboetseerd uit oude koek. Ja, en wie met oude koek bezig is, is bezig met de dood, nietwaar. En wie wil bezig zijn met de dood? Generaals, doodgravers en seriemoordenaars! Ik zelf leefde en dat was al moeilijk genoeg.
Dat ging nog even door zo, de ene zin nog vetter dan de andere. Wie presenteerde die oude koek? Een glad mannetje dat luisterde naar de naam Hans Goedkoop. Met zo’n naam vroeg je erom: ik gaf er geen stuiver voor.
Die naamgrap was zo fout en voor de hand liggend dat dit onmogelijk verkeerd kon worden begrepen, dacht ik. Maar Hans Goedkoop liet in een interview weten dat hij boos was op de recensent. En ook de redactie van Andere tijden was beledigd. Alleen hoofdredacteur Ad van Liempt had de grap begrepen, hoorde ik.
Die keer had ik misschien toch baat gehad bij een ironieteken.

Bob Frommé

P.S. Dit stuk verscheen eerder in het blad Argus

3 thoughts on “Ironie

  1. Ironie of sarcasme? Blijft ingewikkeld. Over een overdreven lelijk persoon zeggen: “Wat een knapperd, zeg.” Of na een dodelijk saaie lezing: “Het was een unieke ervaring. In één woord kostelijk.”

    Dat vind ik meer sarcasme. Amerikanen en Engelsen denken veel meer na over dit onderscheid:

    https://grammar.yourdictionary.com/vs/irony-vs-sarcasm-types-and-differences.html

    dit vind ik ook wel een goeie:

    Irony employed in the service of mocking or attacking someone is sarcasm. Saying “Oh, you’re soooo clever!” with sarcasm means the target is really just a dunderhead. *from: * https://www.vocabulary.com/articles/chooseyourwords/irony-satire-sarcasm/

    Zeggen de puristen niet ook: ironie kan alleen als zelfstandig naamwoord worden gebruikt, het bijvoeglijk naamwoord bestaat niet?

    En moest je niet ook ‘Onze God is toch de Beste?’ van Koot en Bie als voorbeeld nemen?

    • Interessante aanvulling, Michiel. Sarcasme vs. ironie was ik niet opgekomen. De geveinsde geveinsdheid waar ik het over had, kom ik overigens niet tegen op die site. Die bestaat wel degelijk. Die andere site kon ik niet openen. Heb ik ironie als bijv. nmw. gebruikt. Niet voor zover ik weet.
      Groet van Jos

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.