Kutvirus

Jawel! Een jaar en negen maanden uiterst voorzichtig geweest – op die keren na dat ik onvoorzichtig was – en een tijdlang in isolatie geleefd en hooguit met kinderen en vrienden buiten afgesproken om een rondje Plas te lopen en de kas van De Eekhoorn te spekken. En dan op het moment dat alles ongeveer is vrijgegeven en je ook weer aan het basketballen bent, toch besmet raken. Maf is dat.
En ik was niet de enige. Je hoort voortdurend om je heen dat mensen die bij wijze van spreken een zenboeddhistisch kloosterleven leidden, ongewenst bezoek hebben gekregen van Covid-19. In mijn geval gebeurde het op een ‘veilige’ plek, café De Wandelaar. Eigenaar Leo is een voorzichtig en verantwoordelijk man. Zonder QR-code kwam je er bij hem niet in. En toch was er op een vrijdagavond een soort van monsteruitbraak, bleek achteraf. Je vraagt je af hoe dat kan. Iedereen dubbel gevaccineerd en toch tegen de tien Covid-gevallen.
Ik had koorts, ik hoestte me kapot, ik had spierpijn, ik was moe. Goddank waren smaak en reuk niet helemaal verdwenen. Een mens is ontheemd als hij zijn eigen zalmpasta niet meer proeft of zijn eigen poep niet meer ruikt. Het is nu ruim twee weken aan de gang en de toestand verbetert langzaam, maar zeker.
Ik heb bijvoorbeeld weer lust om een stukje te schrijven. Die lust was verdwenen, wat me sterk deed denken aan de periode dat mijn boezem zwabberde (hartfibrillatie), waardoor de energie ernstig gekelderd was en ik het benodigde zelfvertrouwen miste om mezelf op de voorgrond te zetten. Ook als je over je eigen schaamte, je eigen zwakte, je eigen domheid wilt schrijven, heb je brutaliteit nodig, en die was weg.
Een van de vervelendste dingen, als je met Covid te maken krijgt, is de onzekerheid, de onwetendheid, de twijfel aan zekere voorschriften. Neem de zelftest. Als je het dubbele streepje hebt, ben je positief, maar, wordt er altijd bij gezegd, je moet je wel ook PCR laten testen. Nou is dat laatste bijna niet te doen. Volgens Diederik ‘Tuurlijk wel’ Ebbinge is er binnen honderd meter altijd wel een testplaats te vinden. Dat zei hij bij Op1, maar het was totale onzin.
Als je je zo beroerd voelt, is het al geen pretje om de deur uit te gaan, maar als je geen auto rijdt en de dichtstbijzijnde locatie is Zestienhoven (Rotterdam-The Hague Airport) komt van dat testen niets terecht. Dan is de vraag of dat erg is.
Na lang zoeken kwam ik erachter dat het niet erg was. Dat bleek uit een onderzoek in Tilburg. Drieduizend mensen die PCR waren getest, hadden een zelftest meegekregen om die twee te vergelijken. Tachtig procent kwam overeen, maar de niet-overeenkomstige resultaten waren in overgrote meerderheid de negatieve resultaten. De positieve resultaten kwamen op een enkele uitzondering na wel overeen. Bovendien had een aantal medebezoekers van De Wandelaar zich PCR laten testen: positief. Dus waarom zou ik me dan naar een testlocatie slepen?
Ik heb net nog een sneltest gedaan: negatief. (Gek genoeg bleek eerder een beetje positief ook te kunnen: een dún tweede streepje.) Ik ben dus positief gestemd. Ik weet alleen niet of ik nu in het vervolg helemaal gevrijwaard ben van dat kutvirus. De onzekerheden blijven.

Bob Frommé

KRRRU!!!

Ik beken, ik was een padvinder. Nu ja, een verkenner. (De verkennerij was de katholieke tak. Naast de rode lelie op de ene borstzak, had de verkenner ook een rood kruis op de andere.) Als een Wereld Jamboree wordt gehouden, een internationale bijeenkomst van boyscouts en girlscouts, zal ik daar niet bij zijn. Ik ben geen hopman geworden, hoe hulpvaardig, trouw, spaarzaam, rein en ordelijk ik ook ben.
Ik heb ooit een documentaire gezien over de padvinderij in Nederland: interviews met oud-padvinders, eigentijdse beelden en archiefbeelden (met de strenge beschermvrouwe koningin Wilhelmina en de vriendelijke beschermvrouwe koningin Juliana, die begiftigd was met de speciale padvindersnaam Movavedo, afkorting voor Moeder Van Vele Dochters). Wat in de film overheerste: de nostalgische terugblik.
Die komt niet overeen met de mijne. De verkennerij was begin jaren zestig nog helemaal hopman Van Roon, die schreeuwend zijn bruine tanden ontblootte als hij de troep in carré liet aantreden: “KRRRU!!!” Gelukkig kon je bij de verkenners ook vaak voetballen, ons clubhuis stond op het terrein van een speeltuin.
De verkennerij was een gouden opleiding in alles wat een mens nodig heeft om in deze wereld te overleven en anderen daarbij te helpen. Zo heb ik door het afleggen van een geheel theoretisch examen in een gebouw nabij de Rotterdamse Parkhaven het insigne ‘loods’ behaald. Daardoor was ik zonder meer in staat grote oceaanstomers de haven van Rotterdam binnen te leiden. Handig als alle volwassen mannen in één klap zouden sterven; er zou dan een elfjarige jongen zijn die de schepen bij Hoek van Holland zou kunnen opwachten. Dat geval heeft zich niet voorgedaan, maar – be prepared – ik was voorbereid.
Met touw en balken een tafel maken of een toren bouwen deed ik graag. En ik nam genietend deel aan de Heilige Mis die aalmoezenier Krempel tijdens het zomerkamp opdroeg op een open plek in het bos. Kathedraaltje van overhuivende boomtoppen, nietwaar.
Minpuntje: de competitie, het opjagen der jonge leeuwen met een puntensysteem. Elke ochtend kwam de leiding in hun te lange korte broeken en met hun harige mannenbenen de patrouilles en hun onderkomen inspecteren. Stond de tent wel strak genoeg, waren de sjorringen niet te slap, was je tandenborstel wel nat. Maar de eerste punten waren te verdienen bij het ochtendappèl. De patrouille die het eerst in het gelid stond, scoorde. Die van hopmanszoon Theo van Roon zat al aangekleed in de tent te wachten op het moment dat een vaandrig het reveil blies.
Vast onderdeel van de kampweek was de lianentocht. Op woensdagavond liepen de verkenners één voor één geblinddoekt langs een touw dat door het bos gespannen was. Onderweg gebeurden vervelende dingen. Je moest blind over de bosgrond kruipen om onder laaghangende takken door te komen en af en toe werd er plotseling in je oor geschreeuwd of een met bladen bedekt stuk zeil onder je weggetrokken. Daarbij voegden zich nog andere onaangenaamheden als gevolg van het steeds groter aantal kwelgeesten langs de route. De oudste verkenners gingen als eersten, de allerjongsten – onder wie ik – als laatsten. Wij konden op strategische plekken een onverwachte duw krijgen van de oudere kameraden zodat we zijwaarts in de brandnetels vielen. (Punt 4 van de Verkennerswet: ‘Een verkenner is een vriend voor allen en een broeder voor alle andere verkenners.’ Punt 8: ‘Een verkenner glimlacht en fluit onder alle moeilijkheden.’)
Wij werden zeer scherp gehouden. Op een dag tijdens een kamp in het Limburgse Gulpen, kwam een van de vaandrigs het terrein oprennen met de opgewonden mededeling dat hij onderweg – hij was aan het fourageren – was aangevallen door een boer. Daar moest tegen opgetreden worden. Wij eropaf.
“Dáár,” wees de vaandrig na enige tijd, “daar gaat hij.” We zagen een paar honderd meter voor ons op de landweg een boer in overall lopen. Hij keek schichtig over zijn schouder – we zagen duidelijk zijn gemene rode kop – en zette het op een lopen.
Ik was als een van de eersten bij hem. Terwijl anderen de boer op de grond wierpen, op zijn rug plaatsnamen en hem in bedwang hielden, begon ik hem ongenadig in zijn lendenen te schoppen. De boer wendde zijn gezicht naar mij toe. Ik zag dat hij vaandrig Peek was. De andere vaandrig, wiens naam ik niet meer weet, had in strijd met de verkennersmoraal onwaarheid gesproken.
De les die ik uit het gebeurde trok, was een andere dan de training in scherpte en gehoorzaamheid die door de leiding beoogd was. Mijn  les: nooit blindelings aanwijzingen opvolgen en zeker niet, als ze tot enorme schuldgevoelens kunnen leiden.
Deze dingen kwamen niet voor in die documentaire. Een ex-hopman keek genoeglijk terug en liet weten dat van drillen geen sprake was. Ja, bij muziekuitvoeringen was hij fanatiek, maar dat moest wel, dat was overal zo in de muziek. Wie slapjes dirigeert brengt slappe muziek voort. “Dat is toch niet militant?”
Een oud-padvindster, die Lady Baden Powell kort na de oorlog nog een gedenkboek had mogen overhandigen, roemde de vormende werking van haar padvindstertijd. Ze had er een gevoel voor ordelijkheid en zorgvuldigheid en ook doorzettingsvermogen aan overgehouden. En nog steeds sliep ze graag in de openlucht.
Eén persoon keek anders terug. ‘Vervangende dienstplicht’ noemde hij de padvinderij. En wat nog erger was: “Ik had een goed contact met de hopman, daar gaan we alweer. Het bleek dat hij er behalve het padvinderschap nog andere hobby’s op nahield. Hij vond het leuk om met jonge jongens te rommelen. Ik dacht dat dat bij het vrije spel in de natuur hoorde. Ik had geen idee.”
Zulk gerommel heb ik goddank alleen van horen zeggen.

Bob Frommé

Dit stuk verschijnt morgen in het tweewekelijkse kwaliteitskrantje Argus.

Rinus van de Earring

Vorige week stond in de Vara-gids een interview met Rinus Gerritsen. Onnodig te zeggen dat hij de bassist was van Golden Earring en onnodig te zeggen dat het een leuk interview was. Hij vertelde dat de Earring ooit optrad in hetzelfde tv-programma als The Who en dat die gasten niet alleen hun T-shirts met verkeersbordenopdruk aantrokken, maar ook strakke broekjes, waarin ze handdoeken propten om een gevuld kruis te suggereren. En dat was maar één van de vele verhalen.
Ik luister liever naar muzikanten dan naar schrijvers. Als je fijne anekdotes wilt horen, moet je bij een muzikant zijn. Wat een schrijver meemaakt, maakt hij mee in zijn hoofd terwijl hij aan zijn schrijftafel zit. Een muzikant gaat de wereld in, maakt contact met de medemens, beleeft avonturen.
Er is nog een groot verschil. Schrijven is een particuliere worsteling, muziek maken is een sociaal gebeuren van heb ik u daar. Daar komt bij dat de schrijver op allerlei nauwelijks uit te leggen technische problemen stuit, terwijl de muzikant technische problemen heeft die goed uit te leggen zijn. Het is heerlijk een gitarist te horen vertellen waarom de Dimarzio Dp191-bk Air Classic Bridge Humbucker Black zo fantastisch klinkt. En een bassist kan je duidelijk maken waarom zijn verveloze Precision uit ’63 met zijn zompige geluid zo veel beter past bij de harde punt van de moderne bassdrum dan zijn fonkelnieuwe Lakland.
Maar het belangrijkste verschil tussen muzikanten en schrijvers is dat muzikanten veel minder last hebben van kinnesinne en opgewekter zijn dan schrijvers, al zal men tevergeefs zoeken naar het zelfhulpboek Leven is lachen met medewerking van Ian Curtis en Kurt Cobain.
Rinus Gerritsen beantwoordt helemaal aan het bovengeschetste opgewekte profiel van de muzikant. Dat wist ik al, doordat ik hem een keer langdurig geïnterviewd zag worden in het bovenzaaltje van een café. Hij kon op een natuurlijke manier namen laten vallen omdat een internationale band als de Earring nu eenmaal op grote namen stuit. In een club in New York spelen en dan links vooraan Janis Joplin zien zitten, de legendarische jarenzestigzangeres met de geweldige krijsstem. En dan na afloop iemand op je af krijgen die Chas Chandler heet. Je moet een zekere leeftijd hebben om dan te roepen: “De bassist van The Animals! En de manager van Jimi Hendrix!”
Rinus vertelde, daartoe uitgenodigd, dat Chandler een bassist nodig had voor Jimi en of hij, Rinus, daar interesse in had. Maar ja, hij zat in de Earring en weinig mensen wisten toen hoe groot Hendrix was of nog zou worden. Mooi als je zoiets kunt vertellen.
De Earring werd almaar groter in Amerika. Ze promoveerden van voorprogramma tot special guest en na de hit Radar love tot hoofdact. Toen Little Feat, de beste band ter wereld volgens Frommé, bij de Earring in het voorprogramma stond, is Barry Hay nog naar hun kleedkamer gegaan om zich voor die volgorde te verontschuldigen.
Veel later, toen Hendrix in The Band of Gypsys speelde, ontmoette Rinus diens drummer, Buddy Miles. “Er kwam een grote neger op me af, die me zo hard omhelsde dat ik het er benauwd van kreeg. Hij dacht dat ik Neil Young was.”
Nu de Earring is opgehouden te bestaan door de tragische ziekte van George Kooymans, blijft Rinus muziek maken, onder andere in een Hendrix-coverband. Ook dat vertelde hij in de Vara-gids.

Bob Frommé

Dino’s en varkens

“Jongen en meisjes. en alles wat daar tussen zit of buiten valt, pak allemaal je boek erbij, we gaan het vandaag over economie hebben, over geld. Als je geld hebt, kun je dat uitgeven, maar je kunt het ook vasthouden. Dat noemen we… juist ja, sparen. Waar zet je de grote bedragen vast? Op… de… bank, ja. Maar waar laat je je kleingeld? In je portemonnee, natuurlijk, maar als je heel veel muntjes hebt, dan doe je die in een… hoe zal ik het zeggen, een ding waar niet iedereen blij mee is.” (Tekent het op het bord.) “Zo staat het in het leerboek, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen daar even blij mee is. Wie? Rashid, jij.”
“Dat is een spaarvarken, meneer. Is niet goed. Varkens zijn onrein, varkens zijn haram.”
“Ik begrijp je volkomen, Rashid. Daar moeten wij als meesters en juffen rekening mee houden. Eens even denken. Als we van dat varken nou eens een olifant maken? Een spaarolifant. Is dat een idee? Ik zal het opsturen naar de mensen die onze leerboeken maken. Dan komt het wel goed.”
(Tekent op het bord een olifant met een gleuf in zijn rug. Gelach, geroezemoes, geroep: “Ja, meneer, dat is goed! En eigenlijk leuker dan een varken!”)

We verplaatsen ons nu naar een andere basisschool. De juf neemt het woord. “Hallo allemaal! Hebben jullie er wel eens over nagedacht waar alles op aarde vandaan komt? Wie heeft dat ooit gemaakt? Jij, Jacob. Juist ja, God. Die heeft alles geschapen. In zeven dagen. Nou ja, eigenlijk zes, want op de zevende dag hield Hij rust. Dat had Hij ook wel verdiend, vinden jullie ook niet? Als ik zeg dat God alles geschapen heeft, bedoel ik ook ALLES. Van het kleinste miertje tot de grootste dinosaurus, en ons, de mensen, natuurlijk. Wat je nou vaak over dinosaurussen hoort, is dat ze miljoenen jaren geleden geleefd hebben. Is dat echt zo? Jacob?”
“Ik ben met papa en mama een keer in Amerika geweest, juffrouw, en daar hebben ze een museum, in Kentucky, zo heette die stad. Het Krie-jeesjun Mjoezie-jum en daar heb ik plaatjes gezien van mensen die samenleefden met dinosaurussen. Dat klopt, want God heeft alles in één keer geschapen.”
“Heel goed, Jacob. Maar in ons leerboek staan allerlei plaatjes van dino’s. En dan moeten wij denken dat die dieren ver voor de mens zijn geschapen en zijn uitgestorven voordat wij kwamen. Dat is in strijd met het Woord. Ik zal de mensen die onze leerboeken maken een brief schrijven om te vragen of ze die plaatjes weg willen halen. Dan komt het wel goed.”

Het bovenstaande is uit het leven gegrepen. Schoolboekenuitgevers (omzet: honderd miljoen euro per jaar) houden wel degelijk rekening met ideeën in islamitische en reformatorische kring. Dus die spaarolifant is werkelijk gebruikt en plaatjes van dino’s zijn uiterst schaars, zoals je ook vrijwel vergeefs – de NRC wees daarop – zult zoeken naar plaatjes van mensen op kermissen of vrouwen in bikini, of passages over homoseksualiteit. Daar rust Gods zegen namelijk niet op en die van Allah evenmin. (Maar ook verhalen over een vakantie in Frankrijk liggen moeilijk, want niet alle kinderen gaan op vakantie naar Frankrijk.) Daarom geven schoolboeken vaak een gekuiste en dus verdraaide versie van de werkelijkheid, en dat onder het mom van ‘rekening houden met gevoeligheden’.
Het is dat de platte-aardegelovers, gebedsgenezers en holocaustontkenners te gering in aantal zijn, anders zouden de schoolboekenmakers daar ook nog een mouw aan weten te passen. Ze zijn de pluimstrijkers van het Bijzonder Onderwijs.

Bob Frommé

Iets onvergeeflijks

Als je niet zo’n dikke nek hebt als Mart Smeets, is een publiek optreden geen sinecure. Mensen kijken naar je, terwijl jij iets moet doen wat zij hopelijk willen zien. Jij presteren, zij waarderen. Maar waar haal je het zelfvertrouwen en de moed vandaan? Wie denk je dat je bent?
Sommige mensen hebben dat zelfvertrouwen ogenschijnlijk vanzelfsprekend, ook zonder een uit zijn voegen barstend ego. Ik heb eens op Vlieland een grotendeels geïmproviseerd optreden gezien van Joris Lutz en Mike Boddé. Ze hadden nauwelijks voorbereidingstijd gehad, omdat Boddé zich moest bekommeren om zijn doodzieke vader. En op de veerboot vanuit Harlingen had hij te horen gekregen dat zijn vader was overleden. En toch een optreden dat in al zijn losheid stond als een huis. Ik vond het verbluffend knap. En benijdenswaardig.
Ik treed soms op, maar ik ben geen Smeets, gelukkig, maar helaas ook geen Joris of Mike. Ik moet het hebben van de vorm van de dag. Soms kan een blik op het publiek al genoeg zijn om de zenuwen de baas te worden en een zekere vrijheid en ontspanning te voelen of zelfs je brutaalste zelf te zijn. Maar het spant erom.
Vorige week trad ik met mijn muzikale wederhelft Theo – we zijn het akoestische duo Blind Vertrouwen – op in Burgh-Haamstede. De locatie was een kleine, gerestaureerde ‘bewaerschole’, die nu dienst deed als galerie – een mooie, lichte, kapelachtige ruimte. Ik had die nacht wegens de onderhuidse spanning belabberd geslapen en had er dus een hard hoofd in. Maar zie, na mijn openingspraatje voor het publiek van zo’n veertig welwillende mensen gingen we los, en met verve. Het ging gewoon hartstikke goed.
De ideale toestand is: dingen doen die je niet van tevoren heb bedacht, omdat je je volkomen vrij voelt. Zo inspireerde de hoge, hol klinkende ruimte me tot het zingen van een stukje Gregoriaans (‘Gloria, laus et honor tibi sit, Rex Christe Redemptor’). Het sloeg eigenlijk nergens op en toch was het passend en juist.
De interactie tussen Theo en mij liep heel goed, beter nog dan anders. Als de spanning groter is, kom je daar veel minder aan toe. Maar die ontspanning had kennelijk ook een keerzijde. Het zangertje begon zich groot en sterk te voelen, de koning in dit kleine rijk. En vanuit die eigenwaan deed hij iets onvergeeflijks.
We speelden een lekker, ironisch rock&roll-deuntje dat kon slaan op politici wie het naar de bol is gestegen: Ik stem op mij (refrein: Ik wil het en ik kan het, geef mij de heerschappij/ Ik doe en ik zal het, ik stem op mij). Aan het eind hoort een break te komen waarin nog één keer Ik stem op mij moet klinken. Maar Theo vergat die break en speelde door, waarop ik – en nu komt het – mijn hand op zijn snaren legde. Een doodzonde, natuurlijk.
Wat ik deed, gebeurde in het zicht van iedereen. Een heterdaadje. Goddank kon Theo zich er snel overheen zetten, waarvoor ik hem zielsdankbaar was. Zo kwam het toch nog goed met dat optreden, maar het schuldgevoel was immens.

Bob Frommé

De stem van Martine

Martine Bijl is er niet meer, helaas, maar haar stem is in zekere zin niet verstomd, gelukkig. Haar man, Berend Boudewijn, heeft een keuze gemaakt uit haar ontzettend diverse nagelaten werk. Daar is een boek van gekomen met de titel Van dit en dat en van alles wat (een uitdrukking van Martine zelf). Heerlijk boek.
Ik was dol op Martine. Ik heb haar meermalen ontmoet, ook een keer als interviewer, en we hadden ‘gezellig’ (Martine) mailcontact. Ik heb haar zelfs ten huwelijk gevraagd. Nu ja, niet echt, natuurlijk. Ik schreef, nadat zij had geconstateerd dat we allebei een beetje hysterisch waren (‘En is dat dan niet juist ook wel weer fijn?’): ‘Over hysterisch gesproken. Het is dat ik een hemelse liefde beleef en jij een goed huwelijk hebt, anders zou ik je een aanzoek doen. (Je moogt gerust lachen.)’ Gelukkig begreep ze wat het was. Ze schreef terug: ‘Ik lach niet. Ik ben gevleid. En ik dank U voor de vriendelijke woorden.’
Ik wil maar zeggen dat ik enigszins bevooroordeeld aan dat boek begon. Maar ik zal flink wat citaten geven, waardoor de lezer zelf de stem van Martine kan horen om te bepalen hoe bijzonder die is.
Haar boek bestaat onder meer uit dagboeken over haar verregaande bemoeienissen met musicals (een vertaalster doet zo veel meer dan vertalen), liedvertalingen, jeugdherinneringen, een novelle, een toneelstuk, e-mails, kolderversjes en brieven van een hond.
Die musicaldagboeken geven niet alleen inzicht in het hele proces van musicals produceren – extra interessant voor deze ex-musicalrecensent – ze geven soms ook lekker af op regisseurs en creatives:
‘We hebben vanmiddag nog gelezen dat ’t een aard had. (Nadat Robert Falls een dik uur over zichzelf en zijn onuitwisbare invloed op Aida en het wereldtoneel in het algemeen, in het bijzonder op zijn goede vriend Shakespeare, had gesproken.) Alle Amerikanen, en tevens Jan-Eric, hebben hun piems laten zien aan de blonde vertaalster – en de blonde vertaalster heeft naar behoren gejubeld over de grootte ervan.’
Joop (van den Ende, samen met zijn Janine ‘Clinton & Hillary’) wilde haar overhalen de vertaling van Mamma mia! te maken. Dan zou ze wel mee moeten naar een bijeenkomst in Londen:
‘Ik hoefde niet de garantie te geven dat ik de hele show zou vertalen, als ik nou in GODSNAAM maar zou gaan en als het moest dan mocht ik met de Privéjet!! Ik heb gezegd dat ik hem graag ter wille was, met dien verstande dat we dan later geen gezeik krijgen als ik nee zeg. En dat ik een bontjas wilde van een bedreigde diersoort. Kwam in orde.’
Martine had onderweg de nodige problemen bij die musicals, maar soms kreeg ze ook complimenten:
‘Aan Tracey Corea had ik mijn poppenboek gestuurd. Die kon niets anders meer uitbrengen dan dat ik the most talented person in the world was, en dat de poppen naar Amerika moesten, en dat de teksten soms wel beter waren dan het origineel.’ En dan dit zinnetje: ‘Ja, ik schrijf het allemaal maar op, want later durf ik het me nooit meer zo te herinneren.’
Die dagboeken zijn geweldig, maar ook de novelle en het toneelstuk zijn dat. Van dit en dat en van alles wat is net zo veelzijdig als Martine zelf: zangeres, cabaretière, actrice, presentatrice,  poppenmaakster (briljant, zij het niet zo bekend), vertaalster en schrijfster, en dat alles met volledige inzet en op hoog niveau. En ze was, zoals ik eerder schreef, hartelijk, krachtig, slim, geestig, mooi. Nee, zo’n vrouw vindt men, misschien op een enkele uitzondering na, op den geheelen wereld niet.

Bob Frommé

Stukjes

Op het vorige Dekens laken sloop kreeg ik twee mooie reacties. Een poëzievriend stuurde de volgende limerick, waaruit bleek dat iemand al veel eerder dan ik – zo’n zestig jaar eerder – op die lakende dekens was gekomen.

Bedsermoen

Toen de deken der Domkerk te Aken,
deskundig in wereldse zaken,
werd gevraagd of een zoen
aan de ziel scha kon doen
bleek de deken ’t kussen te laken.

John O’Mill

En een vlekkeloos Nederlands sprekende Noord-Ierse stuurde een volgens eigen zeggen oude grap, die enige kennis van het Engels vereist. Die begint zo: een psychiatrische patiënt ontsnapt uit een inrichting, gaat naar een wasserette en verkracht een aantal vrouwen. De politie komt, maar de man ontsnapt. De volgende dag staat in de krant de volgende kop: NUT SCREWS WASHERS AND BOLTS. We betreden hier de wereld van de moeren, schroeven en bouten. Maar wat zijn dan washers? Ik heb het opgezocht: sluitringen.

*******

Wijlen mijn schoonvader placht monter te zeggen: ”Mijn leven is een aaneenschakeling van teleurstellingen.” Mijn variant: mijn leven is een aaneenschakeling van gemiste kansen. En dan heb ik het niet eens over de liefde. Nee, ik had twee jetsers kunnen hebben, als ik er maar wat mee gedaan had. (Een jetser, dames en heren, is een hit.)
Tijdens de opkomst van de house-muziek zag ik wel heil in een nummer dat uitsluitend zou bestaan uit – doef-doef-doef – doordreunende house, slechts onderbroken door een luide kreet uit vele kelen: ‘Doortrekken!’ en het bijbehorende wc-geluid. Uitvoerende artiest: de formatie Shithouse. Coupletten overbodig. Niks mee gedaan, helaas.
Je ziet steeds vaker dat ov-passagiers geen mondkapje dragen. Dat vroeg om het volgende refrein: ‘Hé wappie, waar is je kappie?!’ Daar moesten misschien wel coupletten bij. Eenvoudig te doen met rijmparen als mond/ongezond, dwaas/helaas en Covid-19/Wie niet weg is, is gezien. Maar het is een beetje mosterd na de maaltijd en leuker dan Tebbie nou op je muil? van Richard Groenendijk kon het niet worden.

*******

Druk gezien, een prachtige film van Thomas Vinterberg. Gaat over vier leraren die de weldadigheid van alcohol uitproberen, met soms rampzalig gevolg. Het is een Deense film en hij heet Druk. Druk? Ja, druk, het is af en toe een druk gedoe in die film, maar Druk is hier een Deens woord, te vertalen met Drinkgelag. Waarom dat Deens handhaven? Leidt in dit geval zelfs tot een misverstand. (Denk hier aan een Engelstalige film die Beer of Trees heet en die niet gaat over een grizzly of een Hollands meisje dat met een Canadees trouwt, maar over bier en bomen.)
Druk heet in de Engelstalige wereld overigens Another round. De Belgen hebben krankzinnig genoeg ook gekozen voor een Engelse titel: Drunk. Konden niet op het woord dronken komen.
Ik zou zeggen: laten we proosten op Drinkgelag en de druk aan de Denen overlaten.

*******

In de jaren zestig werden de titels van films, zoals nu nog steeds van boeken, netjes vertaald. The longest day werd gewoon De langste dag, The Phantom of the opera Het spook van de opera etc. Ongeveer een decennium later wilde de Nederlander kosmopolitisch zijn en werden filmtitels onvertaald gelaten, ook als ze Frans, Spaans of Italiaans waren. Dan kreeg je Il pianeta azzurro. De azuren piano of toch De blauwe planeet? En iedereen wist kennelijk dat Le genou de Claire over de knie van Klaartje ging. Nederlands waren vanaf die tijd alleen nog de titels van kinderfilms of van – allang overbodig geworden – softpornovehikeltjes als Vrolijke vluggertjes in Tirol en Kom met je waldhoorn tussen m’n Alpen.

Bob Frommé

Dekens laken sloop (4)

Het is een oeroud grapje: ‘Appel: Citroen? Zo’n peer.’ (Karel Appel over collega-schilder Paul Citroen.) Het is te beschouwen als de voorloper van DEKENS LAKEN SLOOP, de kop boven een bericht over geestelijken die zich uitspraken tegen de sloop van een kerk.
Ik tekende meer van zulke berichten op, zoals: SPRUITEN RAPEN KOOLTJES, over kinderen die in de verlaten mijnschachten van de Borinage op zoek moesten naar bruikbare brandstof. En: BESSEN PRUIMEN MANDARIJN, over een bejaardentehuis waar de oude vrouwen zich met plezier bezighielden met lessen Chinees, hun gegeven door een medebewoonster die sinologie had gestudeerd.
Maar de zoektocht ging verder. Zie hieronder.

Alkmaar – Bewoners van het bejaardentehuis De Volle Aandacht zijn meermalen opgeschrikt door incidenten in hun directe omgeving. Wie achter zijn rollator een ommetje maakt, loopt het risico te worden aangevallen door straatjeugd die nauwelijks ouder is dan twaalf jaar en zich de Bende van de Ouwe Sok noemt. De directie maakt zich ernstige zorgen: “De toestand is onhoudbaar, ook voor het personeel. Ik geef het je te doen: steeds maar weer die volle luiers van doodsbange bewoners verschonen.”

Het plaatselijke huis-aan-huisblad LokaalTotaal bedacht een treffende kop boven dit bericht: BROEKJES PAKKEN SOKKEN.

En dan nu een bericht over onrust in adellijke kring, waar de hiërarchie nogal eens tot scheve ogen leidt.

Den Haag – Een comité van adellijke personen heeft de Regering een petitie aangeboden, waarin zij zich beklagen over de voorkeurspositie van de hogere echelons in de adel. Woordvoerder Hendrik Markies van Heerwaarden thoe Kolfschoten: “Wij kunnen ons niet langer verenigen met de privileges die aan hertogen en prinsen ten deel vallen. Aan deze afschuwelijke toestand moet en zal een einde komen!” De petitie werd in ontvangst genomen door Ankie Broekers-Knol, die spontaan In Den Haag, daar woont een graaf aanhief.

De Haagse Courant zette er deze enigszins tendentieuze kop boven: MARKIEZEN BLIND VAN JALOEZIE

Over het ongenoegen van dierenbeschermers bereikte ons dit bericht aangaande de afnemende wildstand in het Limburgse.

Berg en Terblijt – De dassenpopulatie in ons mooie Limburg neemt zienderogen af door nietsontziende stroperspraktijken. Daartegen komen vertegenwoordigers van de Dierenbescherming in het geweer. “De das is nog maar net terug van weggeweest,” aldus een woordvoerder. “En nu wordt de soort alweer bedreigd. Het lijkt erop dat de das de korenwolf achterna gaat. En tegen de stropers zeg ik: Doe kóns hoeag en lieëg springe, ’t moog neet!

Het Belang van Limburg bedacht deze kop: STRIKKEN STROP DASSEN.

In dezelfde sfeer is de ophef over verboden jachtpartijen rond het dorp Doel, nabij Antwerpen. De schepen van die stad (wethouder, zouden wij zeggen) heeft daar uitgesproken ideeën over.

Antwerpen – Bewoners van Doel worden ’s nachts geregeld opgeschrikt door het geknal van geweerschoten. Verantwoordelijk bestuurder, schepen Raymond Luyckxs, heeft een tirade gehouden die er niet om liegt: “Wat mij betreft worden die jagers zelf afgeknald. Excusez le mot.” Luyckxs heeft assistentie van het leger gevraagd.

De Gazet van Antwerpen wist daar wel raad mee: SCHEPEN UITGEVAREN TEGEN JACHT.

Tot zover deze berichten. Wij blijven ter zake diligent.

Bob Frommé

P.S. Ons checking department heeft vastgesteld dat de stad Alkmaar inderdaad beschikt over een bejaardentehuis met de naam De Volle Aandacht.

Romdram

Je hebt de romantic comedy, kortweg romcom genoemd. Je hebt ook het romantic drama, dat bij dezen wordt afgekort met romdram. Zowel de romcom als het romdram drijft op clichés. In de romcom doet Hugh Grant mee of Julia Roberts of allebei. De romcom loopt goed af, het romdram niet. In beide genres doen strijkerssecties mee.
Het eerste cliché is: bekende filmacteur met goed gelukt uiterlijk krijgt iets met bekende filmactrice met goed gelukt uiterlijk.
Stel, je hebt een romcom of romdram dat in de middeleeuwen speelt. Dat genre heeft zijn eigen clichés. Geen film over de middeleeuwen zonder varkens in de modder, kinderen met vuile gezichten, vuren, rook boven het land en een herbergscène. (Ook in de serie Peaky Blinders – jaren twintig – gaat geen scène voorbij, of er brandt op straat ergens ten minste één walmend vuur.) In die middeleeuwse herberg zitten baardige mannen enorme kippenbouten of varkensdijen te eten dat het vet hun langs de kin druipt. Ze drinken enorme pullen bier en als de dienstmaagd langskomt, slaat een van de mannen haar hard op de kont, waarna allen uitbarsten in een bassige lach: “Hohohoho!”
In één van de eerste scènes rijdt een ridder het dorp binnen op zijn prachtige paard. Vroeger herkenden we in hem dadelijk Rutger Hauer, tegenwoordig zien we dat het Fedja van Huêt is of Barry Atsma of Thijs Römer. In het volk dat langs de weg staat, herkennen wij tussen alle figuranten het gezichtje van Anna Drijver, Carice van Houten, Anniek Pheifer of, wat sinds Nova Zembla ook kan, Doutzen Kroes, al was dat haar enige filmoptreden. (Talent schijnt toch nog een rol te spelen.) Wat denken jullie, jongens en meisjes? Zal Fedja, Barry of Thijs Anniek, Carice of Anna krijgen, of wordt het één van die andere, onbekende, veel minder knappe types?
Op Netflix heb je Up close & personal uit 1996, een romdram. (Niet aan te bevelen.) Speelt in de wereld van het tv-nieuws. Wie is de oude rot in het vak? Robert Redford zelf! En wie komt aankloppen voor een baan bij het nieuws? Allemachtig, dat is Michelle Pfeiffer! Zouden die twee elkaar krijgen?
Even denken, hoor. Eh jawel, maar zoiets duurt een tijdje in zowel de romcom als het romdram. Er ligt geen diep water tussen de koningskinderen, zodat zij bij malkander niet kunnen komen, maar een hinderlijk obstakeltje hier en een wrijvinkje daar zorgen voor enig oponthoud. Maar dan ontbrandt toch de liefde en barst de strijkerssectie los, waardoor je de tranen over de wangen lopen, als je daar gevoelig bent en de boel niet verpest door “Ja hoor, daar hebben we de violen!” te roepen.
Redford wil nog één keer iets groots doen in de nieuwssfeer en reist naar Zuid-Amerika, hoewel Pfeiffer hem liever bij zich had gehouden. “Wil je me niet zien?” vraagt zij. Hij vindt haar prachtig, misschien zelfs godsgruwelijk prachtig, en hij zegt: “Zo veel dat het pijn doet.” Mooi, hè? Dat hebben wij romantici ook vaak genoeg gezegd.
Maar hoe gaat het nu verder? Let wel, dit is een romdram. Allen: “Hij gaat dood! Hij raakt ten minste zwaar gewond.” Inderdaad, Robert in hinderlaag, Robert dood. We krijgen onze zin, en daar gaat het maar om in een romdram of romcom.

Bob Frommé

Fragmenten (3)

Karel deed het (ja, Van het Reve), ik doe in navolging hetzelfde: kleine stukjes samenvoegen tot een uiteenlopend geheel, en dat noem je dan Fragmenten. Kom er maar in, Bob.

Waar is Theo Hiddema als je hem nodig hebt? Hij is er wel, maar hij doet niks om zijn vileine, leugenachtige, losgeslagen kompaan Baudet op diens misstappen te wijzen. Hiddema lijkt me geen idioot, maar hij verdedigt Baudet op Twitter als die weer eens Nederlanders in coronatijd vergelijkt met joden tijdens de oorlog. Als mensen daar bezwaar tegen maken, twittert hij: ‘Daar gaan we weer!’ Dat moet Theo niet doen.

Wat is het verschil tussen Fries en Limburgs? Daarop zijn verschillende antwoorden mogelijk. Fries is speelgoed-Nederlands dat vrij aardig te begrijpen is, Limburgs speelgoed-Duits dat niet te verstaan is. Fries wordt een officiële taal genoemd, Limburgs een dialect. (Een Fries die elders in Nederland voor de rechter staat, mag een tolk eisen.) Maar er is nog een ander antwoord mogelijk. Friezen en Limburgers zijn dol op de letter j, maar er is een curieus verschil. De Limburger zet hem op plek twee in een woord, de Fries op plek drie. Een Friese sterfkamer is – de j op drie – een stjerkeamer, een Limburgse snijboon is – de j op twee – een sjnieboean. Ik ga daar maar eens een proefschrift over schrijven.


Ik ben een Pietje Precies (of een pietlut, zoals je ook kunt zeggen) als het op taal aankomt. Ik slijp scherp, zift muggen en neuk mieren. Iemand moet het doen. In mijn appjes staan komma’s en hoofdletters. Ik maak me zelfs druk om de stand van de apostrof. Bij een beginnend aanhalingsteken wijst in Word het kringeltje linksboven naar rechts (‘), afsluitend rechtsonder naar links (’). Dat zie je ook in kranten en romans. Op Facebook en in WordPress kennen ze dat verschil niet. Maar je hebt constructies als ’s morgens. Daar zit het kringeltje rechts, hoewel de apostrof hier het beginteken is. Je moet je best doen om dat in Word voor elkaar te krijgen: de eind-apostrof aanmaken, die een spatie opschuiven en dan de s van ’s morgens tikken. Dan staat-ie goed. Het is een afwijking.

Een niet op zijn achterhoofd gevallen persoon (in wie wij schrijver dezes herkennen) moet toch af en toe tegen zijn voorhoofd slaan wegens zijn eigen domheid. Als een bezoeker bij mij thuis een koffie wil, krijgt hij die. Ik zet zijn kopje, dat sprekend lijkt op het kopje dat ik zelf gebruik, onder de koffiemachine en ben stomverbaasd dat zijn kopje veel voller is dan het mijne. En dat gebeurt vaker, als er bezoek is. Die machine kan toch niet weten dat hij voor een ander dan het baasje koffie aan het maken is? Het is een wonder. Totdat iemand zei: “Als je nou eens met een maatbeker…” Ik goot het volle kopje water van de bezoeker leeg in het mijne en ja hoor, het water stond een stuk lager. Dat was het moment om tegen mijn eigen voorhoofd te slaan.

Hoe we erop kwamen, weet ik niet meer, maar mijn basketbalvriend Pim wees me op unieke namen in zeker voetbalelftal. Het ging om Excelsior in het begin van de jaren zeventig. Niet alleen heette de doelman Bram Geilman, op het veld stonden ook Thijs Kwakkernaat en Wim Meutstege. Dat had zelfs Bordewijk niet kunnen verzinnen.

Bob Frommé

Mooie woorden

Het is een typisch Nederlandse eigenaardigheid een lage dunk te hebben van de eigen taal. Nederlands zou duf en lelijk zijn en ongeschikt voor liedteksten. Nee, dan de Engelsen. De treffende uitdrukkingen waarmee daar wordt rondgestrooid, daar kunnen wij Nederlanders met onze clichés niet aan tippen. Ik zeg: onzin, mensen. Weg met dat minderwaardigheidsgevoel.

Ik heb bij wijze van kleine kruistocht mooie Nederlandse woorden en uitdrukkingen bij elkaar gezocht, die, als een Engelsman ze – letterlijk vertaald – zou gebruiken, door veel Nederlanders enorm origineel en grappig zouden worden gevonden.

Hier hebben we het niet over ‘mooie’ woorden als liefde en weemoed. Dat zijn mooie begrippen. Nee, het gaat om treffende woorden en uitdrukkingen, waarvan we door het veelvuldige gebruik niet meer zien hoe treffend ze zijn. Daarvoor moet je er even bij stil staan. Hier is die eindeloos uit te breiden, toevallig samengeworpen verzameling, waaronder – zeg ik er maar bij – ook exemplaren die niet letterlijk te vertalen zijn. Het zijn er op de kop af zestig:

Achterklap

Afknapper

Amehoela

Bar en boos

Bliksemstraal (donderse jongen)

Bofkont

Borrelpraat

Boze tongen

Brekebeen

De bui voelen hangen

De gebeten hond

De hort op

De mond vol hebben

Doorgestoken kaart

Dwaalweg

Een en al oor

Een gelopen koers

Ene

Flierefluiter

Gevleugelde woorden 

Harde dobber

Heilige verontwaardiging 

Het veld ruimen

Hij wel!

Hoofdbrekens 

Hooggestemd 

IJlhoofdig

In het water gevallen

Intuinen

Jandoedel

Katvanger

Kippeneind

Kleddernat

Kletsmajoor

Klinkklaar

Kopjes geven (een stuk van Karel van het Reve heeft mij meegegeven dat het Russisch, Engels, Duits en Frans die uitdrukking niet hebben, al wrijven Russische, Engelse, Duitse en Franse katten ook met hun kopjes tegen ons aan)

Lariekoek

Meneertje Koekenpeertje

Nee maar

Ogen en oren tekortkomen

Ogen uitsteken

Op je neus kijken 

Opsteker

Pietluttig 

Pineut

Poeha

Poespas

Reken maar van Jetje

Rooskleurig

Schoonheidsfout

Slopend

Strohalm (de laatste)

Tuthola

Uit de lucht gegrepen

Uit het veld geslagen

Van Lotje getikt

Venuskuiltjes 

Voor spek en bonen 

Wel? (Rotterdams: Nou en?)

Zweepslag (als in spierscheuring)

Enzovoort, et cetera en zo verder

Nee, dat Nederlands van ons doet niet onder voor welke taal dan ook. Geloof mij. Ik ben niet achterlijk. Of wat je ook kunt zeggen (nummertje 61): laat mij maar schuiven.

Bob Frommé

Corps

Die ontgroening weet wat. Voor de zoveelste keer komt naar buiten dat aankomende studenten extreem worden vernederd, geschopt en in elkaar geslagen, althans door ouderejaars bij het corps. Lekkere jongens, die het nog ver zullen brengen.
Nog niet zo heel lang geleden hoorde ik in alle vroegte op een station een redeloos gebrul. Het kwam uit tientallen kelen. Voetbalsupporters! Maar zo vroeg al? Nu zag ik vanuit de trein de mannen lopen. Ze droegen geen sjaals en geen toeters. Ze brulden alleen, een laag, hol geloei, waarin geen woorden te herkennen waren.
De mannen liepen in een langgerekte groep over het perron richting de uitgang, zodat het gebrul lang aanhield. Ze waren jong en tamelijk goed gekleed. Ik zag nu wat die jongens waren: studenten. Die kunnen ook brullen. Hooligans en de vermeende elite hebben dezelfde houding: schijt aan alles. Die studenten moesten aankomende corpsballen zijn die op bevel van een ouderejaars verplicht waren langdurig te loeien.
Ja, dat is lachen. Er gaat niets boven studentenhumor. Zo zag ik ooit een foto van geknielde jongens onder een Amsterdamse  spoorbrug, die met slaapzakken over hun hoofd werden afgeblaft door ouderejaars. Voorbijgangers schrokken zich kapot, omdat het inwijdingsritueel er zo angstaanjagend uitzag.
In de jaren zeventig woonde ik in ‘de roetkapkamer’, een lang, hoog vertrek met lambrisering in het landhuis Nieuw-Amelisweerd, in een bos nabij Utrecht. In 1965 was een jonge student, jonkheer David Rutgers van Rozenburg, aan een strenge ontgroening onderworpen door het adellijk dispuut Tres. Hij kreeg een roetkap opgezet die niet behandeld was met het ‘veilige’ steenkoolroet, maar met petroleumroet, waardoor hij stikte. Volgens de overlevering was die jongen ontgroend op het landgoed Amelisweerd en meer in het bijzonder in het toen leegstaande landhuis en nog meer in het bijzonder in mijn kamer.
Sommige andere bewoners in dat huis hadden schrik van die plek en er werd zelfs beweerd dat vanuit het holle van die kamer geluiden waren gehoord, ook toen hij nog niet was bewoond. Ik ben er wel eens geschrokken van een idioot grote spin vlak boven mijn hoofdkussen, maar de dode student heeft mij nooit bezocht.
Het nieuws over Amsterdam en vandaag ook weer over Groningen vermeldt geen doden, maar wel gewonden. Ik vermoed dat de daders dezelfde sadistische inslag hebben als sommige verkenners die ik heb mogen meemaken. Verkenners (katholieke padvinders) gaan elk jaar op kamp. Ik ging mee als groentje.
Vast ritueel: de lianentocht. De leiding had op de woensdagavond een touw door het bos gespannen waarlangs de jongens geblinddoekt moesten voortlopen of -kruipen, de jongsten als laatsten. Onderweg joegen oudere verkenners die jongsten schrik aan door plotseling in hun oor te brullen of een met bladeren bedekt zeiltje onder ze weg te trekken. Sommige oudere verkenners gingen een stap verder. Die hadden er, gedekt door de duisternis, schik in de jongsten tegen een doornstuik aan te duwen of in de brandnetels te gooien.
Geef mannen de gelegenheid straffeloos gewelddadig te zijn en er zullen altijd types zijn die daar dankbaar gebruik van maken. Dat gebeurde bij de verkennerij en gebeurt – structureler en heviger – bij de welopgevoede heren van het corps.

Bob Frommé

Fragmenten (2)

Opruiming! Alles moet weg! En het kost geen cent. In navolging van Karel van het Reve maak ik een tweede aflevering van Fragmenten, dingen die te klein zijn om een hele column aan te spenderen, maar die ik ook niet aan de vuilnisman wil meegeven. Daar komen ze.

Ouder worden (bedoeld wordt: in leeftijd toenemen) gaat in stappen. Ik noem er drie, afgezien van het Grote Kwakkelen.
A) De eerste keer dat je op straat wordt aangesproken met meneer. Dat is ontegenzeggelijk een flinke mijlpaal. Het overkomt je als je tegen de dertig loopt.
B) De eerste keer dat je geluid maakt, terwijl je bukt om iets van de grond te rapen. De Schotse komiek Billy Connolly wees daar al op. Dat overkomt je niet lang na de gezegende leeftijd van veertig.
C) De eerste keer dat je niet meer in staat bent staande en zonder houvast een lange broek aan te trekken. Zittend is er geen kunst aan. Nee, staand en desnoods hinkelend op je standbeen terwijl je dat andere been in de pijp wurmt. Ik voel het moment naderen dat me dat niet meer lukt. (Gelukkig kan ik nog steeds tijdens het basketballen de bal van flinke afstand – Joris Driepunter – in het netje laten ploffen.)

Dromen kunnen heel ingewikkeld zijn. Wat nu volgt is een droom in een droom in een droom.
Ik droomde dat ik in een vreemde stad mijn kinderen kwijt was en mijn mobiele telefoon. Ik droomde verder dat ik wakker werd en me realiseerde dat ik mijn kinderen en mijn telefoon niet kwijt was. Waarna ik droomde dat dat laatste maar een droom was geweest en dat ik telefoon en kinderen wel degelijk kwijt was. Pas toen ik echt wakker werd, wist ik dat ik het zoekraken van mijn kinderen en van mijn telefoon alleen maar had gedroomd.

Bedrijven kunnen met enige trots te kennen geven dat ze al sinds de oertijd bestaan. Dan voeren ze hun naam met daaronder ‘sinds XXXX (lang geleden)’. Ik zag vandaag nog een grote vrachtwagen met het opschrift ‘Feyenoord. Sinds 1908’. Dat haalt het niet bij de 1888 van Sparta, maar respectabel is het. De vraag is: hoe ver kun je daarin gaan? Als je vorig jaar een bedrijf bent gestart, krijg je de lachers op je hand als je zegt: ‘sinds 2020’. Nee, het moet ‘sinds 1860’ zijn. Wat een kennis, wat een ervaring, wat een levensvatbaarheid! Vanaf wanneer kun je je daarop laten voorstaan? Niet na een jaar, ook niet na tien jaar. Ik vermoed dat men na 25 jaar in de verleiding komt. Maar als ik een bedrijf trots zie vermelden: ‘al sinds 1996’, maakt dat op mij een potsierlijke indruk. Het zal de leeftijd zijn.

Laatst citeerde ik Joop Schafthuizen: “Zo simpel leg het gewoon niet.” Nu het verband waar het is uitgerukt. Een interviewer vroeg of hij en Gerard bezoek kregen op hun Franse Geheime Landgoed. Joop: “Nee, dat niet. Dan ken je wel zeggen: da’s makkelijk, maar zo simpel leg het gewoon niet.” Gisteren (her)las ik Brieven van een aardappeleter van Gerard Reve. Hij gebruikte de term ‘onroerend goed’, wat hem deed denken aan wat zijn taalverhaspelende Joop ooit zei: “Wat ‘ontroerend goed’ is en wat ‘exaltische kruiden’ zijn, dat weet ik, maar wat is toch dat ‘antiseminisme’?”

Bob Frommé

Poëzie aan de plas

Dankzij relaties in de wereld van de poëzie hebben Theo en ik (samen het akoestische duo Blind Vertrouwen) gisteren opgetreden op het poëziefestival Lagogo aan de Bergse Plas in Rotterdam. Muziek mocht in bescheiden mate ook meedoen. Het was heerlijk om weer eens samen op een podium te staan en – unique selling point van dit festival – in een fluisterboot de plas op te varen en daar voor een klein gehoor je liedjes te zingen. Het was een dankbaar gehoor ook nog.
Maar wat op mij het meest indruk maakte, was het optreden van Jan Rot. Alles krijgt een heviger lading, als je weet dat iemand ongeneeslijk ziek is. En dat is Jan helaas. Maar allemachtig, wat is die man goed! Hij zong ontroerende liedjes over de liefde en dat hij, al was het maar een uurtje, bij zijn moeder wilde zijn die allang dood is. Ook had hij een virtuoos razend, woordbuitelend gedicht over alle klankwoorden in onze taal (sissen, slissen, klateren, snateren etc.), met als gezongen refrein dat al die klanken niets zijn vergeleken bij de lieve woorden die zijn geliefde tegen hem zegt.
De ontspannenheid in zijn optreden was indrukwekkend. Hij wilde ‘een tophit’ uit de negentiende eeuw zingen, maar was de eerste regel vergeten. Hoe hij daar laconiek en zonder frustraties op reageerde en gewoon een ander nummer koos. Benijdenswaardig.
Ons eigen kleine hoogtepunt was het spelen en zingen van De parachutist, een uiterst geschikt nummer voor een poëziefestival, omdat het uit drie sonnetten bestaat. Een poplied dat uit drie sonnetten bestaat, vindt men op de gehele wereld niet. (Of wel? Laat zien.)
Ik doe de tekst hieronder:

De parachutist

Ik loop naar het eind van de betonnen baan
Daar staat het vliegtuig vlieggereed
Ik hoor de motoren almaar sneller gaan
Als ik de vliegtuigvloer betreed

Het is prachtig weer met helder zicht
Geen vuiltje aan de lucht
Ik draai de luiken stevig dicht
Ik
ben klaar voor de vlucht

Als het toestel in beweging raakt
En langzaam loskomt van de aarde
Voel ik de spanning in mijn maag
Ik heb hiervoor nog nooit een vlucht gemaakt
Wat heeft mijn kennis dan voor waarde?
Straks stort ik als een blok omlaag

Via de intercom zegt de piloot:
‘Je hebt nog één, nog één minuut’
Ik voel me klein, maar houd me groot
Ik betast de parachute


Het touw waarmee hij opengaat
Is mijn achilleshiel
Straks hang ik af van nylondraad
En van een stuk textiel

Nu we hoog genoeg gestegen zijn
Kijk ik naar beneden
Of ik de wereld nog herken
Ik ben groot en de wereld klein
Een minuut is lang geleden
Nu ik op de toppen ben

Ik stap naar buiten door het luik
In de buik van het heelal
De baan waarin ik naar de aarde duik
Dat is mijn eerste vrije val

Terwijl ik opgetogen kreten slaak
Raak ik bevangen door de kou
Ik voel dat ik buiten adem raak
Ten slotte ruk ik aan het touw

Ik ben niet bang, ik ben niet bang
Zo lang zo lang als ik maar wind vang
Onder het doek waaraan ik hang
Ik ben niet bang, ik ben niet bang
Zo lang zo lang als ik maar wind vang
Onder het doek waaraan ik hang


Ooit speelden we dit nummer in onze vorige band Noodweer in een café in het centrum van Rotterdam. Moesten we dat wel doen, zo’n etherisch nummer in die omgeving? Toch maar wel. Na afloop kwam een gozer in een Feyenoordshirt op me af. Hij legde zijn hand op mijn borst en zei: “Dat nummer, joh hé, over die parachutist. Mooi, man! Dat gaat over ’t leven.” Ik was stomverbaasd en even heel gelukkig.

Bob Frommé

Vaarwel, meneer Menière

Triomf, triomf, heft aan de luit, want het lichaam zegt: het is eruit. (Pollens, dat is een variant op Tollens.) Wat is eruit? De Ziekte van Menière. Dat durf ik nu met zekerheid te zeggen.
Ik had er jaren last van. Als je daar een aanval van krijgt, word je idioot duizelig, zodat je niet meer op je benen kunt staan. Je moet hevig braken en – in mijn geval – een uurtje of acht, een enkele keer zelfs twaalf, platliggen in een verduisterde kamer. Dan is het over, voorlopig.
Het ergste is de wetenschap dat je bijvoorbeeld niet naar een zanguitvoering van het koor van je zoon kunt. Dat concert is in Amsterdam en het risico dat zo’n aanval komt terwijl je in de trein zit of zelfs tijdens de uitvoering, is te groot. De ziekte was, zoals de kno-arts het uitdrukte, in een ‘invaliderende’ fase. Op den duur had ik een professionele kotszak bij me, maar dat was voor een kort en niet te ver verblijf buitenshuis.
Mijn laatste serieuze aanval – sindsdien slechts een paar aanzetjes die weer wegebden –  had ik vorig jaar tijdens mijn verjaardag, toen ik dacht dat het grootste gevaar nu wel was geweken. Ik lag zo’n acht uur gestrekt en zo min mogelijk bewegend in een mooie, met zorg uitgekozen hotelkamer in Limburg. De volgende dag voelde ik me enigszins zwakjes, maar toch weer goedgemutst.
Ik durf nu weer alles: lange fietstochten maken, een vriend in Buurmalsen opzoeken, naar de Wadden reizen. Ik weet nu (vrijwel) zeker dat ik daar goed aan doe. Ik heb namelijk in Trouw een interview gelezen met een lotgenoot: de muzikant Anne Soldaat, voorheen gitarist van Daryl-Ann.
Hij zei: “Ik wist nooit wanneer het kon toeslaan. Ik heb een paar keer gehad dat ik in de trein zat. Kwamen we het station binnen. Iedereen dacht dat ik stomdronken was. Ik weet nog dat ik me vasthield aan bankjes en prullenbakken en zo naar huis ben gestrompeld. En dan daarna acht uur op bed liggen in het donker; hoe stiller ik lag, hoe minder ik hoefde te kotsen. Echt, oh my God.”
Een feest der herkenning. Maar hij is er vanaf gekomen. De evenwichtsstoornis is eindig. Soldaat: “Het enige wat ik eraan heb overgehouden is blijvende gehoorschade, een kapot linkeroor. Links hoor ik niks meer.” Bij mij zat het rechts. Met dat oor hoor ik niet niks, maar bijna niks meer.
Mijn kno-arts haalde er op zeker moment een neuroloog bij, want misschien was het wel migraine wat ik had. Ik was, werd met enige ironie gezegd, ‘een interessant geval’. Maar nu ik dat interview met Anne Soldaat heb gelezen, weet ik het zeker: het was Menière, met de nadruk op was.
Ik heb er van pure opluchting een tekst bij gemaakt, op muziek van mijn kompaan Theo van Duijl. Ik doe een deel hieronder:

Eindelijk vrij

Ik kreeg vaak onverwacht bezoek
Van een ongewenste heer
Hij gaf meteen een rechtse hoek
En ik ging bijna neer

Kon niet meer op mijn benen staan
Als een dronken idioot
Ik heb zijn naam heel goed verstaan
Zijn daden bennen groot

Door ziekte en misère
Liet hij me heftig braken
Het was de heer Ménière
Die mij kapot wou maken

Ik moest ervan af, ik ben ervan af
Door mazzel ben ik eindelijk vrij
Ik prijs de dag, ik prijs de dag
Dat ik weer leven mag

De klap doet niet het meeste pijn
De angst ervoor is erger
Altijd ongerust te zijn
Dat is pas hemeltergend

Gewoon op weg te durven gaan
Van reizen durven dromen
Niet angstig stil te blijven staan
Omdat hij elk moment kan komen

Menière, jij zieke oudgediende
Blijf heel ver van mijn bed
De groeten aan je vrienden
Alzheimer en Tourette

Ik moest ervan af, ik ben ervan af
Door mazzel ben ik eindelijk vrij
Ik prijs de dag, ik prijs de dag
Dat ik weer leven mag

Bob Frommé

Clipje opnemen

Ik heb voor het eerst van mijn leven Pisang Ambon geproefd. Niet gedronken, maar geproefd. Conclusie: mierzoete synthetische narigheid. Precies wat ik van tevoren dacht en geheel en al in overeenstemming met het lied dat ik op dat moment zong.
Ik zong, omdat Theo en ik (Theo van Duijl, mijn wederhelft in het akoestische duo Blind Vertrouwen) bezig waren aan video-opnamen van drie nummers van onze cd Wonder. Dat glas Pisang Ambon was het rekwisiet voor het bluesy dronkemanslied Gemenut.
Eerste couplet plus refrein: Geef me een drankje dat desnoods gifgroen is/ Gemaakt van rotte vrucht waarvoor het niet het seizoen is/ Geef me een drankje dat afschuwelijk smaakt/ En waarvan m’n moeie lijf in al z’n vroegen kraakt// Geef me ’t, ah gemenut/ Gemenut, want ik heb geen nut/ Dus gemenut. Dat rekwisiet was dus passend en juist.
Ik zwalkte zo’n beetje tussen platenbakken met vintage vinyl; we waren met open armen ontvangen door Jenny Dorst, eigenaar van de vintage platenzaak JensDo aan het Zwaanshals. (Tussen deze twee haken: dat is de mooiste straatnaam van Rotterdam, zo niet van Nederland. Ja, hét Zwaanshals, ook al is het dé hals.) Op deze locatie ging het gebeuren.
Zo doorgewinterd zijn we niet ondanks onze vintage leeftijd, want je denkt: drie nummertjes opnemen, camera erop zetten, desnoods een lampje erbij, maar dan is het toch spelen en klaar. Maar zo simpel leg het gewoon niet, zou Joop Schafthuizen zeggen. Het werd een stuk professioneler aangepakt, met een ervaren cameraman, die een stel enorme tassen met spullen meebracht, en een nog veel ervarener televisieregisseur, die allerlei ideeën had over looplijnen, standpunten van de – meervoud – camera’s, bepaalde woeste camerabewegingen, extra shots vanaf de straat en plannetjes voor de montage. Het klonk ons als muziek in de oren.
Het is bekend van filmsets: acteren is wachten. We hadden veel vaker in een geluidsstudio gestaan en, toen we nog in Noodweer zaten, geplaybackt in tv-studio’s en in Nederland Muziekland. We hadden maar één keer live gespeeld, bij Sonja Barend (het schimplied Amsterdam, in het hol van de leeuw), maar dit werden toch een soort van clips. En dan geldt: wachten kan lang duren.
Je staat op een stukje duct tape, dat op de vloer is geplakt en waar je niet vanaf mag wijken. Je kompaan staat naast je op een ander stukje duct tape en dan is het wachten. Cameraman en regisseur zijn in druk overleg. Waar komen de camera’s en op welke hoogte, en waar komt het licht? Dat ben je, in lijdzaamheid, toch al snel een half uur verder.
Gezellig converseren en geintjes maken zit er niet in. Daarvoor is de spanning te groot. Ik zou wel eens willen weten hoe een mens daarvan afkomt. Het is me in al die jaren niet gelukt. En de spanning neemt nog toe, wanneer je je ook nog eens ergert aan dat eeuwige gebrek aan gemoedsrust voor een optreden.
Eindelijk mogen we los. We doen Gemenut, Het is een wonder dat je leeft en De stem van mijn moeder. Steeds is de derde versie de beste. Pas dan ben ik af van mijn gespannenheid met bijbehorende dode blik. Het leven komt dan goddank terug. En het lacht ons zelfs toe.
Werd het toch nog een fijne middag.

Bob Frommé

Sifan Hassan

Nee, dat was niet zomaar iets wat Sifan Hassan presteerde. Zij was na Fanny Blankers-Koen de tweede atlete in de historie die op drie individuele loopnummers een medaille won. Ik las in The Guardian – de Engelsen hebben een veel grotere traditie in de lange-afstandsnummers – dat de laatste honderd van Hassans tienduizend meter (the most jaw-dropping of all) sneller waren dan de laatste honderd van de bronzen loopster op de vierhonderd meter en de gouden winnaars op de achthonderd en vijftienhonderd meter (nota bene de afstand waarop ze derde werd). Het minste wat zij verdient, is een sonnetje.

Heldindicht

Zij had een voorsprong op het hele veld
Ze was krankzinnig hard vooruitgesneld
De rest was op het einde uitgeteld
Dit was geen lopen, dit was brutaal geweld

Drie medailles, drie, hoe kon ze het doen?
Het was bijna een daad van onfatsoen
Sifan Hassan: wonderbaarlijk kampioen
Zij is de nieuwe Fanny Blankers-Koen

Groots liep ze en dwars door alles heen
Gekweld door pijn in haar linkerbeen
Wat een ongehoorde suprematie
The greatest ever volgens de BBC

Haar verhaal zal altijd worden verteld
Zij is de vrouwelijke vorm van held

Bob Frommé

Andersvalide

Een mens komt wel eens ergens, of je nu een oude witte man bent, zoals ik, of een medelander met een migratie-achtergrond. Zo kwam ik laatst in een gezondheidscentrum. Zo’n plek des heils is te verkiezen boven een penitentiaire inrichting, op voorwaarde dat je aandoening ver verwijderd is van de gevreesde ziekte en dus ook van de palliatieve zorg. Ik ben gelukkig niet chronisch ziek en ik ben zeker niet bedlegerig. Ik heb geen visueel uitgedaagde vlek voor de reeds door Els Borst gesignaleerde lichte ongepastheid van de term ‘bedlegerig’.
Ik zag op de parkeerplaats tot mijn grote genoegen bij een aantal parkeervakken P-borden met de tekst ‘bijzondere doelgroepen’. Ik nam aan dat het mensen betrof die zich buiten hun automobiel in een rolstoel voortbewegen. De kiesheid waarmee de in een speciale commissie benoemde aandachtspersonen voor deze rolstoelloze oplossing hadden gekozen, had op mij een weldadige uitwerking.
Ik meldde mij goedgemutst aan de balie, waar een uiterst vriendelijke, volslanke dame van Caribische afkomst mij verwelkomde. Zij vroeg me welke lichamelijke beperking mij ertoe bracht een bezoek te brengen aan haar gezondheidsinstituut. Ik zei, nadat ik om herhaling van haar woorden had gevraagd, dat ik auditief was uitgedaagd. (Voor je het weet, bezondig je je aan – moeilijk woord – validisme, waardoor je mensen met een beperking onnodig stigmatiseert. Dus zeg nooit Oost-Indisch doof, blinde vlek, schele dakduif, kreupelhout of stomme hond, gebruik ook nooit een manke vergelijking en doe nooit spastisch.)
Ik weet wat het is om een beperking te hebben. Door de mijne had ik zelfs moeten afzien van een rol in het toneelstuk Sneeuwwitje en de zeven hoeders van het woud. Ik zou oorspronkelijk een van de hoeders spelen, maar mijn auditieve beperking zat in de weg, waarbij nog kwam dat mijn aanzienlijke lengte de geloofwaardigheid van de rol ernstig belemmerde.
Dit nu vertelde ik niet aan de gastvrouw met niet-westerse achtergrond. Ik wilde haar niet lastigvallen met mijn medisch-culturele problematiek noch met mijn persoonlijke history – al helemaal niet omdat history een niet-inclusieve, masculiene term is die suggereert dat er niet zoiets is als her story. Ze verwees me door.
Op weg naar de medisch specialist liep ik door een gang met aan weerszijden kamers die gevuld waren met lichamelijk beperkten. Of wat je beter kunt zeggen: mensen die anderszins bekwaam waren. Er lagen cliënten in verschillende levensfasen. Zo zag ik een senior die, naar het zich liet aanzien, negentig jaar jong was. Het ene fysieke ongemak na het andere vroeg hier om specialistische behandeling. En dat in de stellige verwachting dat de gezondheidscliënt niet heen- of naar gene zijde gaat of het tijdelijke met het eeuwige moet verwisselen. De mensen maken liever geen rit in een rouwauto op weg naar een gedenktuin en zeker niet, ouderwets grof geformuleerd, in een lijkwagen naar een dodenakker.
Ik hoopte wel dat de vermeende hoogopgeleidheid van mijn specialist niet zou leiden tot arrogantie en neerbuigendheid. Bijvoorbeeld jegens de vermeend laagopgeleide interieurverzorgsters of plantsoenharkende milieumedewerkers die in en om het medisch instituut werkzaam zijn.
Ik ben zelf opgegroeid in een Vogelaarwijk/krachtwijk, waar een groot deel van de populatie al lang niet meer actief betrokken is bij het arbeidsgebeuren of onlangs boventallig is verklaard. Ik weet dus precies hoe de sociaal-economisch gedepriveerde, geldelijk minvermogende medemens zijn of haar waardigheid moet zien te bewaren. En dat tegenover de algehele dominantie van de gestudeerde bovenlaag, die vaak een tot slaaf gemaakte is van zijn eigen vooroordelen.
Mijn specialist bleek een man te zijn. Dat ligt helemaal niet voor de hand, zoals u weet. Er zijn nog andere genders ook namelijk! Dat inzien vergt wel een stukje awareness. Ik moest enkele tests ondergaan en dat leverde geen ongewenste sensitieve sensaties op, zoals je dat bij de tandarts kan overkomen. Een onverdoofde zenuwbehandeling komt neer op wat in militaire kring treffend wordt aangeduid met ‘verbeterde ondervragingstechniek’. In die kring gaat ook wel eens iets níét goed, bij een precisiebombardement bijvoorbeeld, met ‘bijkomende schade’ voor de omwonenden. Dat is dan wel een puntje.
De KNO-arts bleek te lijden aan een relatieve tekortkoming in zijn uiterlijke verschijning. Let wel, lelijkheid bestaat niet, schoonheid zit van binnen. Mij hinderde het niet, maar ik ben dan ook een heteroseksuele homo sapiens, die daarom wel liever te maken had gehad met een goed gelukt vrouwspersoon. De arts was bovendien zeer kundig en vriendelijk. Dat was maar goed ook, want aan onvriendelijkheid heb ik een broertje levenloos. Ik word dan dermate gebelgd, dat ik met alle macht moet worden gesensibiliseerd. Een enkeling zou me dan misschien willen neutraliseren, maar daar bestaan wetten tegen en praktische bezwaren.
Mijn auditieve beperking bleek vrij ernstig te zijn. Ik was dus een persoon die speciale aandacht verdiende. Ik behoorde in zekere zin wel degelijk tot een bijzondere doelgroep. Dat ik daartoe eigenlijk over een op wielen voortbewogen zetel zou moeten beschikken, beschouw ik als een vorm van discriminatie.
Ik werd voorzien van een auditieve prothese en met verende tred verliet ik, na een sanitaire stop, zonder ondersteuner het gezondheidscentrum. Mij kreeg je niet geestelijk beperkt of uitgedaagd. Ik bleef in mijn kracht staan en wist dat ik voortaan als blijmoedige andersvalide door het leven zou gaan.

Bob Frommé

P.S. Dit stuk verschijnt morgen in het blad Argus

Gek Nederlands

Dat mooie Nederlands van ons verbergt eigenaardigheden die je gemakkelijk over het hoofd ziet en waar geen neerlandicus mee bezig is. Zo stuitte ik een jaar of vijf geleden bij toeval op eigenaardige types woordparen, twee in getal, die ook nog eens elkaars tegendeel zijn. Ik leg ze nogmaals voor en vul ze aan.
Type één bestaat uit woorden die schijnbaar het tegenovergestelde betekenen, maar in feite synoniem zijn of althans dezelfde lading hebben. Zoals het er nu staat, begrijpt niemand het. Een voorbeeld maakt alles duidelijk: guur en onguur. Nietwaar, onguur is de minvariant van guur, maar guur weer en een onguur mannetje hebben beide dezelfde ongunstige lading. Is toch gek
Type twee bestaat uit woorden die schijnbaar dezelfde betekenis hebben, maar in feite elkaars tegendeel zijn. Voorbeeld: zouteloos en ongezouten. Nietwaar, allebei zonder zout. Maar een zouteloze grap is flauw en slap, ongezouten kritiek is juist scherp en hard. Is toch gek.
Van de eerste soort (ogenschijnlijk tegengesteld, maar met min of meer dezelfde betekenis) hebben we niet alleen guur-onguur, maar ook kosten-onkosten, hebbelijkheid-onhebbelijkheid, typisch-atypisch, beest-ondier, bijten-ontbijten. Er zijn meer varianten met ont-. Houden en onthouden laten beide iets niet wegglippen. Wie slaat en ontslaat doet in beide gevallen iemand pijn. En er zijn er vast nog meer.
Deze zag ik vorige week: staan en vallen zijn tegengesteld, nietwaar. En toch is er geen verschil tussen ‘dat staat te bezien’ en ‘dat valt te bezien’. En wat is het tegendeel van aan? Uit toch zeker. Maar als je een aanbouw hebt, heb je wel degelijk ook een uitbouw. Zo, die zit. (En dat staat.)
Van de tweede soort (ogenschijnlijk hetzelfde, maar tegengesteld in betekenis) zijn veel moeilijker andere voorbeelden te vinden dan zouteloos-ongezouten. Deze kan ermee door: glad en onkreukbaar. Geen plooi te zien, maar een glad persoon is iets heel anders dan een onkreukbaar persoon. En deze zeker: retour en op de weg terug zijn hetzelfde. Maar als je zegt dat iets op z’n retour is, zeg je iets heel anders dan wanneer je zegt dat iets op de weg terug is. Sterker, dan zeg je het tegenovergestelde.
Zou er nog een type drie zijn? (Koor van lezers: “Ga weg!”) Verdomd, dat is er. Daarbij is een woordpaar exact hetzelfde (homoniem), maar tegengesteld in betekenis. Huilen en lachen zijn elkaars tegendeel, maar je kunt brullen van verdriet, wat iets heel anders is dan brullen van het lachen. En je kunt iemand ontzetten en je kunt iemand ontzetten. Anders gezegd: je kunt iemand schrik aanjagen en een beklemmend gevoel geven en je kunt iemand bevrijden. Maar dit type is nog in aanbouw en moet nog worden uitgebouwd.
Nu kun je je natuurlijk afvragen: wat moeten we met dit alles? Dan zeg ik: helemaal niks, mensen, helemaal niks.

Bob Frommé

P.S. Maar als lezers aanvullingen over de schutting willen werpen, vang/ontvang ik die met graagte

Typisch Carmiggelt

Laatst maakte de Volkskrant een lijstje van de honderd beste boeken van de afgelopen honderd jaar. Een pretentieuze onderneming, maar leuk voor wie van lijstjes houdt. Op die lijst staat ook Kroeglopen van Simon Carmiggelt. Begeleidende uitleg: ‘Humor, ironie, een vlijmscherp waarnemingsvermogen en onnadrukkelijk stilistisch meesterschap kenmerken deze reeks kroegverhalen, die op ingetogen wijze de menselijke grandeur en misère verbeelden.’
Ik heb die bundel herlezen en meteen ook maar Kroeglopen 2. Die kroegverhalen worden algemeen beschouwd als zijn beste werk. Carmiggelt schitterde als hij de lezer meenam naar ‘een kleine tapperij aan een oude gracht’ of ‘een onderneming met volledige tapvergunning’. Koor van fans (een uitstervende groep, want de wereldse roem vervliegt snel): “Ja! Het schemerige rijk van de vaste jongens!”
Ik verwacht schittering, maar ik lees: ‘Kent u In a sentimental mood van Duke Ellington? Dat is een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Erg muzikaal, erg droefgeestig en erg sentimenteel. Maar ik heb er nu eenmaal een onuitroeibaar zwak voor en ik zet het als titel boven dit enigszins wonderlijke kroegverhaal dat ik, geloof ik, eigenlijk helemaal niet schrijven moet, omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.’
Koor van fans: “Wat wil je daarmee? Dat is toch bescheiden en sympathiek geformuleerd?” (Ondergetekende schraapt de keel.) Het woord dat zich bij mij opdringt is tuttig. (Ondergetekende gooit schroom nu van zich af.) Ik vind dat tuttig! Een mijner uitverkoren jazznummers van vroeger. Dit enigszins wonderlijke kroegverhaal. Omdat het tamelijk idioot is allemaal. Maar goed, ik ben nu eenmaal begonnen en dan gaat zo’n pen verder zijn gang.
Koor: “Je gaat ons toch niet vertellen dat je het beter weet dan Simon Carmiggelt?” Dat zou ik in het algemeen niet durven vertellen, maar hier zou ik zeggen: zwak begonnen, weggooien. Temeer omdat Carmiggelt vervolgt met een veel betere openingszin: ‘Laatst moest ik naar een receptie in Rotterdam.’ Waarna het, zonder die eerste alinea, veel minder lang duurt voordat je op een paar gave Carmiggelt-zinnetjes stuit. Hij is dan al weer weg uit die vreselijke receptie, waar mensen ‘elkaar quasi-opgewekt stonden te beliegen’. Hij loopt buiten. Carmiggelt: ‘Het regende hevig. Dat was wel fijn. Want regen is waar. Zéér waar.’ Koor: “Dat is goed, ja. Zeer waar! En dan is hij nog niet eens in de kroeg.”
Ook als hij wel in de kroeg is, doet hij dingen die als prachtig Carmiggeltiaans worden gezien, maar die ik… Koor: “Voorbeeld!”
‘Terwijl de band een cha cha cha inzette, plaatste de ober de in de koeler leunende fles op het tafeltje met de plechtige ernst die men aan een bestelling van vijftig gulden verschuldigd is. Het meisje, dat haar Bardot-kapsel torste als een koolzwarte elefantiasis van de achterschedel, wierp er een koud, triomfantelijk blikje op en de man, zeer dik en zeer beschonken, trachtte er baronnerig naar te kijken met oogjes die zo klein en vet waren, dat moeder ze met een natte punt van de handdoek zou schoonboenen. Omstandig van mimiek, als een opererende chirurg, begon de ober aan het ontkurkingsritueel.’
Als Carmiggelt zoiets voorlas op tv, met die melancholieke oogopslag en voorafgegaan door In a sentimental mood, ging ik nog wel overstag, maar als ik die constiperende beelden lees, vind ik het toch een beetje doorgeslagen mooischrijverij.
Sommige mensen zijn dol op een zinnetje als: ‘Buiten had de als een gezwel losgebarsten herfst de stad verbreitnerd.’ Koor: “Prachtig beeld! Typisch Carmiggelt!” Ja, maar ik houd niet van alles wat typisch Carmiggelt is. Sorry.

Bob Frommé

We gaan ervoor!

Het was erg gezellig op het caféterras. Hoe het ontstond, weet ik niet meer, maar opeens lag het idee op tafel om met de aanwezige groep vijftigplussers op vakantie te gaan op de wijze van We zijn er bijna!, zij het in sterk gewijzigde vorm. Aan mij de eer om aan MAX-baas Jan Slagter een brief te sturen om dit programma-idee aan hem op te dringen. Dit is de conceptbrief:

Ha die Jan!

Hier spreekt Bob Frommé. En ik spreek, behalve voor mezelf, ook voor een groep middelbare lui ofwel vijftigplussers ofwel energieke types die niet tot hun borstbeen in het graf staan. Wij bieden onszelf aan als alternatief voor de mensen in We zijn er bijna!, dat uiterst langzame televisieformaat waar ook wij enorm van genieten. Juist omdat er zo weinig in gebeurt. Het is een oase van rust in ons drukke bestaan. Wij willen die mensen dus niet verdringen. Leven en laten leven, zeg ik wel eens. (Je mag me citeren.) MAX hoeft niet alleen een podium te bieden aan senioren. Wij vijftigplussers zijn er ook nog!
De nieuwe formule heet We gaan ervoor! Dat wil zeggen: een groep vijftigplussers maakt in laten we zeggen Italië een camping onveilig. We komen met de auto, maar niet met een caravan. Veel te veel gedoe. Alleen al dat eindeloze parkeren! Er moet dus al behuizing zijn: huisjes, boshutten, desnoods glampingtenten.
Het programma mist dan wel bepaalde gesprekken zoals deze, die ik ooit op een camping heb opgevangen uit de mond van twee grijsharige vrouwen (het onderwerp was een speciale washand waarmee je de caravan kunt reinigen):
“Hij is in de aanbieding bij de Aldi: tweevijfennegentig.”
“Geen geld!”
“Het is Duits, het komt in elk geval uit Duitsland.”
“Jaja.”
“Ideaal. Je kan ’m in de kookwas doen bij veertig graden.”
Zulke conversaties hebben wij niet. Wij hebben diepgaande menselijke gesprekken, maar vooral veel lol. Ja, we lachen veel. Eigenlijk net zo veel als de deelnemers aan We zijn er bijna! Het punt is alleen dat die mensen lachen om niets, wat op zich wel weer grappig is. Zowat elke zin die ze uitspreken, laten ze volgen door een lach, alsof er zojuist een kostelijke grap is gemaakt. “Nou, dan ga ik daar ook maar eens kijken, hahaha.” Wij lachen om echte grappen die we helemaal zelf bedenken. En reken maar dat de kijker daar een potje van kan genieten!
Wat de samenstelling van de groep betreft zijn er zowel stellen als vrijgezellen onder ons. We moeten ook zorgen voor een weduwnaar, zodat Martine van Os een mooi, menselijk gesprek kan voeren. Ja, Martine moet ook mee.
Overigens verschillen vijftigplussers van echte senioren door hun optreden in de seksuele arena. Voor de meeste senioren is dat een afgesloten terrein, voor ons niet. Jongens en meisjes van vijftig tellen nog wel degelijk mee in die arena. Daarom moet onze weduwnaar of weduwe in de gaten worden gehouden. Hij of zij zou zomaar een huwelijksdrama kunnen veroorzaken, wat natuurlijk wel goed is voor de kijkcijfers.
Net als de senioren uit WZEB! zijn wij van We gaan ervoor! geïnteresseerd in culturele uitstapjes, naar een koele kerk in de bloedhitte bijvoorbeeld of naar een wijngaard of brouwerij om daar de lokale cultuur tot ons te nemen. De nazit levert geweldige televisie op, durf ik nu al te zeggen.
Wat denk je van dit format, beste Jan? Ik weet zeker dat jij zelf daar beter in zou passen dan in WZEB! Dus wat let je? Ga ervoor!
We horen nog van je.

Met levenslustige groet,

Bob Frommé (zelf 71, maar ik mag meedoen – 71 is het nieuwe 51)

Stuiterballen

Het Stedelijk Museum te Amsterdam heeft een overzichtstentoonstelling van Bruce Nauman. Dat is fijn voor Bruce. Bijna tachtig en alom geëerd. Maar niet door mij. De Volkskrant schrijft lovend over deze tentoonstelling van ‘een van de invloedrijkste naoorlogse kunstenaars’. Dat werk is volgens de recensent hels en beklemmend en kruipt onder je huid en laat je niet meer los.
Laten we beginnen met de stuiterballen. Nauman maakte een uiterst vertraagd videofilmpje van zijn eigen zak, die hij met één hand op en neer liet komen. Ooit wilde een Zomergast die Bouncing balls, uiteraard in bewondering, aan de kijker laten zien, maar veel verder dan een paar seconden reikte het filmpje niet, omdat elke seconde een vermogen aan rechten kostte. Zo groot is die Nauman.
Ik vind het knap dat je met zo’n flauwe grap de wereld kunt veroveren. Hier geldt de Wet van Frommé: wie spraakmakende moderne kunst wil maken, doet er goed aan zijn toevlucht te nemen tot humor die niet om te lachen is. Denk hier ook aan die Engelsman die de grote Turner Prize won door in een lege museumzaal het licht aan en uit te laten floepen. Of Georg Baselitz, die menselijke figuren ondersteboven schilderde (en nog matig ook), wat als een revolutionaire doorbraak werd gezien, maar natuurlijk een enorme flauwiteit is. Of Andy Warhol, die Het Laatste Avondmaal van Leonardo Da Vinci op ware grootte liet fotokopiëren, roze liet spuiten en in tweevoud liet ophangen (hij deed niks zelf). Die goedkope inbreuk op het – weliswaar verlopen – auteursrecht werd in de Amsterdamse Nieuwe Kerk vertoond in de reeks Meesterwerken, dezelfde reeks waarin daarna, bij wijze van flagrante tegenstelling, een echt meesterwerk van Francis Bacon te zien was.
De lijst wereldberoemde flauwegrappenmakers op artistieke grondslag is danig uit te breiden en op aanvraag verkrijgbaar, maar laten we nog even bij Bruce Nauman blijven. Een van zijn aanhalingsteken openen kunstwerken aanhalingsteken sluiten is zijn eigen voornaam, uitgevoerd in blauwe neonletters: bbbbbrrrrrruuuuucccccceeeeee. Ik had het daarover met mijn zoon Jim. Zijn recensie: “Bullshit.”
Nog eentje dan. Zeven figuurtjes, ook in gekleurd neon, die op een rij copulerende en anderszins seksuele bewegingen maken. Wat moeten we hiervan denken? Wil het de hoed van ’s burgermans punthoofd laten vliegen? Is het kritiek op de mechanische invulling van de menselijke liefde? Of is het gewoon een betekenisloos 3D-stripje, waar de toeschouwer allerlei diepzinnigheden over ‘the human condition’ in moet leggen? Het moet wat zijn, immers, anders hing het hier niet.
Oud-museumdirecteur en kunstdominee Rudi Fuchs, die in lange, prevelende zinnen de weg kan plaveien naar een enorme open deur (‘Een foto is een beeld dat van de werkelijkheid is afgezonderd, voor altijd gescheiden van de visuele totaliteit waarvan het deel uitmaakte.’), zei over dit kunstwerk nu eens geen vage of voor de hand liggende dingen. Hij zag het in het Stedelijk en zei tegen de verantwoordelijke directeur dat de bewegingen sneller moesten. Dat wist hij van Bruce zelf. “Dat is het vak, dat moet je allemaal weten.” Maar of je dat ding nu sneller of langzamer zet, het blijft wat het is: een gevalletje nikserigheid.

Bob Frommé

Heilig verontwaardigd

Vandaag kijken we naar binnen bij de wonderlijke aardbewoner die de mens is. En dan met speciale aandacht voor de moraal, de wereld van goed en kwaad. Als je overtuigd bent van wat goed en kwaad is, hoort daar een krachtige emotie bij: heilige verontwaardiging. En die is niet onprettig. Je feliciteert jezelf als het ware dat je aan de goede kant staat. Voorwaarde is wel dat je jezelf niet bezondigt aan waar je zo verontwaardigd over bent. Maar daar kun je nooit helemaal zeker van zijn, zo blijkt in wat nu volgt.
Ik had een vriendin die tamelijk jaloers was (lees: vreselijk jaloers). Daar kon ik mee leven, omdat ik van haar hield en zelf ook een jaloers type ben. Op zeker moment ging het uit, maar we bleven vrienden. Maar ook in die vriendschap had ze last van bezitsdrang. Eigenlijk vond ze het maar niks dat ik na jaren een nieuwe relatie kreeg.
En toen ik wilde morrelen aan de hoge frequentie waarmee we elkaar zagen (wekelijks), was ze heilig verontwaardigd. Ik tornde aan de vriendschap en vriendschap was immers ontzettend belangrijk? Vriendschap werd door de meeste mensen onderschat. En dat ik tot die versmade meerderheid leek te behoren, stelde haar hevig teleur.
Mijn nieuwe vrouw vond het niet altijd even prettig dat ik bij mijn ex logeerde, maar dwingende eisen stelde ze niet. Ik wist zeker dat als mijn ex in die positie had verkeerd, zij nog geen kwart had geaccepteerd van een vriendschap als de onze. Ik legde dat aan haar voor. Haar reactie: “Nou en?” Daar moest ik over nadenken.
Natuurlijk, een dief vindt het niet prettig bestolen te worden. Maar hij moet niet in heilige verontwaardiging een betoog afsteken over de onacceptabele slechtheid van de dief. Mijn oude vriendin hield een soortgelijk betoog. Het leidde uiteindelijk tot een breuk.
Laatst stuitte ik via een omweg op een eigen variant van die onterechte heilige verontwaardiging. Ik maakte een fietstocht met M. en op zeker moment waren we onzeker over de juiste route. We stonden stil op het fietspad en wilden omkeren, maar door de verwarring over de route lette ik niet op. Ik draaide zonder te kijken mijn fiets om en blokkeerde zo het fietspad. Een man op een racefiets moest keihard remmen om een botsing te voorkomen. Verdomme, hoe kon ik zo stom zijn. Ik putte me uit in excuses die de man grommend accepteerde, terwijl hij zich met bruuske bewegingen in gang trok.
Ik had nog dagenlang last van dat incident. Dat kwam vooral doordat het mijn heilige verontwaardiging in een schril daglicht stelde, de heilige verontwaardiging over de onachtzaamheid van anderen. Als iemand mijn doorgang op het fietspad blokkeert of zonder te kijken schuin oversteekt, voel ik woede opkomen en heilige verontwaardiging. Ik scheld niet, maar voeg blokkeerders en in-de-weg-lopers wel dingen toe als: “Ja hoor, tuurlijk! Wat je niet hoort, dat is er niet!”
Ik vrees dat ik voortaan een toontje lager moet zingen. De eerste steen werpen is er niet meer bij.

Bob Frommé

Dedain

Ik las een stukje van mijn favoriete columnist, Sylvia Witteman, en ik was het voor de zoveelste keer gloeiend met haar eens. Over de inhoud straks. Dat stukje was ook bijzonder omdat Witteman een columnist in haar eigen krant, de Volkskrant, bestreed. Sinds Piet Grijs in Vrij Nederland op Renate Rubinstein inhakte, komt dat eigenlijk niet meer voor. Witteman hakte niet, maar was wel gedecideerd: Bert Wagendorp had groot ongelijk en ze moest niets van zijn elitaire houding hebben.
Ik heb dat zelf ooit een keer gedaan in Het Parool. Literair recensent Arie Storm schreef dingen als ‘herkenbaarheid en een plot – gaat het met dit boek nog goed komen?’ (hij had kennelijk liever een boek zonder plot waarin je je niet kunt herkennen) en ‘het kenmerk bij uitstek van echte literatuur is misschien dat ze pessimistisch en deprimerend is’. Ik was het daar gloeiend mee oneens. Ik bleef beschaafd, want ruzie maken in één huis geeft overlast. En het was natuurlijk een voordeel dat op deze manier Het Parool altijd gelijk had.
De stukjes van Witteman versus Wagendorp en van Frommé versus Storm hebben meer gemeen dan dat in alle twee op de deur van een buurman wordt gebonkt. Ik ga hier niet de hele column van Witteman citeren, al zou dat wel aanbevelenswaardig zijn. Het stukje van Wagendorp ging over ‘ontlezing’ en hoe erg dat is. Nu ja, er werd wel gelezen, maar dat kon je niet serieus nemen, omdat de boeken die de mensen lazen, bestsellers waren.
Witteman relativeerde het mogelijk rampzalige van de ontlezing (waarom zou je informatie liever uit een boek dan uit een docu halen?) en schreef ten slotte dit: ‘Waarom dat dedain? Waarom betogen dat lezen leuk moet zijn, en intussen zo terloops en vanzelfsprekend neerkijken op bestsellers die mensen daadwerkelijk voor hun plezier lezen? ‘Lezen wordt weer de elitaire bezigheid die het eeuwenlang was,’ verzucht Wagendorp. Ja, zo vráág je er wel om.’ Dat dedain van Wagendorp – zelf bestsellerauteur met Mont Ventoux – werd nog overtroffen door dat van Arie Storm.
Lezen of niet lezen, dat is de kwestie. Voor sommige mensen, vooral ouderen, is de ontlezing het naderende einde van de beschaving en het zoveelste bewijs dat de wereld naar de donder gaat. Maar ouderen vinden al snel dat de wereld naar de donder gaat, omdat ze hun eigen naderende einde verwarren met dat van de wereld. Ik denk dat het wel meevalt met die teloorgang van de beschaving.
Niemand zal beweren dat de wereld buiten het geschreven woord kan. De pessimisten bedoelen met ontlezing dat de mensen steeds minder fictie lezen en dan vooral fictie die tot de hogere literatuur wordt gerekend. Ik ken van nabij mensen die weinig tot geen literaire romans hebben gelezen en die toch kunnen denken. Ook met hun beschaving loopt het nogal los.
Is het wel zo essentieel voor iemands leven Salinger, Joyce, Kafka, Grossman, Kipling, Waugh, Saki, Tsjechov, Tolstoj, Vroman, Reve en Van het Reve te hebben gelezen? Voor mij wel, ja, maar is het dat ook voor het voortbestaan van de beschaving? Ik vind hooguit dat mensen iets missen als ze die schitterende schrijvers niet hebben gelezen, maar ik besef dat dat eigenlijk een gebrek aan voorstellingsvermogen is. Je kunt er nu eenmaal niet van uitgaan dat andere mensen zijn zoals jij.

Bob Frommé

Fragmenten

Karel van het Reve eindigde elke bundeling van zijn stukken met Fragmenten. Korte stukjes over onderwerpen die geen groot stuk verdienden, maar die hij ook niet wilde weggooien. Zulke onderwerpen heb ik, net als iedere stukjesschrijver, ook. Laat ik nou eens in Karels voetsporen treden en het ook doen, fragmentjes bijeenbrengen. Hier komen ze.

Je hebt geloof ik een stuk of twaalf verschillende soorten drogredenen. Een daarvan is de cirkelredenering. Dat zijn uitspraken van het type: “Ik geef niet graag geld uit, want ik ben zuinig.” (Vrij vertaald: “Ik ben zuinig, omdat ik zuinig ben.”) Ik hoorde laatst een fraaie in het Journaal. In de coronatijd waren boodschappen een stuk duurder geworden. Hoe kwam dat? De verslaggever kwam met een sluitende, al te sluitende oorzaak. Het was het gevolg van de prijsstijgingen! Toen Maarten van Rossem, toch een scherpe denker, werd gevraagd hoe het na de verkiezingen verder zou gaan in de VS, zei hij niet dat hij dat niet wist. Hij zei: “Dat hangt af van wat er de komende jaren gebeurt.”

Ik heb een groot zwak voor woorden met unieke lettercombinaties: fnuiken en murw. Er zijn geen andere woorden in het Nederlands die zo beginnen of zo eindigen. Stofnest en winterwanten tellen niet mee. De combinatie ps aan het begin van een woord is ook gek, maar die komt meer dan eens voor. Zie psyche, pseudo- en psoriasis. Kn is ook te algemeen. Mijn stem gaat naar fnuiken en murw, al kan ik murw niet goed uitspreken.

Verwende kinderen dreinen en drenzen en werpen zich soms krijsend ter aarde, waarna ze met hun vuistjes op het aardoppervlak slaan om hun wensen kracht bij te zetten of hun frustratie de vrije loop te laten. Ze hebben te vaak hun zin gekregen, dus als hun iets wordt geweigerd of zelfs als iets hun niet lukt (de weigering komt dan als het ware van de realiteit), raken ze hevig ontstemd.
Daar komt nog iets bij. Aan zulke kinderen zijn vaak keuzemogelijkheden voorgelegd. “Wat voor ijsje wil je? Wil je dit ijsje of dat ijsje of nog een andere?” En dat in allerlei varianten. Van die keuzestress wordt een kind niet alleen ongelukkig, het wordt ook afgericht op keuzes maken. Dus als een ouder een kind ergens toe verplicht, iets aan dat kind opdringt, schiet het in de keuzestand. Het wil kiezen, maar ergens toe verplicht worden is geen keuze, dus zegt het nee. De enig overgebleven keuze.

Vlaams is meer zoals het wordt uitgesproken, schreef Gerard Reve al eens grappenderwijs. De klinkers schieten – net als in het Volendams – alle kanten op. Wit wordt wet. Lopen wordt loepen. Wedstrijd wordt wadstreed. Oud wordt ood. Zeelui wordt zieleu. Op wordt ap. Als de West-Vlaming wil zeggen dat bij elke wedstrijd in Zwitserland, althans buiten en op hoogte, sneeuw en koude horen, zegt hij: “Bee alke wadstreed ap hoegte en Zwetserland hoeren beuten snieuw an kode.” En dan spreekt die Vlaming nog Nederlands. Zijn dialect zou ook voor Fins kunnen doorgaan.

Bob Frommé

Karel van het Reve

Als Karel van het Reve nog geleefd zou hebben, zou hij deze maand honderd zijn geworden. Dat mag niet heel veel mensen iets zeggen, misschien, maar mij zegt het alles. Hij was onze beste non-fictieschrijver. Ik ben door geen enkele andere schrijver zo beïnvloed als door hem. En dan bedoel ik niet zijn schrijfstijl, hoewel die geweldig is in zijn speelse nuchterheid. Nee, het is vooral zijn manier van denken die me heeft aangeraakt.
Zonder Karel van het Reve was ik anders geweest. Hysterischer, sterker geneigd tot voetstoots aangenomen opvattingen, ‘Russischer’. Ik weet dankzij hem dat het goed is geen ideologie te hebben. Van het Reve laat zien dat het losweken en oplossen van die ideologie niet een griezelige leegte veroorzaakt, maar de weg vrijmaakt voor helderheid en eenvoudige deugden zoals fatsoen, smaak en afkeer van fanatisme.
Hij is de enige persoon wiens uitvaart ik heb bezocht zonder hem ooit te hebben ontmoet. Mijn geestelijke vader was dood. Hij is ook de enige aan wie ik na zijn dood in 1999 elk jaar in Het Parool een stukje wijdde. Daar is de laatste jaren de klad in gekomen, maar zijn virtuele honderdste verjaardag is een mooie aanleiding om hem opnieuw te eren en aan te bevelen.
Karel van het Reve is een man naar wiens mening of ideeën ik na zijn dood nieuwsgierig ben gebleven. Ik vraag me soms af: wat zou Karel hiervan hebben gevonden? Dat heb ik bij niemand anders. In die zin mis ik hem.
Hij heeft me in het verleden meer zelfvertrouwen gegeven. Ergens in de jaren zeventig zag ik een VPRO-documentaire over Cuba. De VPRO was Cuba niet onwelgezind en dat kon je aan die documentaire zien, maar hij bevrijdde me van de alom rondwarende, stevige dwang uitoefenende gedachte dat die tropische revolutie zo gek nog niet was.
Dat kwam door één scène. Het was een bijeenkomst van pioniers (communistische padvinders), die salueerden voor de Cubaanse vlag en leuzen riepen waarmee ze Fidel Castro, El Líder Máximo, lof toezwaaiden. Ik had meteen het gevoel dat ik klaar was met Cuba.
Maar hoe kon ik dat volhouden? Ik had mijn gewaarwording slechts gebaseerd op die ene scène. Toen las ik een stuk van Van het Reve waarin hij zei dat je maar één nummer van de Peking Review hoefde te lezen – met al zijn succesverhalen, haattirades en bewieroking van Mao – om te weten dat China een politiestaat was. Dat sterkte mij.
Van het Reve lezen is de beste remedie tegen mensen die beweren dat vrijheid van meningsuiting niet zoveel waard is, dat sommige gruwelen ‘historisch noodzakelijk’ zijn, dat totalitaire regimes ook wel goede dingen hebben voortgebracht, dat je de feiten niet kunt begrijpen als je de achtergronden niet kent en dat je herhaling van woorden moet vermijden.
Ik wil hem nu zelf aan het woord te laten. (Wie meer citaten wil, moet naar zijn boeken grijpen.) Deze passage gaat over de algemeen aanvaarde stelling dat het al of niet voorkomen van een woord in een taal iets zegt over het al dan niet voorkomen van het door dat woord aangeduide ding bij de sprekers van die taal. (Het zou bijvoorbeeld betekenen dat als een taal het woord voor ‘pols’ mist, de sprekers van die taal geen pols hebben.)
Karel: ‘Deze stelling is zeer verbreid, in vele varianten. Het Arabisch kent wel honderd woorden voor paard. Daaruit blijkt dat het paard in het leven der Arabieren een grote rol speelt. De joden kennen het woord chotspe. Daaruit blijkt dat de joden brutaal zijn. De Etrusken kenden geen woord voor links of rechts. Daaruit blijkt dat zij het verschil tussen links en rechts niet kenden en daarom verdwaalden zij steeds. Niemand weet waar zij gebleven zijn.’
Zie voor nog meer Karel zijn praatje voor de Wereldomroep over zijn eigen stemgedrag: http://www.youtube.com/watch?v=vlmoxDBde_A.

Bob Frommé 

Accenten

In films en tv-series kan het zeer storend zijn. Mickey Rourke  speelt een Noord-Ier die in de IRA zit en veel contact heeft met een priester (Bob Hoskins). Hij spreekt die priester aan met father. Rourke is een Amerikaan en Amerikanen kunnen nog zo hun best doen, maar fa’er zeggen zoals de Noord-Ieren dat doen, gaat ze moeilijk af. Het accent van Rourke klopte niet en alleen al daardoor viel die film, A prayer for the dying, in het water.
Beter ware geweest dat de scenarioschrijver een subplotje had bedacht waardoor het aannemelijk zou zijn geworden dat een Ierse Amerikaan  lid wordt van de IRA. Had heel goed gekund. Dan had Rourke niet tevergeefs hoeven zeggen dat de veilens (violence) wel degelijk juus (use) had in Narden Eilend.
Laatst zag ik de film Race, over de Olympische Spelen van ’36 in Berlijn, waar Jesse Owens, de in het geheel niet Arische Jesse Owens, vier gouden medailles won. Twee Amerikaanse joodse sprinters werden uit de 4×100 meter gehaald om de nazi-organisatie tegemoet te komen. Dat was het slinkse, meegaande werk van een Amerikaanse bobo, Avery Brundage. Die werd gespeeld door de zeer Engelse Jeremy Irons. Hij probeerde uit alle macht Amerikaans te spreken, maar daarin faalde hij opzichtig. Het was pijnlijk om te zien. Herstel, om te horen.
In Nederland moeten heel veel acteurs Amsterdams spreken. Dat komt onder andere, doordat series bij voorkeur worden opgenomen in Amsterdam, omdat al die acteurs nou net daar en niet toevallig daar wonen. Frank Lammers Brabants horen spreken is heerlijk, omdat dat helemaal authentiek is. Maar ik zag eergisteren de film Ferry, waarin Frank weer schitterde, maar waarin de Limburger Huub Stapel een Amsterdamse maffiabaas speelde. Hij wendde voor Amsterdams te spreken, maar ook hij faalde opzichtig.
Zelfde probleempje deed zich voor in de serie Klem, waarin Jacob Derwig een Amsterdamse crimineel speelt. Met een Amsterdams accent spreken kan hij niet. Hetzelfde geldt voor de Bunnikse Carice van Houten, die in Red Light een hoer speelde. Ze doen hun best, maar het klinkt niet. Je zou naar het scherm willen roepen: “Niet doen, jongens!”, maar dat is dan al te laat.
Het is toch een kwestie van talent. Karin Bloemen is, net als een goeie vriend van mij, heel goed in Britse accenten. En iemand als Paul Groot kan niet alleen het Utrechtse accent van Henk Westbroek goed nadoen, hij deed ook nog eens keer diens stem en lichaamshouding perfect na. En de ‘kutjes’ van Jeroen van Koningsbrugge en Dennis van der Ven zijn aanvaardbaar Rotterdams. Goed acteren alleen is niet genoeg.
Ik heb een keer in Londen de musical Guys and dolls gezien. Hoofdrol: de Schotse filmster Ewan McGregor. Hij praatte net als iedereen in die musical plat New Yorks. (Vergelijk Archie Bunker: fooist voor first en pooison voor person.) Het klonk vrij overtuigend, maar ja, ik ben geen Amerikaan. Dus zocht en vond ik in de pauze Amerikanen. Ik vroeg ze of het accent van McGregor overtuigend was. Ze vonden van wel, maar volgens hen sprak bijna niemand in New York nog zo.
Ik vrees dat alle Amsterdamse rollen – zelfs die van een Don Juan – voortaan gespeeld moeten worden door Michiel Romeyn. Die kan het.

Bob Frommé

Architectenlatijn

Ik heb zin in een heerlijk potje architectenlatijn. Architecten zijn namelijk meer dan ontwerpers van gebouwen. Zij zijn ook tegen de klippen op zelfbenoemde kunstenaars, en kunst moet nu eenmaal worden omgeven door een waas van woorden.
Mijn kampioen in dezen is ir. Wiel Arets. Dat is geen kleine jongen. Ontwierp het Groningse stadion de Euroborg, de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en woontorens op het Amsterdamse KNSM-eiland en bij de Rotterdamse Erasmusbrug. Verder wordt hij ook gerespecteerd als theoreticus en bracht hij het tot hoogleraar in Berlijn en Chicago.
Arets weet wel weg met taal. Zijn ontwerpfilosofie is niet zomaar een ontwerpfilosofie. Hij liet zich terdege inspireren door de ideeën van Rossi en Grassi. Ik ken Rossi en Grassi niet, maar ze lijken me een leuk stel. Hier komt de duiding van Arets: ‘De architectuur wordt beschouwd als een dynamisch proces, waarbij de continuïteit in ruimte en tijd centraal staat, en waarbij men stelt dat de architectuur een antwoord moet geven op het probleem van de realiteit door zichzelf te zijn…’
Hier bestaat de gelegenheid het voorhoofd te fronsen en – als u het licht ziet – instemmend te knikken en te mompelen: “Ja, jezelf zijn is iets moois. Waar zouden we blijven als de architectuur niet zichzelf was, maar iets anders? De maan boven de Wieringermeer bijvoorbeeld of een stapel linkerwanten. Dan zou van dat bouwen verdomd weinig terechtkomen!”
Ik vraag de lezer nog even door te bijten, want Arets heeft zelf een zo mogelijk nog hoger gegrepen visie: ‘Architectuur is een instrument van gedachten, constant in opwachting. Het is een feest voor de geest, met als belangrijkste functie de potentie. Ze probeert in een gerealiseerd fragment uit te drukken wat in feite niet uit te drukken is, wat we niet kunnen vatten binnen een enkelvoudige uitdrukking; ze probeert door de uitdrukking van het fragment een oneindig aantal uitdrukkingen op te roepen.’ Wie het niet begrijpt, kan het nog altijd beschouwen als een zeldzame woekering van woorden.
Ooit werd Arets geïnterviewd in Elsevier. Als je dat leest, zie je meteen: hier is een groot kunstenaar aan het woord. Hij schudt de ene paradox na de andere uit zijn gewijde mouwen.
Hier komt er één: “Een van de essenties van architectuur is: bewegen. Ik heb het altijd over een cinematografische waarneming. Waar je ook zit, je neemt ruimte waar.” (Instemmend gemompel. “Dat is ergens zo.”)
Verderop wordt het nog mooier: “Alle gebouwen zijn interieurs. Wij mensen kunnen nooit buiten zijn. Als je door een weiland loopt, ben je ook binnen. We zijn altijd in een ruimte en of dat de Sahara is of de bibliotheek van Utrecht maakt niet uit. Ik benader alles vanuit interieuriteit.” In de Sahara ben je binnen! Geef ons nog meer van die glanzende paradoxen.
Ja, deze: “Ook als je alleen bent, leef je samen.” Dit moge een opluchting zijn voor alle eenpersoonshuishoudens, het roept ook een mist op waarin een mens gemakkelijk kan verdwalen.
Het is wel zo, dat gehollewaai van een architect niet per se betekent dat wat hij maakt, onzin is. De Bazel aan de Amsterdamse Vijzelgracht is een schitterend gebouw. Architect Karel de Bazel ontwierp het volgens theosofische principes. Vage mystiek kan dus wel degelijk tot een mooi resultaat leiden. Die anthracietkleurige, 22 verdiepingen tellende woontoren op het KNSM-eiland is geen belediging van het oog. Die Arets weet wat hij doet, zou je zeggen. Daar plaatste bewoner Tim Krabbé de nodige kanttekeningen bij.
Over zijn uitzicht vanaf de negentiende had hij geen klachten, maar het gebouw heeft irritante kenmerken. Krabbé: ‘Aan de toegangsdeur van dit gebouw is de huiseigenarenvereniging tonnen kwijtgeraakt, omdat het oppervlak ervan zo groot is, en de wind op dit eiland zo raar kan staan, dat het voor lieve oude dametjes als mijn moeder soms onmogelijk was om die deur open te trekken. Toen er een naar binnen draaiende deur van werd gemaakt, kreeg zij hem met een beetje wind méé met haar pink open, maar dan was de dranger weer meteen kapot. Natuurlijk snap ik ook wel dat een kunstenaar er geen rekening mee kan gaan houden dat deuren open en weer dicht moeten. Het eind zou zoek zijn. Nu hebben we een schuifdeur. Goddank mocht het van Arets.’
Dit doet denken aan de hoge, zware deur van de dames- en heren-wc in het Amsterdamse Rozentheater (niet van Arets), die in het midden scharnierde, waardoor het binnengaande mannetje de deur, door die naar zich toe te trekken, pardoes in het gepoederde neusje van het uitgaande vrouwtje duwde. Toen iemand lelijk had klemgezeten, hebben ze die deur maar een tijdje schuin vastgezet, met het grote nadeel dat je bij de mannen en de vrouwen naar binnen kon kijken.
Krabbé weer: ‘De benedenverdieping bestaat uit een zaal, die zorgvuldig zo is ontworpen dat er niets mee te doen valt. Wat mij echter het meest aan die zaal verbaasde, was dat de ramen daar niet van de vloer doorlopen tot aan het plafond, maar op twee derde van de hoogte overgaan in steen, of gestuct beton – in ieder geval iets waar je niet doorheen kan kijken. Een soort oogkleppen. Wel een beetje stom van die architect, vond ik, want nu kon je de overkant niet zien, en alleen maar het water. Jaren later zag ik een interview met Arets waarin hij zei dat dit expres was – op deze wijze zorgde hij ervoor dat wij één zijn met het water.’
Ooit zei architect F.J. van Gool over zijn kantoorgebouw aan de Weteringschans te A’dam: “Wat ik daar gemaakt heb, is een solo van 312 ramen, zo heb ik het willen maken, dat is mijn karakter.” Daartegen is Gerrit Komrij in Het boze oog (1983) al eens uitgevaren. Maar zelfs Gerrit kon niet voorkomen dat architecten zijn doorgegaan met het produceren van gelul ter begeleiding van hun ontwerpersactiviteiten. We moeten dus vrezen dat de toestand hopeloos is.
Met lichte verbijstering ernaar kijken is het enige, want mezelf in wanhoop van een 22 verdiepingen tellend gerealiseerd fragment met potentie werpen ben ik vooralsnog niet van plan.

Bob Frommé

PS Dit stuk verschijnt eerlang in Argus