Bericht uit het oogziekenhuis

Ja, ik ben ten tweede male onder het mes gegaan. De eerste keer was eind jaren tachtig (blinde darm). Nu was het een operatie aan mijn linkeroog, waarin zich de aandoening groene staar (glaucoom) had genesteld.
Eigenlijk was het een operatie tegen grijze staar, maar die groene staar werd er ook iets beter van. De vervanging van de ooglens had ook een gunstig effect op de min vijf van dat oog. Het zou nu nul worden.
Heel fijn, dit, maar ze gaan wel in je oog snijden. De enige passende houding: geen angst, maar blind vertrouwen. Misschien is het een methode om de verborgen angst eronder te houden, maar ik word vrolijk van ziekenhuizen. Je moet niet willoos, als een bang konijntje, alles over je heen laat komen. Je moet laten zien wie je bent en zo veel mogelijk de liefst vrolijke stemming bepalen. (Kan natuurlijk alleen als je niet verrekt van de pijn.)
Terwijl ik op een soort operatiestoel zat te wachten op de dingen die komen gingen, hield ik mezelf bezig met cryptogrammetjes maken. Toen een aardige verpleegkundige – aardig zijn ze allemaal – poolshoogte kwam nemen, stak mijn extraverte ziekenhuis-ik de kop op. Ik liet haar meedenken over de opgaven. “Wat,” zei ik, “zegt men bij een doelpunt van een gevangene? Twee woorden van drie letters.” Ze had geen idee. “Die zit!” Het duurde even voor ze het begreep. Ze lachte en zei: “Het is goed voor de hersenen.” Ja, voor je het wist, was je dement. Ze haalde koffie.
Na enige tijd toverde een andere verpleegkundige de stoel om in een bed en werd ik naar de operatiekamer gereden. Het werd nu serieus, maar ik probeerde de stemming erin te houden. Twee mannelijke, mondkapjes dragende artsen brachten de boel in gereedheid. Boven mijn linkeroog zat een daar aangebracht stipje, opdat het goeie oog ongemoeid zou worden gelaten. Een van de artsen vroeg aan welk oog ik geholpen moest worden. Ik gaf het goede antwoord en voegde eraan toe, dat ik weleens had gehoord dat iemand uit de narcose kwam en ontdekte dat zijn verkeerde been was afgezet. “Als we uw been gaan afzetten, zult u dat wel voelen,” zei de arts droog.
Ik lag nu onder een dekzeil met een gaatje ter grootte van mijn linkeroog. Wat gebeurt er, vroeg ik, als ik moet niezen. Dan moest ik gewoon ‘stop’ zeggen. Een verpleegkundige zei dat ze dit werk al negen jaar deed, maar dat nog nooit iemand tijdens de operatie had geniesd. Ik zei dat ik tamelijk vaak en hard niesde en dat ik dat van mijn vader had, die geregeld opschudding veroorzaakte door in de kerk keihard te niezen. Dat galmde lekker.
Tijdens de operatie werd ik stil. Er staan toch mensen in je oog te snijden en de verdoving was niet totaal. Ik lag af en toe zachtjes te kreunen. Het duurde ook erg lang. “Hoe ver zijn we?” vroeg ik. Het oude lensje was er bijna uit. Even nog. Toen het zeil van me werd afgehaald, was opluchting mijn deel. Een verpleegkundige reed me de kamer uit en ik kon nog net roepen: “Bedankt, mannen!” Ik verstond hun antwoord niet, maar ik kon vermoeden wat ze zeiden.
Missie volbracht. Ik had niet geniesd.

Bob Frommé

De Onbekende Acteur

Ik had ooit een idee dat ik meedeelde aan de wereld, maar dat niet ten uitvoer werd gebracht, hoewel het een goed idee was. Ik pleitte voor de oprichting van een monument voor de Onbekende Acteur. Veel acteurs – figuranten tellen we niet mee – blijven naamloos, want hun naam staat wel ergens op de aftiteling, maar die ben je meteen weer vergeten. Ze zijn meestal niet moeders mooiste. Je vraagt je soms af waar ze die rotkoppen vandaan halen.
De Onbekende Acteur die ik als eerste dat monument gunde, trad op in de prachtfilm Deliverance. Hij heeft een onaantrekkelijke kop, met een beetje kwaaie wil een varkenskop. Hij wordt in de bergachtige wildernis van Tennessee verkracht door een lid van een plaatselijke bende whiskey-stokers met gebitten als kerkhoven. De Onbekende Acteur krijgt daarbij het bevel om te krijsen als een varken. (Daar is hij jarenlang mee achtervolgd. Mensen die hem tegenkwamen, riepen “Krijs als een varken!” naar hem.)
Ik stelde me voor dat hij als aspirant-acteur bij de telefoon zat te wachten op een aanbieding. Ha, daar was de assistent-assistent-castingdirector van Deliverance. “Wij zoeken iemand,” zei die persoon, “die een kop heeft als een varken. Nu, die heeft u. Maar u moet ook nog eens kunnen krijsen als een varken. Doet u maar even.” De Onbekende Acteur slikte, haalde diep adem en zette een keel op. Hij kreeg de rol.
Burt Reynolds sprak hem in die film steeds aan met ‘bolle’. Maar hij mocht, naast alle vernederingen, enigszins zijn gram halen door zijn commentaar bij een actie van macho Reynolds, die in de film Lewis heette. Lewis schoot met pijl en boog en veel machtsvertoon een vis uit de rivier en de bolle riep: “Terrific, Lewis!” En zei zacht terzijde: “I hate him.”
Die lelijke acteur bleef lelijk, maar hij speelde na dit debuut vaker in films. Ik leerde nu ook zijn naam kennen: Ned Beatty. Hij verdiende zelfs een Oscar-nominatie. De titel Onbekende Acteur ging weliswaar aan zijn neus voorbij, maar hij had zich, met zijn kop, bewezen als een Karakteracteur. Die afschuwelijke mountain men waren de eigenlijke Onbekende Acteurs.
Later zag ik de film Phileine zegt sorry. Daarin komt een scène voor op een feest. Drie meiden onder leiding van Kim van Kooten zeiken een zielige jongen af, die met zijn rug tegen een koelkast staat gedrukt. Meiden doen dat niet zo (en zeker Kim van Kooten niet), maar die jongen zit ermee. Ze pesten hem met zijn lelijke hoofd en zijn saaie persoonlijkheid. Hij zegt niets terug.
Iemand moest die jongen spelen. Hij mocht niet mooi zijn. Hij moest lelijk zijn en zijn lelijkheid nog laten verhogen door gegrimeerde pukkels. Hij zat niet bij de telefoon, maar lette wel scherp op zijn mobieltje. Ha, daar was de assistent-assistent-castingdirector van Phileine zegt sorry. “We hebben je in het grote fotoboek gevonden. Je hebt een perfect sullige kop. Kun je zwijgen, als je vernederd wordt? (stilte) Mooi zo.”
Hij is de waarlijke Onbekende Acteur. Dat monument komt er niet, maar ze hadden hem toch wel een Gouden Kalf voor de Ondankbaarste Rol kunnen geven?

Bob Frommé

Verslaafd

Ik ben verslavinggevoelig, vrees ik. Onder meer voor gokverslaving. Dat heb ik gemeen met Multatuli, Dostojewski en Rien Nevaplus. Zo zie je maar dat ik niet de enige ben.
Ik ontdekte die gevoeligheid in mijn studententijd. In een Utrechtse woongemeenschap werd meermalen per week gekaart, om geld. Pokeren, boerenbridge, 21-en. Ik deed dat met grote inzet en een kleine beurs. Toch wist ik die beurs menigmaal met kaartwinst aan te vullen. Dat werkte verslavend, hoewel verliezen ook een reden is om toch weer te willen spelen.
Een belangrijk kenmerk van gokverslaving is denken dat je het derde oog hebt. Dat je dingen ‘aanvoelt’ en voorspellende gaven hebt. Nog steeds als jong student liftte ik naar Zuid-Frankrijk, waar in Saintes-Maries-de-la-Mer in de Camargue gewoon in de openlucht een roulettetafel stond. Vanaf een uur of negen ’s morgens kon je daar spelen. Ik sliep op het strand en in alle vroegte dacht ik aan de roulette en wist ik wat ik moest spelen: 19 en 21 en zero B (die tafel had twee nullen en de croupier – grappenmaker – duidde zero B steeds aan als zero BB).
Ik arriveerde bij de roulette als eerste en enige. De croupier stond te kletsen met een collega, terwijl ik mijn fiches op 19, 21 en zero B zette. Het wiel draaide en het balletje viel op een verkeerd getal. Maar omdat er letterlijk nauwelijks iets op het spel stond, vergat de croupier mijn fiches weg te harken. Hij liet het balletje weer ronddraaien en potverdorie het viel op de 19! Betalen, pannenkoek!
Dan ga je toch denken dat je ‘het hebt’. In het verdere verloop van het spel werd dat gelogenstraft. Het ging soms goed, maar vaak ook fout. Ik stopte niettemin met een minimale winst. Volgende dag weer, nu met een minimaal verlies. Ik weerstond de aandrang en liftte verder, beducht voor de verslaving.
Toen het eerste casino in Nederland werd geopend (Kurhaus, 1976), konden een vriend en ik de verleiding niet weerstaan. Ik had het enorme bedrag van honderd gulden bij me en dat verloor ik, na eerst al snel op winst te hebben gestaan. Dan weggaan is geen optie, je bent er net. Het was een waanzinnig spannende ervaring. Maar een volgend bezoek kon ik me niet permitteren.
Altijd weggebleven uit het casino, maar zeer onlangs toch weer eens gegaan, nu in Rotterdam. Mijn aarzeling was groot, maar vooruit. Bij binnenkomst verbaasde ik me over de grootte ervan en over de grootte van sommige gokmachnies die eruit zagen als een skischans. Gezellig kon je de sfeer niet noemen. Een speler met een dominee Gremdaat-wybertjestrui wisselde voortdurend twee honderdjes voor fiches, die hij vreugdeloos inzette.
Aan de blackjacktafel zat ik naast een man die niet reageerde op wat ik over het spelverloop zei. Ook zo’n vreugdeloze speler. Ik won, verloor, won, verloor en verloor nog een keer. Alles kwijt. ‘Alles’ was 140 euro. Was ik diep gefrustreerd en nam ik me voor terug te komen om mijn gram te halen? Nee, ik was er onverwacht kalm onder.
Mijn angst voor gokverslaving bleek ongegrond. Nu heb ik alle tijd om al mijn andere verslavingen een schop onder hun kont te geven.

Bob Frommé

Hugo Camps

Ruim een week geleden overleed de Vlaamse interviewer/columnist Hugo Camps. Hij schreef, ook voor Elsevier en de NRC, veel over sport, en altijd in barokke taal. In de necrologieën die over hem verschenen ‘dansten zijn woorden over de pagina’ en waren zijn columns ‘meesterwerkjes’. Niet iedereen ging daarin mee. Ik al helemaal niet. Bijna acht jaar geleden hield ik zijn stijl tegen het licht. Ik wil daar de lezer opnieuw deelgenoot van maken. Het zal duidelijk zijn dat hier het adagium ‘over de doden niets dan goeds’ met enig schouderophalen wordt begroet. Dat stukje ging zo:

Als schrijvertje kijk je naar andere schrijvertjes. Hoe doen die jongens en meisjes het. Je kijkt ernaar met bewondering, afgrijzen of onverschilligheid – alles in gradaties, natuurlijk. Maar er is er eentje hors catégorie: Hugo Camps. Naar hem kijk ik met verbijstering. 
Hij is de Vlaamse voorvechter van de melancholie en de passie. Ik zou haast zeggen de typisch Vlaamse voorvechter, maar dat is slechts een vermoeden. Hij wordt alom geroemd wegens zijn ‘meeslepende stijl’.  
Ik heb een verzameling aangelegd van campsjes, uitingen van totaal ongeremde, krankzinnige lyriek. Hij hield zich nog in toen hij in de NRC over Chris Froome schreef: ‘In deze hele Tour heeft Chris Froome niets van zichzelf blootgegeven. Hij stond erbij alsof hij was opgetrokken uit zoutzuilen.’ Dat geforceerde beeld van die zoutzuilen was Camps op zijn allereenvoudigst. 
Ooit zat hij tegenover de Nederlandse schaatster Yvonne van Gennip. Hij zag langs haar voorhoofd ‘kristallen paarden draven’. Zoiets kan alleen Hugo Camps zien en daar is hij fier op. Hij zag nog veel meer: ‘De zorgvuldig opgestoken haren doen denken aan barokmuziek, avondjurken en vlinderkusjes. Yvonne van Gennip zonder schaatsen: een alfadame, bijna Victoriaans verschemerd achter een kreeftensla.’  
In de wereld van Hugo Camps zijn sporters geen gewone mensen. Zij zijn, in zijn termen, intuïtieve existentialisten met een gekwetste, koortsige ziel. Ze lijken eigenlijk allemaal op Hugo Camps. En op elkaar, want toen Frank Rijkaard wegging bij AC Milan, meende Camps dat die nu tijd had ‘voor experimentele chaos, barokmuziek en vlinderkusjes’. 
Rijkaard mompelde wat over zijn vertrek uit Milaan. Dat mompelen schreeuwde om een duiding: ‘Woorden als schaduwen op rijm die uit een masker van alledaagsheid kwamen gevallen.’  
Dit is niet te overtreffen, zou je zeggen. Toch wel. Ruud Gullit ging ook weg uit Milaan, maar werd door het Nederlandse volk ‘alleen gelaten’. Camps bedacht daar deze nog dramatischer wending voor: ‘Nu het einde nadert, wordt hij als een stalinistische schimmel aan de kant gezet.’ 
Verzin het maar eens, die stalinistische schimmel. Ja, hij had ook kunnen schrijven dat Gullit aan de kant werd gezet als het maanzieke paard van Sinterklaas. Het is volkomen onzinnig. 
Volgens mij zit het zo: niet alle poëzie hoeft meteen begrijpelijk te zijn, maar niet alles wat onbegrijpelijk is, is vanzelf poëzie. Het kan ook lariekoek zijn. Dankzij het misverstand dat onbegrijpelijkheid hetzelfde is als poëzie, kan Camps elk beeld dat bij hem opkomt tot vondst promoveren (zie ook de tekstschrijver van Bløf).  
Heel veel mensen vinden het prachtig. Misschien is dat nog het onbegrijpelijkst. Als ik daaraan denk, voel ik me een opgevouwen persoonlijkheid die bloed drinkt uit een vissenkom. 

Bob Frommé

Wel of geen hoed


Ja, honderd jaar geleden droeg iedereen een hoed. Hele stadions zaten vol met hoedendragers. Het was raar als je geen hoed droeg. Nu is dat heel anders. Ik moest erg lachen om een column van Thomas van Luyn: ‘Er is veel dat mij slecht staat, en maar één ding goed: een hoed. Hoeden staan mij geweldig. Maar ik wil geen hoed, want een man onder de 80 met een hoed is een pretentieuze zak hooi.’ Ik voel dat wel met hem mee, hoewel ik er mijn beste vrienden onder heb, onder die hoedendragers.
Een hoedendrager is toch iemand met op ziijn hoofd een vlaggetje dat wil zeggen: ‘Let maar niet op mij, want ik ben een enorme persoonlijkheid.’ Vooral in Amsterdam kun je die soort aantreffen. Filosofen, architecten, artistieke leiders met zwierige sjaals en stoppelbaardgroei spelen een persoonlijkheid onder hun hoed, zeker als ze die ophouden in een niet-lekkend pand. Ik hoorde laatst de term ‘neppertje’ voor zulke persoonlijkheden. Ik denk dan spontaan aan Ronald Plasterk, voor wie die term lijkt uitgevonden. En het is een wonder dat Hugo de Jonge geen hoed draagt. O, wacht even, ik snap het al: dan gaat zijn coupe fantastique door de war.
Ik ben geen hoedendrager. Daar mis ik de persoonlijkheid voor. (Heb ik gemeen met de vogelverschrikker, die niettemin een hoed draagt.) Doe ook maar geen pet, muts of hoodie. In de goed verwarmde studio van Lubach zat rapper Brainpower met een muts op zijn hoofd. Hoewel het inmiddels heel gewoon is, bekijk ik dat toch met lichte verbijstering. Waarom die muts? Heeft Brainpower een kale kruin? Of wil hij nog steeds cool en flex zijn?
Toen ik nog klein was, wilde ik, net als nu, niet opvallen. Ik was dat jongetje uit Prikkebeen van Willem Wilmink. Dat jongetje gaat als Prikkebeen verkleed naar een feest en krijgt van zijn moeder een hoge hoed opgezet. Maar hij geneert zich, omdat hij ermee over het schoolplein moet. Hij wil hem alleen thuis op. ‘Dan ben ik jouw eigen Prikkebeen, moeder.’ Ik zou ooit, min of meer als zeeman, naar een verkleedfeestje gaan en mijn moeder wilde op mijn arm een ankertje tekenen. Dat wilde ik niet, want ik moest ermee over straat. Ik was duidelijk geen hoedendrager in de dop.
Zullen we toch nog iets ter verdediging van hoedendragers zeggen? Ja, Waarom eigenlijk geen hoed op je hoofd? Het is immers bescherming tegen de elementen? Tenzij het stormt, is het een praktisch ding. Kijk maar eens naar de ouderwetse tent. Daarin zien we een stok die stut is voor waterwerend textiel. Nadeel: de tent vergezelt de bezitter niet, de tent blijft staan terwijl de bezitter buiten in de regen loopt. Daarvoor is een oplossing bedacht: de paraplu, die de bezitter kan vergezellen op zijn weg. Nadeel: de stok moet te allen tijde worden vastgehouden. Remedie: de hoed, waarbij de bezitter zijn eigen stok is. Nadeel: niet iedereen kan een hoed dragen.
Nu ja, dan maar geen hoed.

Bob Frommé

Jochem


Ik heb lang gedacht dat ik wist wie de grootste schatten van Nederland waren. In willekeurige volgorde: Willem Wilmink, Leo Vroman, Maarten Biesheuvel. Ik zocht het dus in de literaire hoek. Inmiddels heb ik twee nieuwe namen, die de hiervoor genoemden overtreffen (literaire jongens zijn minder lief dan je denkt, en sterfelijk): André van Duin en Jochem Myjer.
André van Duin is zonneklaar. Dat hoef ik niet uit te leggen, en ik heb maar plek voor één schat. Welkom in dit stukje, Jochem Myjer!
Ik was al diep onder de indruk, toen je, kort na de levensreddende operatie aan een ruggemergtumor, 24 uur bij Wilfried de Jong was. En nu heb ik je pas nog gezien in gesprek met Coen Verbraak (foto). Tering! Als er geen beeldscherm tussen ons had gezeten, had ik je omhelsd.
Natuurlijk was je bekend als maffe adhd-cabaretier en briljante imitator, maar door die uitzendingen zag ik je in een heel ander licht. Hoe hartverwarmend is het, zoals jij het leven omarmt. Typische Myjer-uitspraak: “Alles is feelgood! Alles moet feelgood zijn.” Als Hans Teeuwen Tarantino is, ben jij Notting Hill en Love actually. Je hebt alle romcoms in huis. Je hebt echt wel weet van de ellende in de wereld, maar juist daarom wil je de mensen een goed gevoel geven. “Ik ben een pleaser!” Ja, je praat met veel uitroeptekens.
Je hebt veel meegemaakt: als jongetje gepest, dan die bijna dodelijke tumor tien jaar geleden, en het auto-ongeluk van zijn ouders dit jaar, waarover je met ontroering sprak: “Ze moesten uit het wrak worden geknipt en lagen in duizend stukjes in het ziekenhuis, hand in hand. ‘We leven nog, schat.’ Dat knokken heb ik van hun.”
Je hebt vijftig procent minder energie dan voorheen (al is dat niet te horen, als je spreekt) en je kijkt nu anders tegen het leven aan. Je kunt nu volop genieten van de natuur. Dat begon al in het ziekenhuis na die operatie. Je genoot daar van de zonsopgang, eigenlijk voor het eerst. Nu ga je graag een dag of vier wandelen met een rugzakje. En dan niet in Noorwegen, wat heel goed zou kunnen, maar eenvoudiger en dichterbij, op de Veluwe. “De natuur boven alles. Ik haal alle levenslessen uit de natuur.”
De drempels in je leven hebben je sterker gemaakt en meer in staat tot geluk. Zo’n natuurbeleving is minstens zo mooi als honderd keer Carré. En dat is weer niet mooier dan de eerste keer in theatertje Pepijn in Den Haag. Wat is de zin van het leven? Jij maakt daarvan: de zin ín het leven. En waar streef je naar? “Ik word gelukkig van andere mensen gelukkig maken.”
Een pleaser willen zijn is niet zo cool. Jochem. Je hoort de mensen schrik aan te jagen en tot nadenken te stemmen. Je voelt je verwant aan Toon Hermans – je kunt hem ook knap nadoen – en je geneert je helemaal niet voor zo’n feelgoodhouding.
Ik vind dat prachtig. Veel te lang heb ik een afkeer gehad van feelgood. Als het geen pijn deed, was het niet goed. Over mezelf nadenken was mezelf pijnigen; al het andere was de waarheid niet onder ogen willen zien en mezelf pleasen. Zelfkritiek? Zelflastering!
Ach, zoals jij praatte… Ik zag een bevrijd man, die ik als goeroe zou willen, als ik een goeroe zou willen.

Bob Frommé

Frommé is geen Fromme

Ik tast vandaag diep in de eigen buidel. Of nee, ik vergis me: ik bedoel egocentrisme. Hoezo dat? Wel, ik heb mezelf gegoogeld. Daarmee volg ik het voorbeeld van mijn ex-Parool-collega Peter van Brummelen, die een kleine ontdekking postte. Hij had op Google gezien dat hij een naamgenoot had in Toms River, New Jersey. Maar die was in 1975 omgekomen bij een tractorongeluk. En er bleken in Toms River nog vier Van Brummelens te wonen.
Ik Bob Frommé googelen. Had ik al eens eerder gedaan, maar niet erg grondig. Met Bob Frommé kom je niet ver. (Dat zouden sommige mensen kunnen bevestigen.) Zonder dat accent kom je Bob Fromme wel vaker tegen. Fromme, Vrome, is een Duitse naam en dat accent is erop gekomen, doordat mijn voorouders in het Saarland woonden, dat soms bij Frankrijk, soms bij Duitsland hoorde. De Duitse naam is uit opportunisme verfranst. Dat moet het zijn.
Een beetje smokkelen mag; we trekken ons gewoon niets aan van dat accent. De Bobben Fromme op internet wonen vooral in de Verenigde Staten. En het is me een stel! De mannelijkheid druipt ervan af. Mijn ‘dubbelgangers’ zijn macho’s van het onzuiverste water. Als ze het woord cultuur horen, grijpen ze naar hun revolver.
De ergste is wel Bob Fromme uit San Diego. Die man poseert met de bruine beer die hij zojuist met pijl en boog heeft geschoten. Voet op het dode dier, boog in de hand en een ongelooflijke grijns op zijn gezicht. He’s the man!
Hij schijnt wereldrecordhouder berendoden te zijn. Zijn beer was de zwaarste die ooit met pijl en boog werd gedood. En hij is op weg naar een ander record: dat hij van alle soorten groot wild in de VS ten minste één exemplaar  heeft omgelegd. Foto van Bob met geveld hert. Just great.
We hebben ook nog Bob Fromme de trotse Vietnamveteraan uit Kansas, Bob Fromme de schietinstructeur uit Indiana en Bob Fromme de gepensioneerde deputy sheriff uit North Carolina. Bob Fromme de radiomaker uit Kansas is een uitzondering. Hij won een prijs met een documentaire, maar die ging dan weer over de Kansas City Chiefs, breedgeschouderde jongens uit het American football. Nee, de enige Bob Fromme die geen oorlog wil, is ondergetekende.
Maar het kan ook anders. Nog een oud-collega bij Het Parool, Mark Moorman, zocht al eerder naar alle andere Marken Moorman op de wereld. Hij kwam veel ‘dubbelgangers’ tegen, onder wie een cameraman uit Miami. De Nederlandse Moorman schrijft veel over film, dus dat was een mooie coïncidentie. Het resultaat was een prettige mailwisseling tussen Mark Moorman en Mark Moorman. Volgens dit procedé zou een gemeenschap van alle Moormannen kunnen ontstaan, sterker, van alle naamgenoten in de wereld. De band tussen de mensen zou hechter worden en de wereldvrede zou niet ver meer zijn. Voorwaarde is wel dat die schietgrage Frommes niet meedoen.

Bob Fromme met accent 

Stukjes

De vorige keer dat ik in het Oogziekenhuis was, kreeg ik van een jonge arts een onbevredigend antwoord op de vraag waarom er een speciaal oogziekenhuis was en bijvoorbeeld geen KNO-ziekenhuis. Nu was ik er weer, ditmaal als voorbereiding op mijn aanstaande staaroperatie. Ik stelde de vraag opnieuw, nu aan een wat oudere verpleegkundige. Ze zei dat dit ziekenhuis ooit een kliniek was die werd opgericht door een stel ondernemende artsen. Dat bouwden ze uit tot ziekenhuis. Dus het was in zekere zin toeval. De vraag naar een oogbehandeling was altijd al groot geweest, maar nu alleen nog maar groter geworden, door de vergrijzing. “Specialistische ziekenhuizen zijn de trend.” (De term grijze staar heeft overigens niets met die vergrijzing te maken, hoewel het klinkt als staar bij grijsaards, zoals ook de door glaucoom veroorzaakte groene staar niet verwijst naar iemand die zich blindstaart op het milieuprobleem.)

Je hebt voor zowel mannen als vrouwen allerlei negatieve termen. Cryptogrammenmakers hebben een duidelijke voorkeur voor de vrouwonvriendelijke variant. Die zijn geschikter doordat ze vaker een dubbele betekenis hebben en dus gemakkelijker in een opgave te verwerken zijn. Ik noem muts, tang, nest, ka, pin. Dat gaat zo: gaan op kop bij slome dames. Oplossing: mutsen. Vervelend mens dat het signaal geeft om ongedierte te verwijderen: tekentang. Beestachtig bazige vrouw binnen het bedrijf: orka (een lastige). En er is – poging mijnerzijds – misschien ook iets te doen met ‘sieraad in haar oor’: lellebel. Als je woke wilt zijn, kun je cryptogrammen maar beter links laten liggen.

Toen ik in Utrecht woonde, at ik geregeld in een Portugees restaurant op de Biltstraat. Daar werkte een Braziliaanse die Nederlands sprak met een enorm Portugees accent. Bij het verlaten van het restaurant riep ze ‘tot ziens’ Althans, dat wilde ze, maar het klonk als ‘tot zie-oensj’. Veel later interviewde ik filmer Frans Weisz. Dat ging zo goed, dat ik er jolig van werd. Bij het afscheid riep ik op de trap: “Tot zie-oensj!” Daarop legde Weisz mij uit dat hij geen Sefardische, maar een Asjkenazische jood was. Heerlijk misverstand. En einde anekdote.

Op het eiland Vlieland liep ik met wat lege flessen naar de glascontainer. Voor mij was een vrouw bezig een aanzienlijke hoeveelheid wijnflessen weg te werken. We groetten elkaar vriendelijk. De vrouw had behoefte haar flessenarsenaal te verklaren. Ze zei: “Zo, het was gisteren een erg leuk verjaardagsfeest.” Die gêne bij de glasbak was herkenbaar. Zelf heb ik de lichte neiging, als iemand bij de bak naast de mijne staat, tussen alle wijnflessen duidelijk zichtbaar een lege augurkenpot door de opening te duwen. Kijk, ik heb heus niet alleen maar alcoholisch glaswerk bij me. Mijn moeder had een term voor dat lullige anderen naar de ogen kijken: menselijk opzicht. Het is in de loop der tijd sterk verminderd, maar ik ben er nog niet helemaal van verlost.

Wat zeg je als je tijdens een lange fietstocht een terras ziet waarop je aanstonds zult neerstrijken? “Na inspanning komt ontspanning op een uitspanning.” Ik stel deze zegswijze kosteloos ter beschikking aan de Nederlandstalige mensheid. Geen dank.

Bob Frommé

Kamerwater

Ik wist het niet, maar ik heb last van kamerwater. Nu ja, van de afvoer ervan. De goede verstaander voelde het al aankomen: dit is aflevering zoveel van het Medisch Bulletin van Bob ‘Ik heb nergens nooit geen last van’ Frommé. Welkom in Bobs Medisch Hoekje. Ik mag dan een maand geleden naar Vlieland zijn gefietst zonder elektrieke ondersteuning, de krakkemikkigheid rukt op.
Bij elke nieuwe stap op die krakkemikkigheidsweg leer ik nieuwe begrippen, die ik met een genietende grijns aan mijn woordenschat toevoeg. Kamerwater is er zo een.
Wat is er dan met dat kamerwater? Wel, dat zit in je oog en het verzorgt de spanning in je oogbol, opdat het zaakje niet in elkaar klapt. Maar als de afvoer van dat water (het ‘trabekelsysteem’) verstopt zit, loopt de spanning op, waardoor de oogzenuw wordt aangetast. Die schade is onomkeerbaar. Dan zie je minder en, als je er niets tegen doet, op den duur helemaal niets meer. Die verstopping heeft een naam: ‘open-kamerhoek glaucoom’. Dan weten we dat ook weer.
Op naar het oogziekenhuis aan de Schiedamse Vest. Ik was er voor het eerst. Hier gooit het oog hoge ogen. Een wachtruimte heet hier om onnaspeurlijke redenen Knipoog. Op de muren hangen onooglijke, wazige portretten die slechtziendheid symboliseren, en overal staan uitdrukkingen zoals ‘een oogje hebben op’, ‘geen oog dichtdoen’, ‘door het oog van de naald kruipen’, et cetera. Ik leerde ook een nieuwe uitdrukking: ‘het oog ziet altijd van zich af’. Slechtzienden worden in de lift bediend door een vrouwenstem die waarschuwt dat de deuren opengaan dan wel sluiten.
En kijk daar: een man die zojuist een staaroperatie heeft ondergaan. Staar? ‘Cataract’ zul je bedoelen. Om te voorkomen dat de geopereerde in zijn oog wrijft, draagt hij een beschermende halve bol over dat oog. Omdat de man die ik zag, aan twee ogen was geopereerd, vertoonde hij een sterke gelijkenis met Donald Duck.
Ik onderging drie testen: een oogmeting, een scan en een grondig onderzoek door een arts. Mijn ‘gezichtsvelduitval’ geldt alleen mijn linkeroog. Ik zie er bijna niets meer mee. De koele jonge arts stelde, na druppeling met een gemeen goedje, haar diagnose: aangetaste oogzenuw. Een oudere collega die ze raadpleegde, bevestigde dat ik oogdruppels moest gebruiken, maar zei ook dat een staaroperatie nuttig zou zijn. Ik had maar een beetje staar, maar het zou de oogdruk verminderen en mijn zicht verbeteren.
Heel goed, maar ik had toch nog een vraag die niets met mijn aandoening te maken had: vanwaar een speciaal oogziekenhuis? Oké, je had het Antoni van Leeuwenhoek tegen kanker, kinderziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen, maar geen KNO-ziekenhuis om maar iets te noemen. Mijn arts verloor haar koelte. Ze keek naar me alsof ik een mens was. Ze had zichzelf die vraag kennelijk nooit gesteld en een goed antwoord had ze niet.
Ik mocht dan wel links blind zijn en rechts doof, overblijfsel van de Ziekte van Menière, ik was goddank wel een mens.

Bob Frommé

De onderschatting van Anton Pieck

Ik kwam op de Noordwal van Hattem een schattig uitziend museumpje tegen: een paar witte pandjes met blauwe luiken. Het was het Anton Pieck Museum dat op dat moment gesloten was.
Wie is die Anton Pieck dan toch maar weer? Dat is toch die man van die sentimentele winterlandschapjes, die zoetige kerstkaarten en de Efteling? Typisch zo’n kunstenaar aan wie alle moderniteit is voorbijgegaan. Een regelrechte schande dus. Weet je wat? Anton Pieck is gewoon kitsch. Klaar. Exit Pieck.
Ja, dat vindt de weldenkende, over de juiste smaak beschikkende culturele gemeente. Maar zo simpel gaat dat niet. Anton Pieck (1895-1987) woonde 67 jaar van zijn leven in Haarlem – nu ja, Overveen – en al in 1934 was werk van hem te zien in het Frans Hals Museum. Dat kan worden beschouwd als lokaal chauvinisme, maar is toch vooral erkenning van het meesterschap van deze tekenaar, die zich het liefst liet inspireren door grote zeventiende-eeuwse schilders zoals Jan Steen en Hendrick Avercamp.
Natuurlijk is Pieck nostalgisch. Daarover heeft Drs. P eens een treffend lied geschreven: Winterdorp. Hij schetst de winterse malheur van alledag met veel knorrigheid en kou in een dorp aan de rivier. Maar dan verandert het perspectief: ‘Maar zie je ’t van de overkant/ Het kleine dorp in ’t starre land/ Een toevluchtsoord verpakt in sneeuw/ Dan denk je aan een and’re eeuw/ De dag verkwijnt en langzaam gaan/ Nu overal de lichtjes aan/ Dan is het knus, dan is ’t rustiek/ Een mooie klus voor Anton Pieck.’
Anton Pieck was een gedrevene. De vroegste anekdote over hem roept dat beeld meteen op. Toen hij drie jaar was, trof zijn moeder hem huilend aan in de kamer. Waarom dat huilen? Antwoord: “Ik kan de regen niet tekenen!” (Doet sterk denken aan Bavink uit Titaantjes van Nescio, die ‘stapelmal’ werd omdat hij de zon niet kon schilderen.)
Piecks werkdrift was enorm. Als het hem maar enigszins mogelijk was te tekenen, deed hij dat. Toen hij tekenleraar was aan het Kennemer Lyceum, holde hij soms in de pauze naar huis om verder te werken aan een tekening of ets.
Hij was op het eerste gezicht een burgerlijke huismus, maar hij trok weken door Marokko, waar hij vele tientallen tekeningen en aquarellen maakte. Natuurlijk reisde hij alleen maar om te kunnen tekenen. Pieck werkte altijd door. De indrukken in Marokko en het werk dat daar ontstond, gebruikte hij later voor zijn illustraties van 1001 Nacht en voor het ontwerp van de fantastische Arabische attractie Fata Morgana in De Efteling.
Hij werd ongekend populair door zijn nostalgische kalenderplaten. (Tenzij je een dode kunstenaar bent, is populariteit dodelijk voor je artistieke prestige.) In zijn latere levensjaren belden fans zo vaak bij hem aan, dat hij zijn naambordje van de deur haalde. Dat museumpje in Hattem mocht er van Pieck komen omdat het voldeed aan de voorwaarde dat het ver genoeg weg was van Overveen.
Niet alles wat Pieck maakte, was nostalgisch. Van zijn hand bestaan etsen van een leeg landschap bij Den Haag en prachtige potloodstudies van naakte vrouwenfiguren, die ik ooit heb gezien op een grote tentoonstelling in Haarlem. En laten we ook niet vergeten dat de Efteling zo’n weergaloze plek werd dankzij de liefdevolle hand van Anton Pieck.

Bob Frommé

P.S. Een uitgebreide versie van bovenstaande verschijnt eerlang in het blad Argus.

Zonnende adders

Ik ben de afgelopen weken naar Vlieland gefietst, over schitterende fietspaden. Het fietsen alleen onderbroken, toen we door een vrijwilligster werden overgezet op een langs een touw handgedreven pontje (à 60 cent pp). Die paden leidden door schitterende landschappen (ik kende Twente, maar Salland niet). En het was alle dagen schitterend weer. Allen: “Nu, daar zul je dan wel schitterende foto’s aan hebben overgehouden.” Mijn antwoord is nee. Gelukkig maakt mijn vrouw wel foto’s. 
Ik fotografeer niet om dezelfde reden als waarom ik niet twitter. Zowel twitteren als fotograferen is een bezigheid waaraan ik niet moet beginnen, omdat ik weet dat het een obsessie wordt.
Ik heb één keer door een stad gelopen met een fototoestel om mijn nek. Laat het nou ook nog Parijs geweest zijn! Even opzij, monsieur Cartier-Bresson, laat dat moment décisif maar aan deze jongen over.
Oei, daar wringt een brandweerwagen zich door een nauw straatje. Is dat een leuk beeld of niet? En kijk daar, een half afgescheurd affiche. Mooi! En daar, zo’n gekromd oud vrouwtje dat ooit mooi is geweest. Gelukkig heeft ze geen baguette onder de arm en staat op de achtergrond geen Eiffeltoren; anders zou het te erg zijn geweest. En als ik dat stukje muur nu eens vanuit die hoek in beeld neem…
Na een dag was ik gek van mezelf. Ik had geen moment rust. Elk moment kon een beslissend moment zijn. Blijf kijken, blijf kijken. Nee, ophouden daarmee. Ik fotografeer nu alleen nog maar stukjes tekst, om die niet te hoeven opschrijven.
Met twitteren zou het net zo gaan. Alles kan onderwerp voor een tweet zijn. Ik zou als twitteraar voortdurend de werkelijkheid aftasten en daarna de binnenkant van mijn schedel, op zoek naar een grappige of ontroerende of bijtende of wijsneuzige of in elk geval treffende tweet. Ik zou mezelf gek maken.
Na de vakantie terug in Rotterdam betreurde ik mijn fotografiemanco. We fietsten over de Veluwe, waarbij we via Kootwijkerbroek en Stroe uiteindelijk ook het indrukwekkende Radio Kootwijk passeerden. Op een mooi stuk fietspad met links bos en rechts heide– eigenlijk waren er alleen maar mooie stukken fietspad – zag ik een driehoekig verkeersbord dat een waarschuwing leek voor een kronkeling in het pad. Maar het pad was recht. Dichterbij bleek het bord een slang af te beelden, met als begeleidende tekst: ‘Pas op/zonnende adders.’ Mensen zonnen, maar adders ook! Dit was met voorsprong het wonderlijkste verkeersbord dat ik ooit had gezien. Even twijfelde ik of wij moesten uitkijken voor die slangen of dat wij moesten voorkomen dat we ze met onze fietsen zouden pletten. Moest het laatste zijn.
Ondanks die wonderlijkheid geen foto gemaakt, en mijn vrouw helaas ook niet. Het bewijs dat wij dat bord hadden gezien, ontbrak dus. Maar ja, je bent niet alleen op de wereld. Internet bood soelaas. Daar vond ik het bord. In Flevoland stond zelfs een vergelijkbaar bord: zelfde afbeelding, maar met de tekst: ‘Zonnende ringslangen.’
Ik heb er een voornemen aan overgehouden: toch maar eens af en toe een fotootje maken.

Bob Frommé

Ironie

Ironie is minder simpel dan de meeste mensen denken. Ironie, nietwaar, dat is het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt. Over een overdreven lelijk persoon zeggen: “Wat een knapperd, zeg.” Of na een dodelijk saaie lezing: “Het was een unieke ervaring. In één woord kostelijk.” Maar ironie kan ook geveinsde geveinsdheid zijn. Iemand aankondigen met de woorden: “En dan geef ik nu volgaarne het woord aan mijn zeer gewaardeerde vriend, de hooggeleerde…” Er zit spot in die stem, maar hier wordt niet beweerd dat de komende spreker een irritante domkop is. Deze ironie is – met duidelijke overdrijving –  wat iemand wel degelijk meent.
Aan deze vorm van ironie zal niemand zich een buil vallen, aan de eerder genoemde wel. Schoolvoorbeeld – ik heb dat al eens eerder genoemd – is het lied Italianen van Raymond van het Groenewoud. Ruim veertig jaar geleden veegde Raymond alle negatieve vooroordelen jegens Italianen op een hoop. Vertrouw geen Italianen, want ze stelen uit je auto, ze zitten achter je vrouw aan en ze liegen zich te barsten. Alles op een vrolijke deun en duidelijk ironisch. Maar daar dachten veel mensen anders over. Een ingezonden-briefschrijver reageerde fel: ‘R. van het Groenewoud scheer ik met zijn liedje Italianen over dezelfde kam als dat stelletje vreemdelingenhaters dat allerlei leugens over gastarbeiders rondstrooit.’ Van het Groenewoud zou zijn gecanceld, als cancelen toen had bestaan.
Hij was er kennelijk van overtuigd dat iedereen dat lied zou begrijpen voor wat het was, zonder regels in te voegen dat het allemaal onzin was en dat Italianen net zulke mensen zijn als jij en ik. Randy Newman deed dat wel in Short people. Hij laste een bruggetje in waarin hij zong dat kleine mensen net zo zijn als jij en ik (‘een gek zoals ik’) en dat alle mensen broeders zijn.
De rest van de tekst was van geheel andere aard. Newman wil niks met die kleine mensjes te maken hebben, omdat ze nare piepstemmetjes hebben en akelige voetjes op hun plateauzolen. Hun leugenachtige geestjes vol grote leugens zijn klein en viezig, en je moet ze optillen om hallo te zeggen. Weg met die kleintjes! Alles zogenaamd, natuurlijk. Ironie van de simpelste soort.
Ik heb het altijd een beetje zwak gevonden dat hij, misschien onder druk van de platenmaatschappij, die zoete woordjes inlaste. Het is een vorm van zelfcensuur en een stijlbreuk van jewelste. Maar zelfs dan nog waren er hevige protesten. Sommige radiostations weigerden het lied te draaien, omdat het te kwetsend zou zijn. Die zoete woordjes waren kennelijk onvoldoende, terwijl je die zou kunnen opvatten als het door Harry Mulisch voorgestelde ironieteken. (Verg. “Allemaal onzin, mensen” van Toon Hermans.)
Het was een weinig aansprekend voorstel van Mulisch. De grap van ironie is natuurlijk dat het lijkt op iets anders. Met een ironieteken is de spanning weg en de lol eraf. Het ironieteken is een onderschatting van de lezer en een uitleg van iets wat voor zichzelf moet spreken.
Ironie zonder aanwijsbord is daardoor wel gevaarlijk, wegens het dreigende onbegrip. Ik heb zelf ten tijde van de Centrumpartij een liedtekst gemaakt voor de band waar ik toen in zong (Noodweer). Die tekst was een grove weergave van allerlei extreemrechtse opvattingen. Refrein: ‘Haal een bezem door de beestenstal/ Verlos ons van het gif, verlos ons van de gal/ Haal een bezem door de beestenstal/ Properheid en orde overal.’ En in de coupletten was de grofheid niet van de lucht: ‘Dood aan alle zwarten, dood aan alle nichten/ Dood aan al die Islamitische gezichten/ Of de gemoederen verloederen, dat is voor ons geen vraag/ We trappen alles rücksichtlos omlaag/ Weg met alles, iedereen de pleuris/ Die nou nog niet weet waar het gat van de deur is.’ Het leek mij duidelijk dat de zanger hier opvattingen vertolkt die hij juist afschuwelijk vindt. Maar daar dachten de bandgenoten anders over. En ze hadden gelijk.
Ik moest het inkleden, anders zou het zelfs kunnen gebeuren dat Nederlandse bruinhemden ermee weg zouden lopen. Dus het refrein werd ingeleid met Ze schreeuwen (wat ook de titel van het nummer werd) en er kwam een tussenstuk: ‘Maar wij, wij schreeuwen niet, maar kijken toe vanachter de vitrages/ Hoe de stoet een spoor trekt langs leeggeroofde etalages/ Kijk, er hangt een rosse gloed boven de moskee en boven de synagoge/ Maar dat kan in de stoet de stemming alleen maar verhogen/ En ze schreeuwen’ (volgde het refrein).
Maar zelfs deze aangeklede, van distantiërende uitleg voorziene versie stuitte op onbegrip en weerstand. Een technicus in de studio waar we dat nummer opnamen, vond de tekst zo vreselijk dat hij weigerde de opname verder te begeleiden. Het lukte ons niet hem ervan te overtuigen dat we het goed bedoelden.
Nog een ander, luchtiger voorbeeld uit de eigen praktijk. Als lid van de mediareactie van Het Parool had ik, net als mijn collega, veel positieve aandacht gegeven aan het programma Andere tijden. We juichten de makers toe en hadden bijvoorbeeld de geweldige beeldresearcher uitgebreid geïnterviewd.
Andere tijden won de Nipkow-schijf. Voor de gein schreef ik als Han Lips een tv-recensie, waarin ik toch maar eens had gekeken naar dat programma waar iedereen zo hoog over opgaf. Viel me dat even tegen! Het was geboetseerd uit oude koek. Ja, en wie met oude koek bezig is, is bezig met de dood, nietwaar. En wie wil bezig zijn met de dood? Generaals, doodgravers en seriemoordenaars! Ik zelf leefde en dat was al moeilijk genoeg.
Dat ging nog even door zo, de ene zin nog vetter dan de andere. Wie presenteerde die oude koek? Een glad mannetje dat luisterde naar de naam Hans Goedkoop. Met zo’n naam vroeg je erom: ik gaf er geen stuiver voor.
Die naamgrap was zo fout en voor de hand liggend dat dit onmogelijk verkeerd kon worden begrepen, dacht ik. Maar Hans Goedkoop liet in een interview weten dat hij boos was op de recensent. En ook de redactie van Andere tijden was beledigd. Alleen hoofdredacteur Ad van Liempt had de grap begrepen, hoorde ik.
Die keer had ik misschien toch baat gehad bij een ironieteken.

Bob Frommé

P.S. Dit stuk verscheen eerder in het blad Argus

Lissadell House

Lissadell House

Ik moest denken aan baronet Josslyn Gore-Booth, die ik lang geleden ontmoette tijdens een fietstocht door Ierland. Ik dacht aan hem door een BBC-docu over de Britse adel. Daarin figureren vrijmoedige, saaiheid hatende, kortom tamelijk excentrieke types die moeite hebben het hoofd boven water te houden op hun moeizaam te onderhouden landgoederen. (Geheel terzijde een niet te versmaden opmerking van een butler die vertelde dat zijn vader van varkensboer butler was geworden: “Dat is eigenlijk hetzelfde. Je geeft ze te eten en daarna ruim je de rotzooi op.”) De adel in die reeks is een sappelende adel. De baronet Gore-Booth was verlopen adel.
Hij bewoonde Lissadell House in het graafschap Sligo aan de Ierse westkust, met uitzicht op Ben Bulben. een berg die eruit ziet als een brood of een vers graf. Zowel die berg als dat huis is bezongen door Nobelprijswinnaar William Butler Yeats, die aan de voet van Ben Bulben begraven ligt. Op de steen staat zijn eigen, even simpele als raadselachtige grafschrift: Cast a cold Eye/ On Life, on Death/ Horseman pass by! Ik zag die berg, die grafsteen en Lissadell House.
Bij dat grote, grijze, 19e-eeuwse landhuis, heb ik enige woorden gewisseld met de wereldvreemde bewoner, baronet Gore-Booth. Hij was juist bezig een leger katten eten te geven. Nee, het huis was, vreesde hij, niet te bezichtigen, en er was ook weinig te bezichtigen want hij woonde in de keuken, de rest van het huis was praktisch niet in gebruik. Hij beklom het houten trapje dat naar die keuken leidde (links op de foto) en sloot de hoge luiken.
Honderd jaar geleden leefde dat huis nog. Yeats dronk er thee met de zusjes Eva en Constance Gore-Booth, van wie de laatste met een Poolse graaf trouwde en in 1916 ter dood werd veroordeeld wegens haar aandeel in de Ierse Paasopstand (ze kreeg gratie). Yeats schreef veel later over die twee zusjes: The light of evening, Lissadell,/ Great windows open to the south./ Two girls in silk kimonos, both/ Beautiful, one a gazelle. Eva en Con hadden een broer, Josslyn, die de grootvader moet zijn van de Josslyn die mij zo schichtig bejegende.
Jaren later zag ik hem terug in een eerdere BBC-docu over de teloorgang van de Britse en dus ook Anglo-Ierse adel. Nu, dan had men in Josslyn de juiste man te pakken. Roodwangig en met een upperclass Engels accent dat de familie ondanks anderhalve eeuw Ierland intact had gehouden, stommelde hij door Lissadell House. Hij bereikte de slaapkamer van zijn grootouders, die volgens hem in de zestig jaar na hun dood nooit was opgeruimd. Kijk wat ik gevonden heb, zei hij. En hij toonde een fles stokoude Ierse whiskey. Hij had er in die rommel drie aangetroffen. Mijn mooiste vondst, giechelde hij.
Yeats was in Sligo om cultureel erfgoed te vinden (legenden, gezangen) ten behoeve van de Ierse revival, ook wel Celtic Twilight genoemd. Josslyn Gore-Booth was slechts in de Ierse erfenis geïnteresseerd in zoverre die vloeibaar was, al wilde hij voor de omwonende Ieren wel ‘een sociale functie vervullen’, maar (lachje) niemand vroeg hem.
Met de Anglo-Ierse adel was het verkeerd afgelopen en Yeats’ Keltische Schemering verstofte op de boekenplank. Die mislukkingen kwamen monumentaal samen in Lissadell House.

Bob Frommé

Last mango in Paris

Wat zou een krant zijn zonder koppen? Een krant zonder gezicht. Koppen maken is een vak. Een kop moet informatief zijn, maar ook zo aantrekkelijk, dat de lezer een stemmetje hoort dat zegt: “Lees mij.” Engelse koppenmakers doen niets liever dan woordspelingen verzinnen om die aandacht te krijgen. Vaak als variant op een bekende film-, song- of boektitel. De Britse tabloid The Sun doet het veruit het meest, al vind je zulke koppen ook in de kwaliteitskranten.
Toen Christian Ronaldo onlangs al in de rust van een wedstrijd naar huis ging na te zijn gewisseld, kopte De Telegraaf  keurig: Erik ten Hag niet blij met actie Ronaldo: ‘Onacceptabel’. Dat deed The Sun anders: Got the Ron idea. Die krant heeft elke dag tientallen koppen met woordspelingen, tot in de fotobijschriften toe. Dat levert vaak matige resultaten op. Spits Lukaku, die weg is uit Engeland, doet het goed bij Inter Milan. Kop: A new Luke. Of er stond bij een foto van de scorende spits Dwight Yorke: He’s Dwight on time.
Nederlandse kranten zijn veel terughoudender. Alleen in gevallen die schreeuwen om een woordspeling, komt die er ook. Toen Kamiel Maase als haas (gangmaker) onverwacht de marathon van Rotterdam onder de Olympische tijdslimiet had uitgelopen, konden sommige kranten het niet laten: Maase ‘haast’ zich naar Sydney (AD). In De Telegraaf ging Maase er ‘als een haas’ vandoor. Minder voor de hand liggend: toen Erik Dekker zijn tweede etappe in de Tour van dat jaar had gewonnen, had De Telegraaf de pakkende kop Dubbeldekker.
Volgens The Independent loopt elke journalist in Engeland rond met een gedroomde kop, een prachtige woordspeling die klaarligt zodra zich een bijpassende gebeurtenis voordoet. Een van die journalisten had jarenlang de kop Last mango in Paris in zijn binnenzak, maar door een vreselijk moment van onoplettendheid miste hij het nieuws dat de centrale fruit- en groenteveiling van Parijs werd verplaatst naar een voorstad.
Soms, als alle radertjes in elkaar grijpen, de sterren gunstig staan en de koppenmaker een uitzonderlijk lucide moment heeft, ontstaat iets ongelooflijks. Ooit stond op de achterpagina van The Sun een verslag van de onwaarschijnlijke nederlaag van de grote Schotse voetbalclub Celtic tegen het nietige Inverness Caledonian-Thistle. De grote, drieregelige kop luidde: Super Caley go ballistic, Celtic are atrocious.
Letterlijk betekent de kop iets als ‘Super Caledonian-Thistle gaat als een speer (eig. kogel), Celtic is afgrijslijk’, maar hij past in het Engels waanzinnig goed op Supercalifragilisticexpialidocious, het bekende liedje met de superlatief der superlatieven uit de film Mary Poppins. Hier had de – altijd anonieme – koppenmaker iets groots verricht.
De tweekoppige mediaredactie van Het Parool, waarvan schrijver dezes de helft was, had de vaste rubriek Na afloop. Daarboven stond altijd een kop die slechts twee woorden telde, gescheiden door een ampersand: Geeuwen & Ergeren bijvoorbeeld. Toen het bericht bekend werd dat de Gaykrant eenmalig in de Sovjet-Unie zou worden verspreid, was de verleiding erg groot daar boven te zetten: Hamer & Snikkel. Uit overdreven voorzichtigheid of een teveel aan innerlijke beschaving is het daar helaas niet van gekomen.

Bob Frommé

Geheugen, spreek!

Niet roken, niet drinken, sporten, minstens acht uur slapen, gezond eten, veel gesprekken voeren, een nieuwe taal leren en elke dag puzzels oplossen – zo ziet het leven eruit van iemand die bewust bezig is zijn geheugen op peil te houden. Mijn leven ziet er zo niet uit. Ik kom maar tot drieëneenhalf vinkje. Dat verklaart misschien waarom ik al een tijd moeite heb met namen en soms naar de keuken loop en me daar een seconde afvraag wat ik ook alweer ging doen, al kan dat natuurlijk gewoon de leeftijd zijn.
Je geheugen gaat achteruit, maar daar schijn je iets aan te kunnen doen. Zie boven. Deelnemen aan Max Geheugentrainer is ook nog een optie. Mijn sterkste geheugendeel is de taal, mijn zwakste het beeld. Ik verloor van mijn kinderen al een potje Memory toen ze zes waren, maar treffende uitspraken van lang geleden staan in mijn geheugen gegrift.
Mijn vriend de acteur, die van zichzelf zegt dat zijn geheugen slecht is, heeft een mooie manier om lappen tekst uit het hoofd te leren. Hij bezoekt vaak zijn vriendin, op de fiets, en op die route kleeft hij zinnen uit een monoloog aan gebouwen, bruggen, plantsoenen etc., zodat hij beeldende geheugensteuntjes heeft. Hij is als het ware zijn eigen geheugentrainer.
Hoe je je korte-termijngeheugen moet trainen, weten ze krankzinnig goed in Mongolië. De Mongolen beschouwen zo’n training als een nationale sport, hoewel ze ook goed met paarden zijn. Ik heb laatst voorbeelden gezien van ongelooflijke Mongoolse geheugenprestaties. Een tiener kreeg een goed geschud pak kaarten. Hij mocht daar twee minuten naar kijken. Pak wegleggen, een nieuw, ongeschud pak ter hand nemen en de kaarten in dezelfde volgorde leggen als van dat eerste pak. Hij slaagde glorieus.
Zie ook de prestatie van een zesjarig Mongools meisje. Zij kreeg een onopgeloste Rubik’s cube in handen, waar ook zij slechts twee minuten naar mocht kijken. Vervolgens werd haar een blinddoek voorgebonden. Aldus gehandicapt en honderden handelingen verrichtend slaagde zij erin de kubus in de gave beginstand te krijgen. Er schijnt ook een wat oudere jongen te zijn die – een record – de opgave in twintig seconden oploste.
Het menselijk brein is tot onwaarschijnlijke dingen in staat. Zo kan het lange-termijngeheugen je op slinkse wijze bedriegen, zodat je al fabulerend het verleden vervormt. Dat doe je zelf, maar je weet het niet.
Ik heb een vriend die een bijzondere eerste herinnering had. Die ging als volgt: zijn oma reed hem als baby door de buurt, een kennis wierp een blik in de kinderwagen en vroeg hoe oud dat kleinkind was, waarop mijn vriend een gebald vuistje in de lucht stak, wat wilde zeggen: nul jaar. Dit werd hem later verteld, maar op den duur herinnerde hij het zich ook. Hij heeft nog een tijdje in die herinnering geloofd, tot hij inzag dat het niet waar kon zijn. Zo voorlijk was zelfs hij niet.
Het geheugen spreekt, maar lang niet altijd de waarheid.

Bob Frommé

P.S. Vorige week noemde ik de Nieuwsbrief van Michiel Bicker Caarten als bron. Die interessante, gratis nieuwsbrief heet De Bicker.

Stukjes

We beginnen met iets gruwelijks. Het plaatje is een Russische instructie hoe je een massagraf moet aanleggen. In dat graf is plaats voor duizend dode Oekraïners. En dan niet alleen de zogenaamd echte, vooraanstaande ‘nazi’s’, maar ook gewone Oekraïners, die immers dat nazisme mogelijk maken. In de ogen van de Russen draagt dit bij aan ‘de oplossing van de Oekraïense kwestie’, wat hetzelfde klinkt als Hitlers ‘Endlösung der Judenfrage’. (De bron in dezen: de Nieuwsbrief van Michiel Bicker Caarten.)

En dan nu iets opluchtends. Vorige week bereikte ons de tijding dat Maarten Ducrot stopt als co-commentator van de Tour de France. Of hij dat vrijwillig doet, is de vraag. Maarten is vast een aardige vent, die uit eigen ervaring veel wielren- en parcourskennis heeft, en toch werd ik af en toe dol van zijn observaties. Hij kon op niks af in het hoofd van de renners kijken. Als iemand achteraan een kopgroep reed, zat die te ‘linkeballen’. Altijd dat linkeballen. Maarten wist het zeker, maar zo’n renner kon misschien niet beter. Dat bleek dan als hij moest lossen.
Of Vingegaard zat in het wiel van Pogačar, die tevergeefs had geprobeerd van hem weg te rijden. Als dan op het gezicht van Vingegaard een kleine grimas verscheen, waarschijnlijk een teken van vermoeidheid na al die cols van de eerste categorie, wist Maarten hoe het zat: “Moet je nou kijken, joh. Hij zit gewoon te gniffelen.” Ik hoef me daar nu niet meer over op te winden.

Mijn vrouw sprak af met haar tweelingzus. Het tijdstip van die afspraak vond ik erg grappig: 12.17 uur. Dat kun je immers niet doen, op de minuut af een afspraak maken. Nu ja, wel op het hele en halve uur en kwart voor en kwart over kan ook nog, maar als je vijf over half voorstelt, word je uitgelachen. Ik weet dat uit ervaring. Ik ging elke week op zaterdag met de trein van Utrecht naar Rotterdam om te repeteren met onze band Noodweer. Maar ingevolge de OV-tijden kon ik daar niet op het afgesproken uur, half één, zijn. Wel vijf minuten later. Dus stelde ik voor om af te spreken om vijf over half één, omdat ik een bloedhekel heb aan te laat komen. Het ging maar om vijf minuten en toch vond ik het een leuk idee. En waarom niet? Doe jij eens effe lekker normaal.

Ik hou van cryptogrammen. Genieten van de opgave ‘Werden die gespeeld door W.C. Fields?’ en uitkomen bij ‘pleerollen’. Er is één enorme valkuil bij het cryptoën: een oplossing die goed is en toch fout. Ik heb al eens de opgave ‘Zakdoek’ vermeld. Het lampje in mijn hoofd floepte aan en ik zag ’m: ‘Parachute’! En de h klopte (‘Smakelijke Duitser’: ‘Hamburger’.) Toch was het fout. Moest ‘Valscherm’ zijn, ook met de h op vijf. Ernstig geval van cryptonarigheid.
Daar zijn er meer van. ‘Opvliegend meisje’: Merel was fout, moest Griet zijn. ‘Do is om op te vreten’: niet Noot, maar Nasi. ‘Vrijetijdsbesteding van de barman’: niet Tapdansen, maar Cafésport. Dan schiet je weliswaar raak, maar in de verkeerde roos.

Bob Frommé

Købnhavn

De zeer sterke serie Borgen (Netflix) over machinaties in de – Deense – politiek is terug met een nieuw seizoen. Ik heb het opnieuw met graagte bekeken. Een jaar of acht geleden, toen het vorige seizoen net achter de rug was, reisde ik voor de krant naar Kopenhagen om een flamencovoorstelling te zien. In een volle bus reed ik naar het theater en hoorde ik om me heen het Deens uit Borgen.
Ik had het niet erg gevonden nu Brigitte Hjort Sørensen of Sidse Babett Knudsen tegen te komen. Liefhebbers van de serie weten dat zij tv-journaliste Katrine Fønsmark en premier Birgitte Nyborg speelden. Prachtige actrices. Ja, maar vlak ook Pilou Asbæk niet uit, toentertijd Kasper Juul in de serie. Er deden ook goede mannen mee, zoals nu weer.
Ik ben niet geneigd op tv-bedevaart te gaan. Ik ga echt niet naar het hotel uit Fawlty Towers, het landhuis uit Brideshead revisited of de golvende weide uit de Teletubbies, maar nu ik in die Kopenhaagse bus zat, wilde ik toch wel langs de Burcht komen, het Deense parlementsgebouw dat zo vaak te zien is in Borgen. En verdomd, ik kwam erlangs!
Althans, dat dacht ik, hoewel het machtige gebouwencomplex er niet helemaal hetzelfde uitzag als in de serie. Een moeder met kind naast me legde me uit hoe het zat. Het shot dat je in Borgen ziet, is genomen vanaf de voorkant, waar de hoofdingang is. Die kant was nu niet in beeld. Vanuit de bus zagen we de zijkant. Maar het was de burcht, zoveel was zeker.
Ik vertelde de vrouw dat de serie in Nederland geliefd was. Nu, dat was in Denemarken niet anders. “Je krijgt het idee,” zei de vrouw, “dat het werkelijk zo toegaat in de politiek. Zonder dat het saai wordt. En dat heb je niet vaak bij tv-series.”
Op de abri’s waar we langsreden, meende ik op posters mijn favoriet Katrine te herkennen. “Ja,” zei de vrouw, “ze is ook actief op het toneel. En met succes.”
Toen ik was uitgestapt, bekeek ik de poster die ik bij het opstappen had gemist. Brigitte Hjort Sørensen speelde de hoofdrol in Pigen med paraplyerna. Ik begreep dat het stuk was gebaseerd op Les parapluies de Cherbourg, die muziekfilm uit de jaren zestig met Catherine Deneuve.
Maar wat is pigen? Ik vroeg het een Deen. “Meisje.” Ah, Het meisje met de paraplu. Ik moest pigen aanwijzen, want zoals ik het uitsprak, was het geen Deens. Uit de mond van de Deen klonk het meer als pien. En med klinkt niet als med, maar als milth (met Engelse th).
De Denen staan dicht bij ons, maar ik ken geen taal die onnavolgbaarder is dan de hunne. Geen taal is zo’n binnensmonds gemompel als het Deens. Het klinkt alsof iemand zojuist heeft gegorgeld met azijn en de spraak niet helemaal meer machtig is.
Maar in een bus vol Denen zitten is heerlijk. Die vreemde klanken gaven me de illusie dat ik in een aflevering van Borgen zat.

Bob Frommé

Hondsdagen

Morgen zijn de hondsdagen nog net niet begonnen. De hondsdagen, de oude, volkswijze benaming voor de tijd waarin de ergste zomerhitte ons landje treft, lopen van 20 juli tot 20 augustus. Maar morgen wordt wel degelijk een hondsdag. Ik ben daar geen liefhebber van.
Wat kun je ertegen doen? Ik heb nu makkelijk praten, want ik ben de gelukkige mede-eigenaar van het redmiddel dat airco heet. Maar dat was voorheen wel anders. Wat was toen het tegengif tegen die koortsige loomheid? Wat was toen het medicijn zonder bijwerkingen dat je verzoent met dat op apegapen liggen? Ik kan zeggen dat ik dat medicijn ooit heb gevonden.
Ik stuitte erop tijdens een hevige hittegolf, op het laatste moment, toen ik al bezig was de pijp aan Maarten te geven. De remedie was muziek. Was het Gregoriaans gezang dat opklinkt onder het verwulfsel van een koele kathedraal? Nee, want daar zie ik monniken bij met dikke pijen en harige enkels boven de sandalen. Het was integendeel een liedje van John Fogerty.
Een eeuw na Creedence Clearwater Revival maakte hij een nieuw album met nieuwe klassieke Creedence Clearwater Revival liedjes zonder het CCR-stempel. John Fogerty kan alleen maar zulke klassieke liedjes maken. Een daarvan op Blue Moon Swamp (klassieke titel) vatte de broeierige noodtoestand samen met een paar bluesy akkoorden, een paar treffende woorden en die stem uit duizenden: A hundred and ten in the shade (dik veertig graden in de schaduw). Dat nummer heeft de snelheid van een zweetdruppel die vanaf de haarlijn via de neuswortel langs de wang naar de mondhoek kruipt. (https://www.youtube.com/watch?v=dptYkSPPFcg).
Natuurlijk zingt countryboy Fogerty niet over de hitte in een Hollandse bovenwoning maar over de zon boven de Zuidelijke katoenvelden, waar het zweet neerdrupt op de spade die vergeefs een weg zoekt in de steenharde bodem. Fogerty doet er ook een soms brommend, soms juichend gospelkoortje bij, want als de zon op de katoenvelden brandde, stonden daar zwarte slaven loom wiegend hun stemmen naar de hemel te zenden. Ja, the noonday sun makes you crazy, maar dat koortje en John Fogerty zijn het tegengif.
Loom is de drum, loom de elektrische gitaar, loom de dobro, loom de zang, met af en toe een uithaal, zoals je ook met een driftige beweging het zweet van je voorhoofd wist. Alles in een hitte die je om je moeder doet roepen: It’s a hundred and ten/ A hundred and ten in the shade/ Goin’ way down/ Mama won’t you carry me.
En dan zingt zo’n gospelzanger er opeens hard doorheen: It’s mighty, mighty hot. Kijk, dat helpt.

Bob Frommé

Twee vrienden

Je hebt columnisten die in elk stukje dat ze schrijven, iets meemaken in de buitenwereld. Ze zien een ruzie in een ijswinkel tussen een moeder en haar verwende kind, luisteren op een terras een gesprek af tussen twee verliefde mensen op leeftijd of zijn getuige van de manier waarop in een supermarkt een strontvervelende klant een onschuldig kassameisje bejegent. Ik maak nooit iets mee. Nu ja, heel af en toe. Die scène in de supermarkt heb ik zelf meegemaakt, maar dat is een hoge uitzondering. Ik denk wel eens dat die columnisten over iets beschikken waarover ik helaas niet beschik: een dikke duim. Carmiggelt moet die hebben gehad.
Ik moet het wat de buitenwereld betreft toch vooral hebben van het openbaar vervoer. Zo had ik een mooi gesprek in een tram met een vrouw die een dichtbundel zat te lezen en hoorde ik een volkse man zijn vriendin telefonisch een laatste waarschuwing geven: “Ik geef je nog een jaar. Ik meen het serieus. Als het zo blijft, ga ik alleen verder. Ik geef je nog een jaar. Ik zou maar me best doen als ik jou was.” En zo nog wat gevalletjes.
Je kunt je voorstellen dat ik mijn oren spits, als ik een bijzondere conversatie opvang. Laatst was het weer eens raak. Achter mij in de metro vanuit Nesselande zat een knappe, donkere jongeman. Hij zweeg, want hij was alleen. Totdat met veel kabaal een forse man in trainingspak het toneel betrad. “Order! Order!” riep hij, zoals mister speaker in het Lagerhuis dat deed. En die uitroep was bedoeld voor de jongen achter mij. “Ben je weer eens op weg naar de rechtbank?” zei de man. De jongen bevestigde dat lachend. “Wat ben je toch een boefie. Wat heb je nou weer uitgevreten?” “Gewoon, een diefstalletje.” “O, dan is het goed. Je moet mensen niet gaan lopen beroven of zo. Dat je een soort Clyde wordt, weet je wel, van Bonnie en Clyde. Die gingen mensen doodschieten in bankgebouwen. Dan word je Staatsvijand Numero Eén.” De jongen lachte: “Ik ben Staatsvijand Numero Twee.”
De man moest daar ook smakelijk om lachen. Hij verplaatste zich nu van het stoeltje achter de jongen naar het stoeltje naast de jongen, aan de andere kant van het gangpad. Voor de verstaanbaarheid was dat niet van belang. De man was een roeptoeter. Hij vatte de bezigheden van de jongen samen met: “Ach ja, je mot wat.” En hij vervolgde: “Je bent zeker op weg naar het Wilhelminaplein. Naar dat hoge gebouw toch? Daar ken je ook gemakkelijk in hoger beroep, hahaha.”
De conversatie was hiermee ten einde, want de man ging eruit bij Alexander. “Ja, ik moet pinnen. Nou, de mazzel en gedraag je een beetje, hè.” “Ja, hoor,” lachte de jongen. De man riep nog een keer wat hij bij binnenkomst had geroepen: “Order! Order!”
En zo gingen ze als vrienden uiteen, in een wereldje waarin te veroordelen misstappen en racisme niet voorkwamen.

Bob Frommé

The Handmaid’s Tale

Een plaatje zegt meer dan duizend woorden, nietwaar. De cartoon van het Vrijheidsbeeld met een rood gewaad en een witte kap zegt heel veel. Zo ziet een handmaid eruit in de serie The Handmaid’s Tale. Het betoogde in één klap waar Margaret Atwood, schrijver van de roman The Handmaid’s Tale, veel woorden voor nodig had. Dat eenvoudige, inventieve plaatje zei evenveel als het essay van Atwood over de nieuwe abortuswetgeving in Amerika.
Voor wie de indrukwekkende, van ongeluk doortrokken serie The Handmaid’s Tale niet kent: hier wordt een beeld opgeroepen van een door puriteins geloof beheerste staat waarin dienstmaagden worden bezwangerd door de heer des huizes, waarna het kind van haar wordt afgenomen. Deze vorm van verkrachting, die gebaseerd is op een bijbeltekst, wordt verhullend ‘ceremonie’ genoemd. De dienstmaagd draagt een naam die is afgeleid van de heer des huizes. Als die Fred heet, heet de dienstmaagd Offred.
In die puriteinse maatschappij heerst absolute terreur. Op elke straathoek staat een man met een vuurwapen. Wie homoseksueel of lesbisch is, wordt gender traitor genoemd en moet dat ‘verraad’ bekopen met verbanning naar een strafkolonie of ophanging.
Margaret Atwood betoogt in haar essay dat Amerika op weg is naar het vestigen van een staatsreligie, hoewel de grondwet daar juist een dam tegen opwerpt. ‘Ik dacht dat ik met The Handmaid’s Tale fictie had geschreven, maar het Amerikaanse Hooggerechtshof maakt er werkelijkheid van.’ Het verbod op abortus, waarnaar nu de weg is geopend, is een religieus verbod, dat niettemin aan alle Amerikanen kan worden opgelegd. Vroegere toestanden dreigen terug te keren. De staat Massachusetts had in de 17de eeuw een officiële religie. De aanhangers daarvan, de Puriteinen, hingen Quakers op. Zo erg is het natuurlijk niet, maar in homoseksuele kring heerst nu de angst dat zij bij volgende stappen, ook met verwijzing naar de bijbel, als misdadig zullen worden bestempeld.
Toen Atwood aan haar dystopische roman bezig was, liet ze het werk soms een tijdlang liggen, vertelt ze in dat essay, omdat ze het onderwerp te vergezocht vond. Maar door die nieuwe abortuswetgeving blijkt haar roman reëler dan zij had gedacht, schrijft ze.
Toch kon je The Handmaid’s Tale altijd al als reëel beschouwen. Veel elementen uit de serie bestaan op deze wereld, alleen niet allemaal op dezelfde plek. Als ‘geslachtsverrader’ kun je in Iran worden opgehangen. Gedwongen huwelijken zijn in veel landen heel gewoon en kunnen ontaarden in gelegitimeerde verkrachting. In Nigeria en Afghanistan worden vrouwen gestenigd, als ze overspel hebben gepleegd. Toen IS nog een zelf gecreëerde theocratie was, gebeurde dat ook daar. Op de Malediven ben je strafbaar als je niet-gelovig bent of een ander geloof aanhangt dan de islam. In Noord-Korea heerst een absolute dictatuur, gebaseerd op de verheerlijking van een dik ventje, ook wel de Grote Leider genoemd. Terreurregimes komen, ook in de recente geschiedenis, griezelig vaak voor. Zie Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot.
The Handmaid’s Tale is maar al te waar.

Bob Frommé

Hinierg giegge frrtr-tit

Gerard Reve is – altijd netjes erbij zeggen: volgens mij – onze grootste naoorlogse schrijver. Hij schreef nauwelijks fictie, zijn beste werk is puur autobiografisch. Ik vrees dat mensen onder de veertig hem niet kennen of niet waarderen, zeker als ze voor hun lijst De Avonden hebben moeten lezen. Ik ken iemand die dat geweldige boek elk jaar leest, zo tegen de kerst. Dat is ware liefde. Maar allemachtig, Reve is oud nieuws. Althans voor de meeste mensen.
Daarom is het altijd fijn als iemand anders uit liefde weer eens naar hem wijst. Laatst deed Sylvia Witteman dat. Ze begint die column zo: ‘Mijn oude vader werd 83, een klein wonder, gezien zijn afkeer van verse groente, fruit of lichaamsbeweging en zijn imposante staat van dienst op het gebied van roken, zuipen, fatale vrouwen en tweedehandsgehakt.’
Haar vader heeft een vreemde verzameling oude stofzuigers. Hij heeft dus alles al. Wat moet je zo’n man dan nog geven? Witteman: ‘Toen we hem opbelden om het te vragen, bleek zijn telefoon kapot. Wij hoorden slechts iets als ‘hienierg giegge frrrt tit’.’ Het cadeauprobleem was daarmee opgelost.
Ik veerde enorm op bij die passage, maar om een andere reden. Er zit namelijk een verwijzing in naar Gerard Reve. Als jonge verslaggever was hij ooit bij vakbondsvergaderingen waar iemand wiens strottenhoofd door karton was vervangen, geregeld het woord nam. Gerard verstond dan: “Hinierg giegge frrtr-tit.” Hij begreep dat die klanken ‘meneer de voorzitter’ moesten betekenen. Sylvia had die verwijzing uit het hoofd geciteerd. Ze kon het nergens terugvinden. Toch knap, want het scheelde bijna niks. Ik heb het na lang zoeken gevonden en dat aan haar laten weten: op de eerste twee bladzijden van Lieve Jongens.
Ik heb haar meteen ook laten weten dat Gerards broer Karel over dat verschijnsel van een verborgen verwijzing iets moois heeft geschreven. (Bonus: nu kon ik Gerard en mijn favoriete non-fictieschrijver Karel in één adem noemen.) Ik citeerde het slot van een uiteraard lovend stukje dat ik schreef toen Karels Verzameld Werk nog op losse schroeven stond.
‘Van het Reve had het over een literaire kunstgreep, waarbij een schrijver een (grappige) toespeling maakt die maar voor heel weinig mensen te begrijpen is. Nabokov heeft daar een handje van door bijvoorbeeld een Russisch woord in een Engelse tekst te smokkelen. Van het Reve schrijft dan: ‘Het effect van dit soort grappen is een heel speciaal effect, niet dat van de snob die herkent wat hij moet herkennen om voor vol te worden aangezien, maar het effect dat iemand ondergaat die opeens een vriend op de tram ziet voorbijrijden.’ (Einde Karel-citaat.)
‘Die zin maakt grote indruk op mij, door die vriend op die tram, maar ook omdat ik het prachtig en opluchtend vind dat hier een gunstige theorie wordt ontvouwd. Daar is onafhankelijkheid van geest voor nodig. De gemakkelijkste en voor de hand liggendste weg is hameren op dat snobisme. Dan zit je altijd goed. Je kunt nooit worden beschuldigd van halfzachtheid of onwil om de waarheid onder ogen te zien. De meeste of misschien zelfs alle auteurs zouden hier hameren. Alleen Karel van het Reve niet.
Begrijpt u nu waarom ik vind dat dat verzameld werk er moet komen? Nee? Laat dan maar, en tot nimmer weerziens.’
Ik dank Sylvia Witteman voor dat vriend-op-de-tram-moment.

Bob Frommé

Stukjes ergernis

Laten we het over ergernissen hebben. Die gaan altijd over kleine zaken, maar het wonderlijke is dat je je daar enorm over kunt opwinden. Je zou zeggen dat je je woede beter op de grote dingen kunt richten, maar de grote dingen roepen eerder verbijstering en machteloosheid op. Ik ben niet kwaad over de Russische inval in Oekraïne. Eerder verbitterd.

We verlaten het wereldtoneel en richten ons op gele lusjes die uit vuilcontainers steken. Kijk, daar heeft iemand het verdomd zijn zak er dwars in te steken en te controleren of die wel naar beneden is geploft. Maar nee hoor, gewoon laten zitten, de volgende lost het maar op, kan mij het verrotten. Dit leidt tot intense woede en een inwendige stroom vloeken en scheldwoorden. Hier is een cursus woedemanagement nodig, want het gaat over bijna niets.

Flinke ergernis is op zijn plaats bij de woorden ‘Geen probleem’. Het is een soort mantra in de horeca. Kijk, als je een rare, speciale wens hebt die geheel buiten de menukaart omgaat, dan zijn die woorden nog wel op hun plaats. Maar binnenkomen en zeggen: “Mijn naam is die en die en ik heb gereserveerd” en dan te horen krijgen: “Geen probleem”, dat gaat mijn verstand te boven. Mijn voor de hand liggende reactie: “O, wat fijn dat dat geen probleem is. Ik maakte me al ongerust.”

Het volgende leidt niet tot woede, maar tot onbegrip en lichte irritatie. In films zie je geregeld dat iemand een koffer draagt en in de achterbak van zijn auto legt of achterop een koets bindt. Die koffer is altijd leeg. (‘Altijd’ klinkt zo veel beter dan ‘te vaak’.) Dat zie je aan de houding van de drager. Hij draagt iets dat nauwelijks gewicht heeft. En toch houdt geen regisseur daar rekening mee. Een koffer is een koffer. Dat is juist, maar er moet wel wat in zitten.

We stappen in de trein. Dit wordt een drietrapsraket van veelal vertrouwde ergernissen. Eerste ergernis: mensen die met veel gewring proberen in te stappen, terwijl anderen nog aan het uitstappen zijn. Tweede ergernis: geluidsoverlast. Mensen die keihard telefoneren, alsof kantoor houden in een volle trein de normaalste zaak van de wereld is. Ook erg: een man die – gnauwgnauwgnauw – een komkommer zit te eten. Ik had toen juist de rust van de eerste klas opgezocht. En als het stil is, heb je nog altijd een neus voor adembenemende parfums en naar een geopende waszak ruikende kippenpoten. Derde ergernis: mensen die in hun eentje een vierzitter in beslag nemen. Toen ik nog een gezin had van vier personen, heb ik zo iemand van haar plek moeten jagen. Ik had het vriendelijk kunnen vragen, maar de ergernis was te groot.
Tijdens corona reisde ik uit gezondheidsoverwegingen eerste klas. Dat beviel zo goed dat ik tegenwoordig uitsluitend nog eerste klas reis, in het volste vertrouwen dat ik de coupé niet hoef te delen met een komkommereter.

Intussen staat buiten de hele dag een hoogwerker zinloos en zielschurend te piepen. Ik denk dat ik me maar eens ga verhangen.

Bob Frommé

Het Mes

Tot u spreekt een geslagen man. Verslagen mag ook. Het geschiedde aan de Hetty Blokweg, waar de Rijk de Gooyer-steeg op uitkomt. Zijn we hier op het kerkhof van overleden artiesten? Neen, op het Mediapark te Hilversum, om precies te zijn in Studio 23 van Omroep Max.
Het ventje deed mee in Het mes op tafel en bakte er niks van. De spanning was hem te veel en de tegenstanders waren te goed. Halverwege de opname kon ik al plaatsnemen op wat ik het strafbankje noemde. Maar volgens Herman van der Zandt was dat een ereplaats.
Ik blaakte niet van zelfvertrouwen, maar als ik afging op de uitzendingen die ik gezien had, zou ik een goeie kans maken. Maar ja, het is bekend: het is geen kunst om thuis de goeie antwoorden te roepen.
In de drukke foyer ontmoette ik mijn tegenstanders. En op niks af had ik het gevoel dat ik ze kon hebben. Dat zei ik ook tegen mijn drie supporters. Alles om het zelfvertrouwen op te krikken.
Op een monitor zagen we live een eerdere opname. Eén vraag vergrootte mijn zelfvertrouwen: van wie zijn de volgende verbasterende dichtregels – van Drs. P of van Ivo de Wijs? ‘Uren, dagen, maanden, jaren/ Vliegen als een schaduw heen/ Zij die eens gelukkig waren/ Wonen nu in Amstelveen.’ Dit rook naar Ivo de Wijs, Drs. P zou dat net een slagje beter doen. Ik had zelf al eens een vervolg maakt op die eerste twee regels: ‘Uren, dagen, maanden, jaren/ Vliegen als een schaduw heen/ Op den duur steeds minder haren/ En in elke nier een steen.’ Was dit niet niveau Ivo? Kom maar op met dat mes op tafel!
Herman is een ontzettend sympathieke gast. Volmaakt ontspannen en iedereen op zijn of haar gemak stellend. En na de opnamen was hij niet anders. Een van mijn supporters wilde met hem op de foto. Hij zou volgens haar beseffen dat hij eindelijk ‘de vrouw van zijn leven’ had gevonden.  
Maar dan de vragen. Ik heb altijd kunnen hoofdrekenen, maar nu bleef die vaardigheid verborgen achter een luikje in mijn hoofd. Ik kon niet bedenken wat 17 x 17 was. Ook deze lukte me niet: een man is dertig als hij vader wordt; over hoeveel jaar zijn vader en kind samen honderd? In arren moede vulde ik het belachelijke 70 in. Ook erg (mijn vriend de musicoloog wil me nu nooit meer zien): ik zag iets van Bach aan voor iets van Beethoven, terwijl de term toccata viel. Ik voelde nattigheid, maar deed daar niets mee.
Soms moet je een gooi doen naar een goed antwoord. Ik wist niet hoe de voorloper van de Zuiderzee heette. Niet het IJsselmeer, nee. Maar Almere raadde ik ook niet. Almere was het goede antwoord.
Bij vraag vier had ik er vier goed gehad, als ik voor die Noord-Afrikaanse kookpot niet tahine had opgeschreven, maar tajine. De  jury moest streng zijn. Ik door zijdeur af, waar geween is en geknars der tanden.
Gelukkig kon er ook worden gelachen. Tijdens de nazit in een Rotterdams café beloofde een goeie vriend dat hij voor Facebook een GIF-je zou maken van het moment dat mijn naam door Milou van het leitje wordt geveegd.
Maar wanneer is dan de uitzending, Bob? Ik kan het kwalijk voor me houden: woensdag gehaktdag.

Bob Frommé

Dublin fair city

Toen ik de eerste keer in Dublin was, werd ik door twee dingen getroffen. Door de onvoorstelbare vriendelijkheid van de Ieren, verreweg het meest sociale volk dat ik ooit had ontmoet, en door hun zanglust. Beide dingen troffen mij aangenaam. En je kon ze gemakkelijk op één plek ervaren: in de pub.
Een volle pub betreden was een bijzondere fysieke sensatie. Of het nu Toner’s in Lower Baggot Street was of O’Donoghue’s in Merrion Row of McDaid’s in Harry Street, zodra je de deur had geopend, werd je opgemerkt door een der barlieden, zodat je nooit om aandacht hoefde te smeken, en je kon je door de menigte bewegen zonder te hoeven worstelen. Dat kende ik niet. De mensen in Dublin waren zich bewust van jouw aanwezigheid en maakten net die kleine draaiing of zetten dat ene stapje, zodat jij gemakkelijk kon passeren.
En zingen deden ze, met of zonder begeleiding. De vreemdste gewaarwording had ik, in datzelfde jaar (1985), op een late namiddag in Toner’s. Mannen met witte boorden en aktetassen stonden bijeen aan de bar en begonnen onbegeleid te zingen. Dronken waren ze niet. Ze zongen één voor één, meest ballads, terwijl de rest intens luisterde en meegenoot. Ook dit leek me ondenkbaar in Nederland: nuchtere employés die zich in het café niet geneerden een mooi lied te zingen. Nederlanders zingen niet in het café. Ze blèren.
Ook zag en hoorde ik die zanger in Grafton Street. Het was laat op een zaterdagavond. Hij stond met zijn uiterlijk van dwaas uitgedoste voetbalsupporter in het portiek van een modemagazijn. Klein, onooglijk mannetje met een rode stoppelbaard, slap hoedje, lange rood-witte sjaal, een trouwpak van twee generaties geleden en zwarte schoenen die grijs waren van het stof. Hij had als Napoléon de rechterhand in zijn vest. Zijn mond leek tandenloos, maar was het niet. Hij was een armoedzaaier met een stem, een stem uit duizenden, nee, miljoenen. Hij zong, begeleid door een onopvallende harpspeler. Ver voordat je hem zag, kon je hem al horen, want hij zong ongeloofwaardig hard. Operavolume, maar geen operagalm. Zijn stem was licht, trillend en hoog. Hij vulde de hele straat en scheurde je hart aan flarden.
In Grafton Street, waar toen niet, maar nu wel een beeld staat van Molly Malone uit ‘Dublin fair city’, of zoals ze door de Dubliners ook wel wordt genoemd: the tart with the cart, kun je nog steeds zang horen. Ook gitaarspel en blazers en strijkkwartetten van opvallende kwaliteit, maar niets beweegt het hart nu eenmaal zo hevig als de menselijke stem. Zo hoorde ik op een zaterdagmiddag een jochie zingen, aan het begin van Grafton, althans gerekend vanuit St. Stephen’s Green. Weer zo’n vervloekte, alles doordringende Ierse stem waarbij het moeilijk is het gemoed onder controle te houden. Het jochie was twaalf, dertien jaar oud en stond daar hondsbrutaal te zingen, met een plastic emmer voor zich. Hij zong onbegeleid en stond daar helemaal alleen. 
Hij zong met glaszuivere jongensstem (een alt) de ballade The fields of Athenry. Doordat het zaterdagmiddag was en iedereen gerichter op weg was dan op een late zaterdagavond, vormde zich geen groepje toeschouwers om de jongen. Niettemin regende het gestaag muntjes in de emmer.
De tekst van het lied is dramatisch – over een jonge vrouw die tijdens de hongersnood halverwege de negentiende eeuw haar man op een gevangenisschip naar Australië ziet vertrekken, omdat hij voor hun hongerende kind koren heeft gestolen –, maar de volksjongen, gehard reeds, zo te zien, maalde niet om de woorden. It’s so lonely round the fields of Athenry, ja hoor, het zou wel. Zijn blik was koel, alsof hij corvée had.
Na een paar nummers vond hij het weer welletjes. Hij pakte de emmer en goot die leeg in zijn rechterbroekzak. Daarbij rolden wat muntjes op straat, die onmiddellijk door vriendelijke voorbijgangers werden opgeraapt en aangereikt. (‘Vriendelijke voorbijgangers’ is hier bijna een pleonasme.) De jongen nam ze aan met een korte knik en liep weg in noordelijke richting, de richting van de Liffey en O’Connellstreet.
Ik had The fields of Athenry een dag voor die a capella-uitvoering in Grafton Street nog gehoord uit de mond van Paddy Reilly, de balladezanger van The Dubliners, die het lied met meer gevoel zong. Ik zag de mannen optreden in een tent naast het Royal Hospital in Donnybrook, zuid-Dublin. Eigenlijk was dat alleen bedoeld voor de patiënten; ik was er als verslaggever van Het Parool.
De tent was vol ernstig zieke mensen, die na een beroerte of anderszins gehandicapt scheef in hun rolstoelen hingen. Ze konden nauwelijks klappen. Een oude vrouw zong de ballade mee, althans, zij bewoog haar lippen, steeds iets te laat. Paddy Reilly zong met prachtige stem: vol, met een scherp Iers randje.
The Dubliners speelden gratis en dat deden ze al voor de derde keer. De eerste keer was geweest, toen hun manager Jim Hand in dat ziekenhuis lag. Hij overleed korte tijd later, maar The Dubliners bleven komen. Nu lag er toevallig weer een goede bekende van hen, een radioproducer, zij het op een revalidatie-afdeling waar een virus was uitgebroken. Daardoor mochten de patiënten niet van de afdeling. The Dubliners gingen naar de binnenplaats en gaven daar nog een kort, ontroerend optreden. Ze speelden een reel met de blik omhoog naar het raam waarachter hun vriend lag. Ook zong Sean Cannon, de andere, nog Ierser klinkende zanger, een lied. De vriend achter het raam zwaaide met een slap handje. Heel in de verte kon je het zwakke applaus van hem en zijn medepatiënten horen. Op de binnenplaats keek het personeel genietend toe.
The Dubliners ontstonden in de beste singing pub van Dublin, O’Donoghue’s, waar je nu nog voorin en in de backroom muzikanten bezig kunt zien, van balladezangers tot razende pennywhistlers. Daar verzamelden de mannen zich na het optreden in Donnybrook voor een pint. Als je de kroeg binnenkomt, hangt rechts om de hoek een galerij met foto’s van The Dubliners. Niemand deed opgewonden dat ze er nu zelf waren. Wel veel hartelijke begroetingen, met be Jaysus en for fuck’s sake. De violist en componist van de Dubliners, John Sheahan, bleek niet alleen graag over muziek te praten, maar ook over literatuur. En hij liet me een zelfgeschreven haiku lezen over de manier waarop de noten van een compositie tot hem kwamen: ze waren er altijd al en werden aangevoerd door de wind. (Orphaned notes adrift/ winds of inspiration blow/ a new tune finds me.) Literatuur, muziek, pub. Dit kon weleens Dublin zijn.

Bob Frommé

Myles

Vorige week bracht ik in een stukje over clichés een van mijn schrijvershelden ter sprake, Flann O’Brien ofwel Myles na Gopaleen. Ik heb een lang stuk over hem dat ik heden presenteer. (In gewijzigde vorm verschenen in Dublin, de literaire stedenreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen.) Het is echt een heel lang stuk, zowat zeven keer zo lang als normaal. “Daar heb ik echt geen zin in. Dat is gekkenwerk.” Dat is het. Beschouw het als een uitdaging. Hoe denkt u dat uw doorzettingsvermogen zal worden beloond? Rijkelijk.

Myles na Gopaleen heeft mij gered. Zonder hem zou ik misschien een weeë liefhebber van Ierland zijn gebleven. Ik kwam voor het eerst in Dublin in 1985 en was op slag verliefd. Ik logeerde in The Happy Rambler (nu Isaacs Hostel) in Frenchmans Lane in Dublin, waar ’s avonds altijd een jongen onder een lantaren stond te lezen. Ook in de jaren die volgden, stond die jongen daar met een boek onder die lantaren. Een Dublin character, want hij sliep niet in dat jeugdherbergachtige logement. Ik heb hem nooit durven aanspreken.
Ik beschouwde hem als typisch Dublins, zoals je altijd je eerste ervaringen als typisch beschouwt. Die jongen koesterde liefde voor de literatuur, was eigenzinnig, viel niemand lastig en oogde zeer vriendelijk – echt Dublins.
Door mijn verliefdheid op al wat Iers was vond ik de idiootste dingen charmant. In een boekhandel in Cork bleken de titels niet op alfabetische volgorde te staan. Ook niet op de planken van mijn inmiddels favoriete afdeling Books of Irish interest. Je kunt ook zeggen: het was er een zooitje. Maar dat vond ik juist opmerkelijk en eigen. Ik stuitte in die chaos op de bundel met columns The Best of Myles. Van Myles na Gopaleen had ik nog nooit gehoord, wel van zijn andere pseudoniem Flann O’Brien. Ik kende zijn romans At Swim-Two-Birds en The Hard Life, en vond de eerste superieur grappig.
De columns, oorspronkelijk verschenen in The Irish Times, waren leerzaam. Myles wist met mijn Ierland-liefde wel raad. Alleen al de in zijn columns terugkerende, niet erg slimme, clichéverliefde Plain People of Ireland, die Myles af en toe tevergeefs tot de orde riepen, lieten zien hoe Myles over zijn landgenoten dacht. Hij maakte weliswaar geen grappen over dweepzieke toeristen, maar wel over het typisch Ierse en de mensen die daar dol op waren. In het hoofdstuk Bores stelde Myles mij niet alleen voor aan de gevreesde saaineuzen The Man Who Does His Own Carpentry en The Man Who Spoke Irish When It Was Neither Popular Nor Profitable, maar ook aan de man die van zijn vaderland houdt wegens de pure eigenaardigheid ervan. Treinen die nooit op tijd rijden? Heerlijk Iers! Een verbod op literaire werken wegens obsceniteit? Heerlijk Iers! Zie die man aan de rand van het trottoir staan, terwijl een vuilniswagen van de Dublinse gemeentereiniging hem aanrijdt en een berg smerigheid over hem uitstort. Een deel van de smurrieberg beweegt na enige tijd, verheft zich en roept door een opening bovenin met gesmoorde stem: ‘Waar anders dan in Ierland kan dit je overkomen?’
Ook later, in andere bundels van Myles, kwam ik die anti-Irishness tegen. Voorbeeld uit 1943, opgenomen in Myles at War: ‘Wij Ieren zijn eenvoudige, onbedorven, godvrezende, verfijnde Centraal-Europeanen die wellevendheid koesteren als een kostbaar kleinood. Het wordt tijd dat dat eens gezegd wordt, want bij ons kan bescheidenheid bijna een ondeugd worden. We zijn een buitengewoon aardig volk. Een nederige gemeenschap, in ons dagelijkse rondje eenvoudige landbouwtaken verbonden door de sterkste traditionele banden die door aardmannetjes op een minuscuul weefgetouw voor een appel en een ei en zonder bon worden geweven.’
Zulke onweerstaanbare teksten maakten me eigenlijk nog weerlozer. Immers, ik was een briljant persoon tegengekomen die het typisch Ierse belachelijk maakte, maar die zelf ook erg Iers was. Zo ken ik nu ook Dubliners die niet over de nationale Ierse tv-zenders RTE 1 en RTE 2 spreken, maar over Bog 1 en Bog 2. (Veenmoeras 1 en Veenmoeras 2.) Myles verruimde het Ierse en vergrootte mijn liefde voor Ierland nog.
Myles na Gopaleen (of nog Keltischer: Myles na gCopaleen) overleed op 1 april, 1966. Een Dubliner die hem met eigen ogen in de stad heeft gezien, moet dus ten minste een zeventiger zijn. Maar als aan die voorwaarde is voldaan, is de kans erg groot dat hij Myles met zijn hoed en regenjas gezien heeft, en zeer waarschijnlijk in een pub. Myles kwam in The Scotch House aan de Liffey, Neary’s, The Palace Bar, The Bailey, McDaid’s, Doheny and Nesbitt, The Dolphin, The Pearl, The White Horse, Mulligan’s in Poolbeg Street, Cheerio Ryan’s in Dun Laoghaire, The Morgue in Templeogue, The Bleeding Horse, The Dead Man Murray’s, Gerry Byrne’s of Galloping Green in Stillorgan, Matt Smith’s in Stepaside, The Brazen Head, Sinnott’s, Ye Old Grinding Younge, The Winter Garden Palace, Dolly Fossett’s, The Ouzel Galley, The Widow Flavin’s in Sandyford en O’Rourke’s in Blackrock.
Het is goed mogelijk dat een nog levende tijd- en stadgenoot van Myles hem na langdurig pubbezoek in een taxi heeft geholpen of een neef heeft die hem in een taxi heeft geholpen. De man met de neef die Myles na Gopaleen in een taxi heeft geholpen, ontmoette ik in de jaren tachtig aan de Ierse westkust, in het lege graafschap Galway. Ook daar was zijn naam een begrip.
Myles was de beroemdste en ongetwijfeld beste columnist van Dublin. In verband met hem wordt vaak en niet ten onrechte de kwalificatie comic genius gebruikt. Zijn beroemdheid is alleen te vergelijken met die van Simon Carmiggelt in Amsterdam, ook een frequent cafébezoeker. Veel meer overeenkomsten hebben Carmiggelt en Myles niet.
Ik vind de columns van Myles geweldig, en dat vind ik ook van een aantal van zijn romans, die hij onder de naam Flann O’Brien schreef. Ik vind hem zo goed dat ik in een absurd overmoedige stemming zelfs heb overwogen een biografie van hem te schrijven. Gelukkig heeft Anthony Cronin dat voor mij gedaan, onder de treffende titel No Laughing Matter. Door die biografische neiging ben ik wel op plekken in Dublin geweest die ik anders misschien nooit had gezien: de prachtige leeszaal van de Nationale Bibliotheek in Kildare Street en de begraafplaatsen Mount Jerome in Harold’s Cross (zuidwest-Dublin) en Deansgrange in Monkstown (zuidoost-Dublin). Myles lag niet op twee begraafplaatsen, Mount Jerome bleek de verkeerde te zijn. Die is protestants en Myles (eigenlijke naam: Brian O’Nolan), die werd begraven in hetzelfde graf als zijn beide ouders, was van katholieke huize.
Het bezoek aan Mount Jerome leverde wel een leerzaam gesprek op met de beheerder van het kerkhof. Hij had menige Dubliner zien gaan. Op zijn dodenakker lagen beroemde mensen, zoals de dichter Thomas Davis, mede-oprichter van de negentiende-eeuwse opstandelingen The Young Irelanders, William Wilde, behalve oog- en oorarts ook archeoloog, oral historian en vader van Oscar Wilde, de schrijver George Russell, beter bekend als Æ, en de toneelschrijver J.M. Synge. De beheerder was trots op een grillige boom op zijn kerkhof, die vol doornen was en uit het Heilige Land kwam. Hij had mij wegens de regen in zijn onderkomen op het kerkhof genood, waar ik werd gadegeslagen door een zwijgende dobermannpincher.
Ik heb, rondvragend naar Myles, een ontzettend knappe oude vrouw gesproken in haar woning in Sandycove, ten zuiden van Dublin, waar zich ook Joyce’s Tower bevindt en Forty Foot, deGentleman’s Bathing Place (vereeuwigd in onder meer At Swim, Two Boys van Jamie O’Neill). De vrouw was de echtgenote van een van de terloopse aristocraten die het hele jaar door naakt in zee duiken vanaf Forty Foot. Zij vertelde dat Myles erg charmant tegen haar was, haar eigenlijk het hof maakte, maar dat zij hem niet erg aantrekkelijk vond. (Zie zijn portret met Rudolf Hess-wenkbrauwen.)
Ronnie Drew, in 1962 een van de oprichters van The Dubliners, herinnert zich Myles alleen als ‘zwijgzaam’, heel anders dan de even alcoholische, maar luidruchtige, vaak chagrijnige dichter Paddy Kavanagh en de nog luidruchtigere schrijver en kroegzanger Brendan Behan.
De Dublinse schrijfster en columniste Nuala O’Faolain vertelt in haar autobiografie Are You Somebody? (1996), dat zij in Neary’s, in Chatham Street, Myles tegen de zijkant van de tapkast heeft zien pissen. Dit gruwelijke beeld past goed in haar bewering dat veel literaire (en andere) levens geheel werden verzopen in Dublin. Dat geldt helaas ook voor de briljant begonnen Brian O’Nolan, beter bekend als Flann O’Brien en Myles na Gopaleen. Een kennis zag hem op een kwade namiddag in zuidelijke richting lopen (Myles woonde met zijn vrouw Evelyn in Stillorgan, zuid-Dublin), waarbij hij hand over hand voortbewoog, zich als een drenkeling vasthoudend aan de railing van het hek langs Merrion Square, almaar mompelend: ‘Fuck the fucking fuckers.’
Brian O’Nolan was een Dubliner en liet fictieve Dubliners in zijn columns Dublins spreken. Maar een Dubliner qua afkomst was hij niet. Hij werd in 1911 als zoon van een belastingontvanger geboren in de provincieplaats Strabane in het Noord-Ierse graafschap Tyrone. Door die afkomst kende hij Gaelic van huis uit. Hij spelde zijn achternaam ook wel als O Nualáin. Een intellectueel uit Dublin zou die achtergrond nooit hebben gehad.
Hij ging wel in Dublin studeren, aan het katholieke University College, net als James Joyce vóór hem. Daar werd hij een hogelijk gewaardeerde, plaatselijk beroemde, tegendraadse spreker in disputen en schrijver (onder talloze pseudoniemen) in een studentenblad. In 1939 kwam zijn eerste boek uit, At Swim-Two-Birds, een hilarische anti-roman, die hogelijk werd geprezen door Graham Greene en James Joyce, en later ook door de briljante Ierse schrijver John Banville, die hem ‘mijn held’ noemde.
Maar het boek kreeg, ook door het uitbreken van de oorlog, weinig aandacht en werd nauwelijks verkocht. Een jaar later gebeurden twee dingen die zijn schrijversleven bepaalden. Het manuscript voor zijn tweede roman, het surreële, donkere meesterwerk The Third Policeman, werd afgewezen door zijn Londense uitgever. (Tegenover de buitenwereld hield hij vol dat hij het manuscript op reis was kwijtgeraakt of ergens in een pub had laten liggen; het werd postuum uitgegeven.) En hij werd aangenomen als columnist bij The Irish Times, nadat hij – mét vrienden – een tijdje de brievenrubriek van die krant onder, alweer, allerlei pseudoniemen onveilig had gemaakt met onzinnige teksten. Eerst schreef hij nog in het Gaelic, maar na een jaar vrijwel uitsluitend in het Engels. Die column, getiteld Cruiskeen Lawn (Het Volle Glas), werd een onmiddellijk succes en behoorde tot de weinige krantenstukken die een Dublinse intellectueel of iemand met aspiraties daartoe gelezen moest hebben.
Dublin was, zoals elke stad, rijk aan characters. Maar misschien zijn Ierse characters net iets spraakzamer, woordspeleriger, lach- en zanglustiger, drankzuchtiger en uitzinniger dan andere characters. Het is grappig in Remembering How We Stood van John Ryan te lezen dat op zeker moment een Dubliner halverwege de jaren vijftig door Grafton Street liep en drie mannen op straat hoorde klagen over het gebrek aan real characters in Dublin. Ze meenden het. Maar zie wie ze zelf waren: Myles, Brendan Behan en de alom bekende kogelronde schilder, kroegloper en raconteur Sean O’Sullivan, die er plezier in had mee te delen: ‘We are the people our mothers warned us against.’ Deze drie mannen zagen nergens nog een echte persoonlijkheid. Volgens Ryan zou dat de kern van een Dublin character zijn: hij is er zich totaal niet van bewust dat hij er zelf een is.
Myles was geen extraverte persoonlijkheid. Hij zat vaak alleen in een pub met zijn eeuwige donkerbruine hoed op het hoofd, zijn lange jas en zijn krant. Soms was hij, in Neary’s of Sinnott’s, vlak bij het Gaiety Theatre, in het gezelschap van de treurig ogende komiek Jimmy O’Dea, schepper van vele Dublin-types onder wie de in die tijd beroemde Biddie Mulligan. O’Dea was net als Myles klein van gestalte. Voor veel Dubliners, die van hun humoristen hielden, was het een gedenkwaardige aanblik die twee kleine mannen bij elkaar te zien zitten. O’Dea en Myles waren verwante zielen, maar Myles kon zich ook mengen onder het publiek in de bar van het Dolphin-hotel in Essex Street, waar veel rugbyliefhebbers kwamen: zakenlieden, tandartsen en advocaten. Daar was Myles met zijn hoed met niet erg brede rand een niet al te bohemienachtige verschijning, die genoeg kennis van het rugby bezat om er enige welgeplaatste opmerkingen of grappen over te kunnen maken.
Hij ging lang niet altijd naar literaire- en journalistenpubs, zoals McDaid’s in Harry Street of The Palace Bar in Fleet Street, vlakbij het gebouw van The Irish Times in Westmoreland Street. Tijdens of zelfs vóór kantooruren kon hij worden aangetroffen in The Scotch House op Burgh Quay. Hij werkte als hoge, maar niet altijd aanwezige ambtenaar in het nabijgelegen Custom House. Zijn directe chef en beschermheer John Garvin wees hem er vriendelijk op dat zijn pubbezoek niet onopgemerkt was gebleven: ‘You were seen going into the Scotch House.’ Waarop Myles zei: ‘You mean I was seen coming into the Scotch House.’ Het was Myles’ ambitie niet om op te vallen. Zijns ondanks gebeurde dat toch. Vaak doordat hij te uitbundig was geweest in zijn liefde voor de whiskey. (Goed dan, doordat hij te veel had gezopen.)
Myles schiep, net als O’Dea, een beroemde Dubliner: The Brother, hoewel het de broer van de broer is die door Myles wordt geciteerd. The Brother en de broer van The Brother zijn echte oudehoeren, betweters, clichémannetjes, moralisten, amateurfilosofen, ingezonden-brievenschrijvers, wereldverbeteraars. Zie de volgende dialoog, waarbij de droge gecursiveerde zinnetjes niet van de broer van The Brother zijn, maar van de minzaam luisterende Myles zelf.

‘M’n broer kan geen ei meer zien.

Is dat zo?

Kan absoluut niet tegen de aanblik van een ei. Spek, ham, vis, wat je maar wil – hij krijgt het allemaal weg en vraagt om meer. Maar een ei gaat er niet in. Evengoed bedankt, maar nee, geen eieren. Het ei komt er niet in.

Ik snap het.

Ik hoor hem vaak praten over het gevaar van eieren. Je kan allerlei soorten ziektes krijgen van eieren, dat zegt m’n broer tenminste.

Dat is verontrustend nieuws.

Het probleem is dat een ei nooit doodgaat. Het zit vol met allerlei soorten microben en als een ei eenmaal in je pens zit, gaan ze opgetogen op pad om een hapje te eten. Het is een kleine moeite voor ze om een soort zweer te veroorzaken in je pens.

Ik snap het

Stel je eens voor; al die kereltjes daar binnen lopen heen en weer in je maag en fokken misschien families en zetten het op een vreten en kauwen en zuipen een eind weg; het is een wonder dat we niet allemaal in ons graf liggen, man, met al die kippen in het land.

Ik moet onthouden dat ik eieren voortaan laat staan.

Ik waag me er zo nu en dan zelf aan, maar daar zou ik wel eens spijt van kunnen krijgen. Daar heb je m’n Drimnagh-bus, ik moet er vandoor, doe niets als je oom er bij is, zeggen ze wel eens.

Tot ziens.

Myles was een taalman. Een van zijn uitvindingen: The Myles na gCopaleen Cathechism of Cliché. Vraag: ‘Wat zou je het meest kenmerkende van willekeurig welke overleden Dubliner willen noemen?’ Antwoord: ‘Al het beste in het Ierse leven.’
Vraag: ‘Door welke eigenschappen maakte hij zich bemind bij iedereen die hem kende?’ Antwoord: ‘Door zijn charme en zijn niet aflatende vriendelijkheid.’ ‘Hoe was hij toen hij begon weg te kwijnen?’ ‘Ondanks zijn broze gezondheid bleef hij zich onvermoeibaar inzetten voor zijn minder fortuinlijke medemens.’ ‘En hoe zou je zijn verlies omschrijven?’ ‘Als bijkans onherstelbaar.’ 
Een van zijn andere uitvindingen: de verhalen over de dichters Keats en Chapman, altijd culminerend in een krankzinnige woordspeling. (De heren leefden overigens in heel verschillende tijden.) Maar de absurde, altijd terloops vertelde weg erheen was net zo belangrijk. De lol zit hem wonderlijk genoeg in de anti-climax. Keats huurt viswater en vangt grote hoeveelheden forel, te veel om op te eten. Zijn vriend Chapman verschaft hem daarom een handige ‘canning-machine’ om de vis in te blikken. Enige tijd later gaat Chapman op bezoek bij Keats en wordt getroffen door diens toegenomen gewicht. ‘Je eet zeker veel,’ zegt Chapman. ‘Je verdient zeker veel geld met de ingeblikte forel.’ Keats antwoordt: ‘I eat what I can.’ Zo zien de beide mannen tijdens een circusvoorstelling een dierentemmer de leeuwenkooi betreden, die daar gewoon gaat zitten lezen. Keats, opnieuw onvertaalbaar: ‘He’s reading between the lions.’
Myles bedreef in zijn dagelijkse column ook veel satire, gewapend met zijn grote eruditie. Zelfingenomen intellectuelen (waartoe hij natuurlijk ook zelf behoorde) en andere snobs hadden het in de column hard te verduren. Myles had het graag over de klasse der bebaarde corduroys, die ook in Dublin ruim was vertegenwoordigd. ‘Mensen die niet in Dublin wonen (of wel, maar de “intellectuele” rattenkooien vermijden) hebben er moeite mee het ongelooflijke geleuter serieus te nemen dat doorgaat voor verlichte conversatie wanneer een paar baarden en corduroys bij elkaar zijn. Dat is erg grappig.’ Volgt een krankzinnige conversatie vol mislukte Franse citaten en dolgedraaide verwijzingen naar het quattrocento en het cinquecento.
Het best op dreef is Myles als hij zijn ijlhoofdige fantasie loslaat op de werkelijke wereld. Enter: The Myles na Gopaleen Buchhandlung Service. Tegen een vergoeding kan een vulgair persoon met veel geld een boekenkast verwerven die grote indruk maakt. De boeken worden door de Service gekozen, ingelezen (vakkundig mishandeld) en – hier stijgt de prijs aanmerkelijk – van deskundig commentaar in de kantlijn voorzien ‘Ja, maar verg. Homerus, Od., iii, 151’ of  ‘Ik herinner me dat die arme Joyce precies hetzelfde tegen me zei’). De Traitement Superbe behelst vervalste opdrachten van de beroemde auteur: ‘Van je toegewijde vriend en volgeling, K. Marx’ of  ‘Beste A.B., – Je suggesties en bijstand zijn van onschatbare waarde geweest, om maar te zwijgen van je goedheid hoofdstuk 3 geheel te herschrijven. Dit alles geeft je zeker recht op dit eerste exemplaar van Tess. Van je oude vriend T. Hardy’.
In bovenstaande voorbeelden is het doelwit van de spot nog een naamloze groep snobs, maar Sir Myles na Gopaleen, zoals hij zichzelf noemde, begon ook een belangrijk wetenschappelijk bureau naar het voorbeeld van het door president De Valera opgerichte Institute for Advanced Studies: het Myles na Gopaleen Research Bureau. Dat Research Bureau bedacht onder meer ‘een sneeuwmeter’, een installatie die uitkomt op een emmer. Het doel is de in de buurt rondlummelende, Proust lezende jonge literaat, die op zeker moment verzucht: ‘Mais où sont les neiges d’antan?’ naar die emmer te slepen en te zeggen: “Daar, in die emmer, gek!”
Maar Myles had ook directe kritiek op dat instituut. Het hoofd ervan, de naar Dublin gehaalde Nobelprijswinnaar Edward Schrödinger, had een rede gehouden, waaruit bleek dat het scheppingsverhaal niet houdbaar was. Een andere geleerde aan het instituut had beweerd dat Ierland ooit bezocht was door twee missionarissen die later waren aangezien voor die ene Saint Patrick. Myles reageerde daarop met een geestigheid die in Dublin zeer werd bewonderd. Hij schreef dat het Institute for Advanced Studies bewezen had dat er twee St. Patricks waren en geen God.
Het instituut liep naar de rechtbank. In een regeling buiten de rechter om stemde The Irish Times in met een schadevergoeding van honderd Ierse ponden, waarvan uiteindelijk maar de helft werd betaald. Maar de angst voor rechtszaken was voorgoed gezaaid bij hoofdredacteur Smyllie.
The Irish Times weigerde daarom steeds vaker columns van Myles. En wat het honorarium betreft, gold: niet plaatsen was niet betalen. Dat frustreerde Myles hevig, omdat hij toch al moest sappelen. (De ambtenaar Brian O’Nolan was niet meer te handhaven geweest en had zich in 1953 gedwongen teruggetrokken uit de dienst met een klein pensioen.) Myles maakte onder het pseudoniem George Knowall ook slappe, uit de Encyclopedia Britannica overgeschreven stukjes voor een provinciale krant.
En tot het schrijven van fictie kwam het lange tijd niet meer. Hoewel je kunt volhouden dat Myles na Gopaleen een fictief personage is in zijn eigen stukken (hij woont op een landgoed, verkeert met de groten der aarde en doet de ene uitvinding na de andere), was het na de afwijzing van The Third Policeman aan het begin van de jaren veertig met de romanschrijver gedaan, al schreef hij als Myles kort daarna nog in het Iers de hilarische satire An Béal Bocht (The Poor Mouth), over dweepzieke liefhebbers van de Gaeltacht, de ver van Dublin gelegen Iers-sprekende gebieden.
Pas nadat At Swim-Two-Birds in 1960 opnieuw was uitgegeven en ook in de Verenigde Staten was ontdekt, schreef Flann O’Brien weer nieuw werk: The Hard Life en The Dalkey Archive. Alleen de eerste titel benadert enigszins de kwaliteit van de eerdere romans. De ex-ambtenaar Brian O’Nolan was in de jaren zestig een tamelijk bittere, half verdronken man geworden. Hij had de belofte van de briljante student en de jonge schrijver toch niet kunnen waarmaken, laat staan dat hij uit de schaduw van die andere comic genius James Joyce had kunnen komen. Zelfs als columnist had hij zijn beste tijd had gehad. Nee, er viel niets meer te lachen.

Bob Frommé

Catechismus van het Cliché

Mijn favoriete columnist is Myles na Gopaleen, bij een enkeling beter bekend als de schrijver Flann O’Brien (1911-1966). Hij was in Ierland net zo groot als Simon Carmiggelt hier, al neemt die roem, net als die van Simon, zienderogen af. Een van Myles’ uitvindingen is de Catechismus van het Cliché. De echte catechismus begint met de vraag: waartoe zijn wij op aarde? Antwoord: wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te worden. (Tuurlijk.) Datzelfde stramien hanteerde Myles, maar dan op geheel eigen wijze.
Dat ging ongeveer zo. (Ik doe er zelf wat dingen bij.) Een veel voorkomende gelegenheid is de uitvaart van een medemens. Wat is de aard van het verlies? Onherstelbaar. Wat had de overledene voor iedereen over? Een vriendelijk woord. Wat stond hij voor iedereen? Altijd klaar. Wat kon je dus altijd op hem doen? Bouwen. Wanneer komt het moment dat we hem zullen vergeten? Nooit.
Ik doe Myles na. We bevinden ons in een vol voetbalstadion. De keeper van de thuisploeg verzuimt een gemakkelijk schot tegen te houden. Hoe ziet die keeper er uit? Niet goed. Wat doet het daarop volgende fluitconcert? Striemen. Waar kwam dat? Hard bij hem binnen. Toch werd de wedstrijd uiteindelijk toch nog gelukkig gewonnen door de thuisploeg. Het strafschopgebied van de tegenstander leek af en toe wel een flipperkast. Op welke wijze werd meermalen gescoord? Door een woud van benen. Wat blijft immers voetbal? Voetbal.
Anekdotisch terzijde. Ooit – internet bestond nog niet – belde een sportverslaggever een wedstrijdverslag door naar de krant. Daarin werd gescoord door een woud van benen. De stenotypiste kende die uitdrukking niet en in de krant stond uiteindelijk dat er was gescoord door Wout van Benen.
Terug naar de catechismus. We gaan naar de oude binnenstad van Rome, Parijs of Amsterdam. Wat doen die steden? Ze bruisen. Zo’n stedentrip kan niet zonder een bezoek aan een terras. Wat doen we op dat terras? Neerstrijken. Tijdens onze zwerftochten door de stad komen we in een wijk die zelfs Ella Vogelaar niet had kunnen redden. In welke hoedanigheid zouden we daar gevonden willen worden? Nog niet dood.
Om de hectiek van de grote stad te ontvluchten, gaan we nog
naar een pittoresk dorpje op het nabijgelegen platteland. Wat heeft de tijd daar gedaan? Stilgestaan. Het was een mooie vakantie. Waarin werd bij thuiskomst het verhaal daarover aan vrienden en kennissen gedaan? In geuren en kleuren. 
Thans gaan we over naar enige clichés die in het bovenstaande ontbreken. Wat is de aard van dat ontbreken? Jammerlijk. En wat is de aard van deze flodders? Los. Gewoon wat catechismusvragen. Wat kunnen omstandigheden doen? Samenlopen. Waar omstandigheden zijn, zijn factoren niet ver weg. Waar komen die factoren samen? In een complex. Waar bevindt zich wat de toekomst voor ons heeft? In petto.
Wat komt er aan alle goede dingen? Een eind. Dat geldt ook hier. Hoe gaat steller dezes er daarom vandoor? Als een scheet.

Bob Frommé

Rockende witmannen

Mag een oude man nog popmuziek spelen? Het is een vraag die ik ook op mezelf moet betrekken. De vraag nader gepreciseerd: mag je als oude witman nog rocken? Oude zwartmannen mogen meer, is mijn indruk. Niemand vond het vreemd dat Solomon Burke, die niet eens meer kon staan bij zijn concerten, lekker doorging met zijn soul. En B.B. King mocht ook tot op hoge leeftijd de elektrische blues blijven spelen.
Maar mogen oude witmannen dat ook? Het hangt er een beetje vanaf aan wie je het vraagt. De Amerikaanse schrijver John Strausbaugh bijvoorbeeld, die ooit door Jan Tromp van de Volkskrant werd geïnterviewd, vond dat een rockzanger van boven de vijftig zich niet meer als zodanig onder de levenden mag vertonen. Jonge mensen zeggen zulke dingen niet. Die interesseren zich niet voor een band als de Stones. Het zijn de oude blanke lullen die vinden dat de Stones te oude lullen zijn om nog te kunnen optreden.
Maar waarom eigenlijk? Als die mannen willen optreden en ze krijgen daar nog steeds stadions mee vol, waarom zouden ze het dan in vredesnaam laten? Wie zal het ze ontzeggen? De oude blanke lullen. En de reden is duidelijk: jaloezie en zelfhaat.
De erg volwassen en cynische Jan Tromp vond het heerlijk wat die Strausbaugh allemaal beweerde. Ook Tromp vindt het niet leuk dat hij ouder wordt en dat uit zijn oren bosjes haar beginnen te groeien en dat hij strammer beweegt dan voorheen en dat andere, zelfs oudere blanke lullen nog wel volop bewegen en nog steeds succesvol rock ’n rollen.
Het zijn vooral de Stones die op hoon kunnen rekenen. Die staan 13 juni in de Arena (wel 300 euro meebrengen voor een goeie plek). En waarom niet? Heel veel mensen willen ze zien. Dat wil niet zeggen dat ik het geweldig hoef te vinden wat ze doen. Ik zal er niet bij zijn in de Arena. Mick Jagger is altijd al een stripfiguur geweest, met die constante praalzieke houding (dat potsierlijke is ooit meesterlijk nagedaan door Remko Vrijdag). Maar ik misgun het die mannen niet. Als zeventiger rocken blijkt heel goed te kunnen.
Neem mijzelve. Donderdag heb ik met mijn muzikale vrienden nog danig lopen te rocken. Voor de pauze met Blind Vertrouwen (akoestisch, dus zonder rockgeweld, maar ook met rocknummers), na de pauze bij de reünie van Noodweer. Het was, ondanks de fouten en de zenuwen vooraf, een heerlijke avond.
Veel meer durf ik daar niet over te zeggen. Dat laat ik liever over aan Roland Vonk, die deze recensie postte: ‘Dat was een memorabele avond, gisteravond in Kantine Walhalla bij de cd-presentatie van het duo Blind Vertrouwen (de helft van Noodweer) en het mogelijk laatste reünie-concert van Noodweer, de Rotterdamse nederpop-trots van weleer. Fijne liedjes, verstaanbare teksten die ergens over gaan, goed geluid – niet te hard – en een geweldige sfeer in een uitverkochte zaal. Het was intiem, informeel, zeer relativerend en liefdevol.’
Zolang je niet achter een rollator loopt, kun je rock ’n rollen dat het een aard heeft.

Bob Frommé

Taalstukjes

Als Mark Rutte het over het zuiden van ons land wil hebben, in het Engels, zegt hij: “De saus of Holland.” Dat kwam hem op een reprimande van Arjen Lubach te staan. Die sprak van steenkolen-Engels. Dat is zo gek nog niet, maar toch ben ik het niet met hem eens. Iemand kan grammaticaal en idiomatisch perfect Engels spreken, maar dat met een vet Nederlands accent doen. Als de spreker rare fouten maakt en bijvoorbeeld Nederlandse woorden letterlijk vertaalt, terwijl een Engelssprekende daar niets van begrijpt, pas dan noem ik het steenkolen-Engels.
Chriet Titulaer sprak Engels met een zwaar aangezet Limburgs accent, maar aan zijn Engels mankeerde weinig. Ooit hoorde ik Bram van Splunteren, die enorm cool en hip Amerikaanse lulde met de Red Hot Chili Peppers, het volgende zeggen: “Did you saw that?” Al zagend en niets ziend gaf hij een voorbeeld van steenkolen-Engels. Maar dat was nog niets vergeleken met Ronald Koeman, die na een wedstrijd zijn team prees door te zeggen: “They did it for traffic.” Dat was voortreffelijk gesteenkoold.

Ik houd enorm van het Nederlands. En ik zeg het nog maar een keer: wij doen niet onder voor andere talen, terwijl de Nederlander denkt dat de Engelsen een veel geestiger taalgebruik hebben dan wij. Wij hebben allerlei uitdrukkingen die we zelf gewoon vinden, maar die, als ze Engels waren geweest, als heel bijzonder zouden worden gezien. Om tegen dat minderwaardigheidsgevoel een dam op te werpen, leg ik een almaar uitdijende verzameling aan van beeldende woorden, woorden die goed beschouwd treffende metaforen zijn, zoals deze:
Abc’tje
Aderlating
Bloedstollend
Brandschoon
Dijenkletser
Dood- (-moe, -eenvoudig, -leuk)
Door het stof gaan
Doorgedraaid
Een woud van benen
Het hoekje omgaan
Iemands bloed willen drinken
Katzwijm
Net goed
Olifantenpaadje
Ondermaanse
Opzouten
Paniekvoetbal 
Pantoffelheld
Pijpenla
Platzak
Praatziek
Rooskleurig 
Schijtlijster
Smeerpoets (Piet de)
Snikheet
Spekglad
Springlevend
Stoom afblazen
Vaarwel
Winkeldochter
Zakkenwasser

Ooit prees Martin van Waardenberg in plat Rotterdams het design van bouwmarktspullen aan: “Die zaain van de Gamma.” Geweldig vond ik dat. Ik ben zelf ook gek op zulke dubbele betekenissen. En als het even kan, gebruik ik die in liedteksten. Ik vermoed dat The Temptations ook zoiets deden in Papa was a rolling stone: All he left us was alone, wat ook kan worden opgevat als All he left us was a loan.
Voorbeelden van eigen makelij. Toen mijn moeder een eind aan haar leven had gemaakt, schreef ik maanden later een lied met de titel Moederschoot. Dat woord kwam meermalen voor in het refrein, maar werd aan het eind uitgebreid met ‘zichzelf dood’.
In een loflied op het fietsen is het refrein: ‘Malen, malen, malen met die benen/ Malen die pedalen, malen die pedalen/ Malen, malen, malen met die benen’. Aan het eind van het nummer krijgen ‘die pedalen’ een andere betekenis: ‘Malen, malen, malen met die benen/ We gaan door diepe dalen/ Maar wel de eindstreep halen/ Malen, malen, malen met die benen.’
En de smeekbede van een drinker ‘Geef me ’t’ (wat je uitspreekt als gemenut) kreeg een vervolg in ‘Want ik heb geen nut’. Taalplezier dat, naar je hoopt, nog een beetje nut heeft ook. En doe nu dat drankje maar.

Bob Frommé