Myles

Vorige week bracht ik in een stukje over clichés een van mijn schrijvershelden ter sprake, Flann O’Brien ofwel Myles na Gopaleen. Ik heb een lang stuk over hem dat ik heden presenteer. (In gewijzigde vorm verschenen in Dublin, de literaire stedenreeks van uitgevrij Bas Lubberhuizen.) Het is echt een heel lang stuk, zowat zeven keer zo lang als normaal. “Daar heb ik echt geen zin in. Dat is gekkenwerk.” Dat is het. Beschouw het als een uitdaging. Hoe denkt u dat uw doorzettingsvermogen zal worden beloond? Rijkelijk.

Myles na Gopaleen heeft mij gered. Zonder hem zou ik misschien een weeë liefhebber van Ierland zijn gebleven. Ik kwam voor het eerst in Dublin in 1985 en was op slag verliefd. Ik logeerde in The Happy Rambler (nu Isaacs Hostel) in Frenchmans Lane in Dublin, waar ’s avonds altijd een jongen onder een lantaren stond te lezen. Ook in de jaren die volgden, stond die jongen daar met een boek onder die lantaren. Een Dublin character, want hij sliep niet in dat jeugdherbergachtige logement. Ik heb hem nooit durven aanspreken.
Ik beschouwde hem als typisch Dublins, zoals je altijd je eerste ervaringen als typisch beschouwt. Die jongen koesterde liefde voor de literatuur, was eigenzinnig, viel niemand lastig en oogde zeer vriendelijk – echt Dublins.
Door mijn verliefdheid op al wat Iers was vond ik de idiootste dingen charmant. In een boekhandel in Cork bleken de titels niet op alfabetische volgorde te staan. Ook niet op de planken van mijn inmiddels favoriete afdeling Books of Irish interest. Je kunt ook zeggen: het was er een zooitje. Maar dat vond ik juist opmerkelijk en eigen. Ik stuitte in die chaos op de bundel met columns The Best of Myles. Van Myles na Gopaleen had ik nog nooit gehoord, wel van zijn andere pseudoniem Flann O’Brien. Ik kende zijn romans At Swim-Two-Birds en The Hard Life, en vond de eerste superieur grappig.
De columns, oorspronkelijk verschenen in The Irish Times, waren leerzaam. Myles wist met mijn Ierland-liefde wel raad. Alleen al de in zijn columns terugkerende, niet erg slimme, clichéverliefde Plain People of Ireland, die Myles af en toe tevergeefs tot de orde riepen, lieten zien hoe Myles over zijn landgenoten dacht. Hij maakte weliswaar geen grappen over dweepzieke toeristen, maar wel over het typisch Ierse en de mensen die daar dol op waren. In het hoofdstuk Bores stelde Myles mij niet alleen voor aan de gevreesde saaineuzen The Man Who Does His Own Carpentry en The Man Who Spoke Irish When It Was Neither Popular Nor Profitable, maar ook aan de man die van zijn vaderland houdt wegens de pure eigenaardigheid ervan. Treinen die nooit op tijd rijden? Heerlijk Iers! Een verbod op literaire werken wegens obsceniteit? Heerlijk Iers! Zie die man aan de rand van het trottoir staan, terwijl een vuilniswagen van de Dublinse gemeentereiniging hem aanrijdt en een berg smerigheid over hem uitstort. Een deel van de smurrieberg beweegt na enige tijd, verheft zich en roept door een opening bovenin met gesmoorde stem: ‘Waar anders dan in Ierland kan dit je overkomen?’
Ook later, in andere bundels van Myles, kwam ik die anti-Irishness tegen. Voorbeeld uit 1943, opgenomen in Myles at War: ‘Wij Ieren zijn eenvoudige, onbedorven, godvrezende, verfijnde Centraal-Europeanen die wellevendheid koesteren als een kostbaar kleinood. Het wordt tijd dat dat eens gezegd wordt, want bij ons kan bescheidenheid bijna een ondeugd worden. We zijn een buitengewoon aardig volk. Een nederige gemeenschap, in ons dagelijkse rondje eenvoudige landbouwtaken verbonden door de sterkste traditionele banden die door aardmannetjes op een minuscuul weefgetouw voor een appel en een ei en zonder bon worden geweven.’
Zulke onweerstaanbare teksten maakten me eigenlijk nog weerlozer. Immers, ik was een briljant persoon tegengekomen die het typisch Ierse belachelijk maakte, maar die zelf ook erg Iers was. Zo ken ik nu ook Dubliners die niet over de nationale Ierse tv-zenders RTE 1 en RTE 2 spreken, maar over Bog 1 en Bog 2. (Veenmoeras 1 en Veenmoeras 2.) Myles verruimde het Ierse en vergrootte mijn liefde voor Ierland nog.
Myles na Gopaleen (of nog Keltischer: Myles na gCopaleen) overleed op 1 april, 1966. Een Dubliner die hem met eigen ogen in de stad heeft gezien, moet dus ten minste een zeventiger zijn. Maar als aan die voorwaarde is voldaan, is de kans erg groot dat hij Myles met zijn hoed en regenjas gezien heeft, en zeer waarschijnlijk in een pub. Myles kwam in The Scotch House aan de Liffey, Neary’s, The Palace Bar, The Bailey, McDaid’s, Doheny and Nesbitt, The Dolphin, The Pearl, The White Horse, Mulligan’s in Poolbeg Street, Cheerio Ryan’s in Dun Laoghaire, The Morgue in Templeogue, The Bleeding Horse, The Dead Man Murray’s, Gerry Byrne’s of Galloping Green in Stillorgan, Matt Smith’s in Stepaside, The Brazen Head, Sinnott’s, Ye Old Grinding Younge, The Winter Garden Palace, Dolly Fossett’s, The Ouzel Galley, The Widow Flavin’s in Sandyford en O’Rourke’s in Blackrock.
Het is goed mogelijk dat een nog levende tijd- en stadgenoot van Myles hem na langdurig pubbezoek in een taxi heeft geholpen of een neef heeft die hem in een taxi heeft geholpen. De man met de neef die Myles na Gopaleen in een taxi heeft geholpen, ontmoette ik in de jaren tachtig aan de Ierse westkust, in het lege graafschap Galway. Ook daar was zijn naam een begrip.
Myles was de beroemdste en ongetwijfeld beste columnist van Dublin. In verband met hem wordt vaak en niet ten onrechte de kwalificatie comic genius gebruikt. Zijn beroemdheid is alleen te vergelijken met die van Simon Carmiggelt in Amsterdam, ook een frequent cafébezoeker. Veel meer overeenkomsten hebben Carmiggelt en Myles niet.
Ik vind de columns van Myles geweldig, en dat vind ik ook van een aantal van zijn romans, die hij onder de naam Flann O’Brien schreef. Ik vind hem zo goed dat ik in een absurd overmoedige stemming zelfs heb overwogen een biografie van hem te schrijven. Gelukkig heeft Anthony Cronin dat voor mij gedaan, onder de treffende titel No Laughing Matter. Door die biografische neiging ben ik wel op plekken in Dublin geweest die ik anders misschien nooit had gezien: de prachtige leeszaal van de Nationale Bibliotheek in Kildare Street en de begraafplaatsen Mount Jerome in Harold’s Cross (zuidwest-Dublin) en Deansgrange in Monkstown (zuidoost-Dublin). Myles lag niet op twee begraafplaatsen, Mount Jerome bleek de verkeerde te zijn. Die is protestants en Myles (eigenlijke naam: Brian O’Nolan), die werd begraven in hetzelfde graf als zijn beide ouders, was van katholieke huize.
Het bezoek aan Mount Jerome leverde wel een leerzaam gesprek op met de beheerder van het kerkhof. Hij had menige Dubliner zien gaan. Op zijn dodenakker lagen beroemde mensen, zoals de dichter Thomas Davis, mede-oprichter van de negentiende-eeuwse opstandelingen The Young Irelanders, William Wilde, behalve oog- en oorarts ook archeoloog, oral historian en vader van Oscar Wilde, de schrijver George Russell, beter bekend als Æ, en de toneelschrijver J.M. Synge. De beheerder was trots op een grillige boom op zijn kerkhof, die vol doornen was en uit het Heilige Land kwam. Hij had mij wegens de regen in zijn onderkomen op het kerkhof genood, waar ik werd gadegeslagen door een zwijgende dobermannpincher.
Ik heb, rondvragend naar Myles, een ontzettend knappe oude vrouw gesproken in haar woning in Sandycove, ten zuiden van Dublin, waar zich ook Joyce’s Tower bevindt en Forty Foot, deGentleman’s Bathing Place (vereeuwigd in onder meer At Swim, Two Boys van Jamie O’Neill). De vrouw was de echtgenote van een van de terloopse aristocraten die het hele jaar door naakt in zee duiken vanaf Forty Foot. Zij vertelde dat Myles erg charmant tegen haar was, haar eigenlijk het hof maakte, maar dat zij hem niet erg aantrekkelijk vond. (Zie zijn portret met Rudolf Hess-wenkbrauwen.)

Ronnie Drew, in 1962 een van de oprichters van The Dubliners, herinnert zich Myles alleen als ‘zwijgzaam’, heel anders dan de even alcoholische, maar luidruchtige, vaak chagrijnige dichter Paddy Kavanagh en de nog luidruchtigere schrijver en kroegzanger Brendan Behan.

De Dublinse schrijfster en columniste Nuala O’Faolain vertelt in haar autobiografie Are You Somebody? (1996), dat zij in Neary’s, in Chatham Street, Myles tegen de zijkant van de tapkast heeft zien pissen. Dit gruwelijke beeld past goed in haar bewering dat veel literaire (en andere) levens geheel werden verzopen in Dublin. Dat geldt helaas ook voor de briljant begonnen Brian O’Nolan, beter bekend als Flann O’Brien en Myles na Gopaleen. Een kennis zag hem op een kwade namiddag in zuidelijke richting lopen (Myles woonde met zijn vrouw Evelyn in Stillorgan, zuid-Dublin), waarbij hij hand over hand voortbewoog, zich als een drenkeling vasthoudend aan de railing van het hek langs Merrion Square, almaar mompelend: ‘Fuck the fucking fuckers.’
Brian O’Nolan was een Dubliner en liet fictieve Dubliners in zijn columns Dublins spreken. Maar een Dubliner qua afkomst was hij niet. Hij werd in 1911 als zoon van een belastingontvanger geboren in de provincieplaats Strabane in het Noord-Ierse graafschap Tyrone. Door die afkomst kende hij Gaelic van huis uit. Hij spelde zijn achternaam ook wel als O Nualáin. Een intellectueel uit Dublin zou die achtergrond nooit hebben gehad.
Hij ging wel in Dublin studeren, aan het katholieke University College, net als James Joyce vóór hem. Daar werd hij een hogelijk gewaardeerde, plaatselijk beroemde, tegendraadse spreker in disputen en schrijver (onder talloze pseudoniemen) in een studentenblad. In 1939 kwam zijn eerste boek uit, At Swim-Two-Birds, een hilarische anti-roman, die hogelijk werd geprezen door Graham Greene en James Joyce, en later ook door de briljante Ierse schrijver John Banville, die hem ‘mijn held’ noemde.
Maar het boek kreeg, ook door het uitbreken van de oorlog, weinig aandacht en werd nauwelijks verkocht. Een jaar later gebeurden twee dingen die zijn schrijversleven bepaalden. Het manuscript voor zijn tweede roman, het surreële, donkere meesterwerk The Third Policeman, werd afgewezen door zijn Londense uitgever. (Tegenover de buitenwereld hield hij vol dat hij het manuscript op reis was kwijtgeraakt of ergens in een pub had laten liggen; het werd postuum uitgegeven.) En hij werd aangenomen als columnist bij The Irish Times, nadat hij – mét vrienden – een tijdje de brievenrubriek van die krant onder, alweer, allerlei pseudoniemen onveilig had gemaakt met onzinnige teksten. Eerst schreef hij nog in het Gaelic, maar na een jaar vrijwel uitsluitend in het Engels. Die column, getiteld Cruiskeen Lawn (Het Volle Glas), werd een onmiddellijk succes en behoorde tot de weinige krantenstukken die een Dublinse intellectueel of iemand met aspiraties daartoe gelezen moest hebben.
Dublin was, zoals elke stad, rijk aan characters. Maar misschien zijn Ierse characters net iets spraakzamer, woordspeleriger, lach- en zanglustiger, drankzuchtiger en uitzinniger dan andere characters. Het is grappig in Remembering How We Stood van John Ryan te lezen dat op zeker moment een Dubliner halverwege de jaren vijftig door Grafton Street liep en drie mannen op straat hoorde klagen over het gebrek aan real characters in Dublin. Ze meenden het. Maar zie wie ze zelf waren: Myles, Brendan Behan en de alom bekende kogelronde schilder, kroegloper en raconteur Sean O’Sullivan, die er plezier in had mee te delen: ‘We are the people our mothers warned us against.’ Deze drie mannen zagen nergens nog een echte persoonlijkheid. Volgens Ryan zou dat de kern van een Dublin character zijn: hij is er zich totaal niet van bewust dat hij er zelf een is.
Myles was geen extraverte persoonlijkheid. Hij zat vaak alleen in een pub met zijn eeuwige donkerbruine hoed op het hoofd, zijn lange jas en zijn krant. Soms was hij, in Neary’s of Sinnott’s, vlak bij het Gaiety Theatre, in het gezelschap van de treurig ogende komiek Jimmy O’Dea, schepper van vele Dublin-types onder wie de in die tijd beroemde Biddie Mulligan. O’Dea was net als Myles klein van gestalte. Voor veel Dubliners, die van hun humoristen hielden, was het een gedenkwaardige aanblik die twee kleine mannen bij elkaar te zien zitten. O’Dea en Myles waren verwante zielen, maar Myles kon zich ook mengen onder het publiek in de bar van het Dolphin-hotel in Essex Street, waar veel rugbyliefhebbers kwamen: zakenlieden, tandartsen en advocaten. Daar was Myles met zijn hoed met niet erg brede rand een niet al te bohemienachtige verschijning, die genoeg kennis van het rugby bezat om er enige welgeplaatste opmerkingen of grappen over te kunnen maken.
Hij ging lang niet altijd naar literaire- en journalistenpubs, zoals McDaid’s in Harry Street of The Palace Bar in Fleet Street, vlakbij het gebouw van The Irish Times in Westmoreland Street. Tijdens of zelfs vóór kantooruren kon hij worden aangetroffen in The Scotch House op Burgh Quay. Hij werkte als hoge, maar niet altijd aanwezige ambtenaar in het nabijgelegen Custom House. Zijn directe chef en beschermheer John Garvin wees hem er vriendelijk op dat zijn pubbezoek niet onopgemerkt was gebleven: ‘You were seen going into the Scotch House.’ Waarop Myles zei: ‘You mean I was seen coming into the Scotch House.’ Het was Myles’ ambitie niet om op te vallen. Zijns ondanks gebeurde dat toch. Vaak doordat hij te uitbundig was geweest in zijn liefde voor de whiskey. (Goed dan, doordat hij te veel had gezopen.)
Myles schiep, net als O’Dea, een beroemde Dubliner: The Brother, hoewel het de broer van de broer is die door Myles wordt geciteerd. The Brother en de broer van The Brother zijn echte oudehoeren, betweters, clichémannetjes, moralisten, amateurfilosofen, ingezonden-brievenschrijvers, wereldverbeteraars. Zie de volgende dialoog, waarbij de droge gecursiveerde zinnetjes niet van de broer van The Brother zijn, maar van de minzaam luisterende Myles zelf.

‘M’n broer kan geen ei meer zien.

Is dat zo?

Kan absoluut niet tegen de aanblik van een ei. Spek, ham, vis, wat je maar wil – hij krijgt het allemaal weg en vraagt om meer. Maar een ei gaat er niet in. Evengoed bedank, maar nee, geen eieren. Het ei komt er niet in.

Ik snap het.

Ik hoor hem vaak praten over het gevaar van eieren. Je kan allerlei soorten ziektes krijgen van eieren, dat zegt m’n broer tenminste.

Dat is verontrustend nieuws.

Het probleem is dat een ei nooit doodgaat. Het zit vol met allerlei soorten microben en als een ei eenmaal in je pens zit, gaan ze opgetogen op pad om een hapje te eten. Het is een kleine moeite voor ze om een soort zweer te veroorzaken in je pens.

Ik snap het

Stel je eens voor; al die kereltjes daar binnen lopen heen en weer in je maag en fokken misschien families en zetten het op een vreten en kauwen en zuipen een eind weg; het is een wonder dat we niet allemaal in ons graf liggen, man, met al die kippen in het land.

Ik moet onthouden dat ik eieren voortaan laat staan.

Ik waag me er zo nu en dan zelf aan, maar daar zou ik wel eens spijt van kunnen krijgen. Daar heb je m’n Drimnagh-bus, ik moet er vandoor, doe niets als je oom er bij is, zeggen ze wel eens.

Tot ziens.

Myles was een taalman. Een van zijn uitvindingen: The Myles na gCopaleen Cathechism of Cliché. Vraag: ‘Wat zou je het meest kenmerkende van willekeurig welke overleden Dubliner willen noemen?’ Antwoord: ‘Al het beste in het Ierse leven.’
Vraag: ‘Door welke eigenschappen maakte hij zich bemind bij iedereen die hem kende?’ Antwoord: ‘Door zijn charme en zijn niet aflatende vriendelijkheid.’ ‘Hoe was hij toen hij begon weg te kwijnen?’ ‘Ondanks zijn broze gezondheid bleef hij zich onvermoeibaar inzetten voor zijn minder fortuinlijke medemens.’ ‘En hoe zou je zijn verlies omschrijven?’ ‘Als bijkans onherstelbaar.’ 
Een van zijn andere uitvindingen: de verhalen over de dichters Keats en Chapman, altijd culminerend in een krankzinnige woordspeling. (De heren leefden overigens in heel verschillende tijden.) Maar de absurde, altijd terloops vertelde weg erheen was net zo belangrijk. De lol zit hem wonderlijk genoeg in de anti-climax. Keats huurt viswater en vangt grote hoeveelheden forel, te veel om op te eten. Zijn vriend Chapman verschaft hem daarom een handige ‘canning-machine’ om de vis in te blikken. Enige tijd later gaat Chapman op bezoek bij Keats en wordt getroffen door diens toegenomen gewicht. ‘Je eet zeker veel,’ zegt Chapman. ‘Je verdient zeker veel geld met de ingeblikte forel.’ Keats antwoordt: ‘I eat what I can.’ Zo zien de beide mannen tijdens een circusvoorstelling een dierentemmer de leeuwenkooi betreden, die daar gewoon gaat zitten lezen. Keats, opnieuw onvertaalbaar: ‘He’s reading between the lions.’
Myles bedreef in zijn dagelijkse column ook veel satire, gewapend met zijn grote eruditie. Zelfingenomen intellectuelen (waartoe hij natuurlijk ook zelf behoorde) en andere snobs hadden het in de column hard te verduren. Myles had het graag over de klasse der bebaarde corduroys, die ook in Dublin ruim was vertegenwoordigd. ‘Mensen die niet in Dublin wonen (of wel, maar de “intellectuele” rattenkooien vermijden) hebben er moeite mee het ongelooflijke geleuter serieus te nemen dat doorgaat voor verlichte conversatie wanneer een paar baarden en corduroys bij elkaar zijn. Dat is erg grappig.’ Volgt een krankzinnige conversatie vol mislukte Franse citaten en dolgedraaide verwijzingen naar het quattrocento en het cinquecento.
Het best op dreef is Myles als hij zijn ijlhoofdige fantasie loslaat op de werkelijke wereld. Enter: The Myles na Gopaleen Buchhandlung Service. Tegen een vergoeding kan een vulgair persoon met veel geld een boekenkast verwerven die grote indruk maakt. De boeken worden door de Service gekozen, ingelezen (vakkundig mishandeld) en – hier stijgt de prijs aanmerkelijk – van deskundig commentaar in de kantlijn voorzien ‘Ja, maar verg. Homerus, Od., iii, 151’ of  ‘Ik herinner me dat die arme Joyce precies hetzelfde tegen me zei’). De Traitement Superbe behelst vervalste opdrachten van de beroemde auteur: ‘Van je toegewijde vriend en volgeling, K. Marx’ of  ‘Beste A.B., – Je suggesties en bijstand zijn van onschatbare waarde geweest, om maar te zwijgen van je goedheid hoofdstuk 3 geheel te herschrijven. Dit alles geeft je zeker recht op dit eerste exemplaar van Tess. Van je oude vriend T. Hardy’.
In bovenstaande voorbeelden is het doelwit van de spot nog een naamloze groep snobs, maar Sir Myles na Gopaleen, zoals hij zichzelf noemde, begon ook een belangrijk wetenschappelijk bureau naar het voorbeeld van het door president De Valera opgerichte Institute for Advanced Studies: het Myles na Gopaleen Research Bureau. Dat Research Bureau bedacht onder meer ‘een sneeuwmeter’, een installatie die uitkomt op een emmer. Het doel is de in de buurt rondlummelende, Proust lezende jonge literaat, die op zeker moment verzucht: ‘Mais où sont les neiges d’antan?’ naar die emmer te slepen en te zeggen: “Daar, in die emmer, gek!”
Maar Myles had ook directe kritiek op dat instituut. Het hoofd ervan, de naar Dublin gehaalde Nobelprijswinnaar Edward Schrödinger, had een rede gehouden, waaruit bleek dat het scheppingsverhaal niet houdbaar was. Een andere geleerde aan het instituut had beweerd dat Ierland ooit bezocht was door twee missionarissen die later waren aangezien voor die ene Saint Patrick. Myles reageerde daarop met een geestigheid die in Dublin zeer werd bewonderd. Hij schreef dat het Institute for Advanced Studies bewezen had dat er twee St. Patricks waren en geen God.
Het instituut liep naar de rechtbank. In een regeling buiten de rechter om stemde The Irish Times in met een schadevergoeding van honderd Ierse ponden, waarvan uiteindelijk maar de helft werd betaald. Maar de angst voor rechtszaken was voorgoed gezaaid bij hoofdredacteur Smyllie.
The Irish Times weigerde daarom steeds vaker columns van Myles. En wat het honorarium betreft, gold: niet plaatsen was niet betalen. Dat frustreerde Myles hevig, omdat hij toch al moest sappelen. (De ambtenaar Brian O’Nolan was niet meer te handhaven geweest en had zich in 1953 gedwongen teruggetrokken uit de dienst met een klein pensioen.) Myles maakte onder het pseudoniem George Knowall ook slappe, uit de Encyclopedia Britannica overgeschreven stukjes voor een provinciale krant.
En tot het schrijven van fictie kwam het lange tijd niet meer. Hoewel je kunt volhouden dat Myles na Gopaleen een fictief personage is in zijn eigen stukken (hij woont op een landgoed, verkeert met de groten der aarde en doet de ene uitvinding na de andere), was het na de afwijzing van The Third Policeman aan het begin van de jaren veertig met de romanschrijver gedaan, al schreef hij als Myles kort daarna nog in het Iers de hilarische satire An Béal Bocht (The Poor Mouth), over dweepzieke liefhebbers van de Gaeltacht, de ver van Dublin gelegen Iers-sprekende gebieden.
Pas nadat At Swim-Two-Birds in 1960 opnieuw was uitgegeven en ook in de Verenigde Staten was ontdekt, schreef Flann O’Brien weer nieuw werk: The Hard Life en The Dalkey Archive. Alleen de eerste titel benadert enigszins de kwaliteit van de eerdere romans. De ex-ambtenaar Brian O’Nolan was in de jaren zestig een tamelijk bittere, half verdronken man geworden. Hij had de belofte van de briljante student en de jonge schrijver toch niet kunnen waarmaken, laat staan dat hij uit de schaduw van die andere comic genius James Joyce had kunnen komen. Zelfs als columnist had hij zijn beste tijd had gehad. Nee, er viel niets meer te lachen.

Bob Frommé

Catechismus van het Cliché

Mijn favoriete columnist is Myles na Gopaleen, bij een enkeling beter bekend als de schrijver Flann O’Brien (1911-1966). Hij was in Ierland net zo groot als Simon Carmiggelt hier, al neemt die roem, net als die van Simon, zienderogen af. Een van Myles’ uitvindingen is de Catechismus van het Cliché. De echte catechismus begint met de vraag: waartoe zijn wij op aarde? Antwoord: wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te worden. (Tuurlijk.) Datzelfde stramien hanteerde Myles, maar dan op geheel eigen wijze.
Dat ging ongeveer zo. (Ik doe er zelf wat dingen bij.) Een veel voorkomende gelegenheid is de uitvaart van een medemens. Wat is de aard van het verlies? Onherstelbaar. Wat had de overledene voor iedereen over? Een vriendelijk woord. Wat stond hij voor iedereen? Altijd klaar. Wat kon je dus altijd op hem doen? Bouwen. Wanneer komt het moment dat we hem zullen vergeten? Nooit.
Ik doe Myles na. We bevinden ons in een vol voetbalstadion. De keeper van de thuisploeg verzuimt een gemakkelijk schot tegen te houden. Hoe ziet die keeper er uit? Niet goed. Wat doet het daarop volgende fluitconcert? Striemen. Waar kwam dat? Hard bij hem binnen. Toch werd de wedstrijd uiteindelijk toch nog gelukkig gewonnen door de thuisploeg. Het strafschopgebied van de tegenstander leek af en toe wel een flipperkast. Op welke wijze werd meermalen gescoord? Door een woud van benen. Wat blijft immers voetbal? Voetbal.
Anekdotisch terzijde. Ooit – internet bestond nog niet – belde een sportverslaggever een wedstrijdverslag door naar de krant. Daarin werd gescoord door een woud van benen. De stenotypiste kende die uitdrukking niet en in de krant stond uiteindelijk dat er was gescoord door Wout van Benen.
Terug naar de catechismus. We gaan naar de oude binnenstad van Rome, Parijs of Amsterdam. Wat doen die steden? Ze bruisen. Zo’n stedentrip kan niet zonder een bezoek aan een terras. Wat doen we op dat terras? Neerstrijken. Tijdens onze zwerftochten door de stad komen we in een wijk die zelfs Ella Vogelaar niet had kunnen redden. In welke hoedanigheid zouden we daar gevonden willen worden? Nog niet dood.
Om de hectiek van de grote stad te ontvluchten, gaan we nog
naar een pittoresk dorpje op het nabijgelegen platteland. Wat heeft de tijd daar gedaan? Stilgestaan. Het was een mooie vakantie. Waarin werd bij thuiskomst het verhaal daarover aan vrienden en kennissen gedaan? In geuren en kleuren. 
Thans gaan we over naar enige clichés die in het bovenstaande ontbreken. Wat is de aard van dat ontbreken? Jammerlijk. En wat is de aard van deze flodders? Los. Gewoon wat catechismusvragen. Wat kunnen omstandigheden doen? Samenlopen. Waar omstandigheden zijn, zijn factoren niet ver weg. Waar komen die factoren samen? In een complex. Waar bevindt zich wat de toekomst voor ons heeft? In petto.
Wat komt er aan alle goede dingen? Een eind. Dat geldt ook hier. Hoe gaat steller dezes er daarom vandoor? Als een scheet.

Bob Frommé

Rockende witmannen

Mag een oude man nog popmuziek spelen? Het is een vraag die ik ook op mezelf moet betrekken. De vraag nader gepreciseerd: mag je als oude witman nog rocken? Oude zwartmannen mogen meer, is mijn indruk. Niemand vond het vreemd dat Solomon Burke, die niet eens meer kon staan bij zijn concerten, lekker doorging met zijn soul. En B.B. King mocht ook tot op hoge leeftijd de elektrische blues blijven spelen.
Maar mogen oude witmannen dat ook? Het hangt er een beetje vanaf aan wie je het vraagt. De Amerikaanse schrijver John Strausbaugh bijvoorbeeld, die ooit door Jan Tromp van de Volkskrant werd geïnterviewd, vond dat een rockzanger van boven de vijftig zich niet meer als zodanig onder de levenden mag vertonen. Jonge mensen zeggen zulke dingen niet. Die interesseren zich niet voor een band als de Stones. Het zijn de oude blanke lullen die vinden dat de Stones te oude lullen zijn om nog te kunnen optreden.
Maar waarom eigenlijk? Als die mannen willen optreden en ze krijgen daar nog steeds stadions mee vol, waarom zouden ze het dan in vredesnaam laten? Wie zal het ze ontzeggen? De oude blanke lullen. En de reden is duidelijk: jaloezie en zelfhaat.
De erg volwassen en cynische Jan Tromp vond het heerlijk wat die Strausbaugh allemaal beweerde. Ook Tromp vindt het niet leuk dat hij ouder wordt en dat uit zijn oren bosjes haar beginnen te groeien en dat hij strammer beweegt dan voorheen en dat andere, zelfs oudere blanke lullen nog wel volop bewegen en nog steeds succesvol rock ’n rollen.
Het zijn vooral de Stones die op hoon kunnen rekenen. Die staan 13 juni in de Arena (wel 300 euro meebrengen voor een goeie plek). En waarom niet? Heel veel mensen willen ze zien. Dat wil niet zeggen dat ik het geweldig hoef te vinden wat ze doen. Ik zal er niet bij zijn in de Arena. Mick Jagger is altijd al een stripfiguur geweest, met die constante praalzieke houding (dat potsierlijke is ooit meesterlijk nagedaan door Remko Vrijdag). Maar ik misgun het die mannen niet. Als zeventiger rocken blijkt heel goed te kunnen.
Neem mijzelve. Donderdag heb ik met mijn muzikale vrienden nog danig lopen te rocken. Voor de pauze met Blind Vertrouwen (akoestisch, dus zonder rockgeweld, maar ook met rocknummers), na de pauze bij de reünie van Noodweer. Het was, ondanks de fouten en de zenuwen vooraf, een heerlijke avond.
Veel meer durf ik daar niet over te zeggen. Dat laat ik liever over aan Roland Vonk, die deze recensie postte: ‘Dat was een memorabele avond, gisteravond in Kantine Walhalla bij de cd-presentatie van het duo Blind Vertrouwen (de helft van Noodweer) en het mogelijk laatste reünie-concert van Noodweer, de Rotterdamse nederpop-trots van weleer. Fijne liedjes, verstaanbare teksten die ergens over gaan, goed geluid – niet te hard – en een geweldige sfeer in een uitverkochte zaal. Het was intiem, informeel, zeer relativerend en liefdevol.’
Zolang je niet achter een rollator loopt, kun je rock ’n rollen dat het een aard heeft.

Bob Frommé

Taalstukjes

Als Mark Rutte het over het zuiden van ons land wil hebben, in het Engels, zegt hij: “De saus of Holland.” Dat kwam hem op een reprimande van Arjen Lubach te staan. Die sprak van steenkolen-Engels. Dat is zo gek nog niet, maar toch ben ik het niet met hem eens. Iemand kan grammaticaal en idiomatisch perfect Engels spreken, maar dat met een vet Nederlands accent doen. Als de spreker rare fouten maakt en bijvoorbeeld Nederlandse woorden letterlijk vertaalt, terwijl een Engelssprekende daar niets van begrijpt, pas dan noem ik het steenkolen-Engels.
Chriet Titulaer sprak Engels met een zwaar aangezet Limburgs accent, maar aan zijn Engels mankeerde weinig. Ooit hoorde ik Bram van Splunteren, die enorm cool en hip Amerikaanse lulde met de Red Hot Chili Peppers, het volgende zeggen: “Did you saw that?” Al zagend en niets ziend gaf hij een voorbeeld van steenkolen-Engels. Maar dat was nog niets vergeleken met Ronald Koeman, die na een wedstrijd zijn team prees door te zeggen: “They did it for traffic.” Dat was voortreffelijk gesteenkoold.

Ik houd enorm van het Nederlands. En ik zeg het nog maar een keer: wij doen niet onder voor andere talen, terwijl de Nederlander denkt dat de Engelsen een veel geestiger taalgebruik hebben dan wij. Wij hebben allerlei uitdrukkingen die we zelf gewoon vinden, maar die, als ze Engels waren geweest, als heel bijzonder zouden worden gezien. Om tegen dat minderwaardigheidsgevoel een dam op te werpen, leg ik een almaar uitdijende verzameling aan van beeldende woorden, woorden die goed beschouwd treffende metaforen zijn, zoals deze:
Abc’tje
Aderlating
Bloedstollend
Brandschoon
Dijenkletser
Dood- (-moe, -eenvoudig, -leuk)
Door het stof gaan
Doorgedraaid
Een woud van benen
Het hoekje omgaan
Iemands bloed willen drinken
Katzwijm
Net goed
Olifantenpaadje
Ondermaanse
Opzouten
Paniekvoetbal 
Pantoffelheld
Pijpenla
Platzak
Praatziek
Rooskleurig 
Schijtlijster
Smeerpoets (Piet de)
Snikheet
Spekglad
Springlevend
Stoom afblazen
Vaarwel
Winkeldochter
Zakkenwasser

Ooit prees Martin van Waardenberg in plat Rotterdams het design van bouwmarktspullen aan: “Die zaain van de Gamma.” Geweldig vond ik dat. Ik ben zelf ook gek op zulke dubbele betekenissen. En als het even kan, gebruik ik die in liedteksten. Ik vermoed dat The Temptations ook zoiets deden in Papa was a rolling stone: All he left us was alone, wat ook kan worden opgevat als All he left us was a loan.
Voorbeelden van eigen makelij. Toen mijn moeder een eind aan haar leven had gemaakt, schreef ik maanden later een lied met de titel Moederschoot. Dat woord kwam meermalen voor in het refrein, maar werd aan het eind uitgebreid met ‘zichzelf dood’.
In een loflied op het fietsen is het refrein: ‘Malen, malen, malen met die benen/ Malen die pedalen, malen die pedalen/ Malen, malen, malen met die benen’. Aan het eind van het nummer krijgen ‘die pedalen’ een andere betekenis: ‘Malen, malen, malen met die benen/ We gaan door diepe dalen/ Maar wel de eindstreep halen/ Malen, malen, malen met die benen.’
En de smeekbede van een drinker ‘Geef me ’t’ (wat je uitspreekt als gemenut) kreeg een vervolg in ‘Want ik heb geen nut’. Taalplezier dat, naar je hoopt, nog een beetje nut heeft ook. En doe nu dat drankje maar.

Bob Frommé

Voetnoten

Heden heb ik zin in een potje borstkloppen. Mag het alsjeblieft? Allen: “Ja, dat mag, voor deze keer.” Wij van de band Noodweer reuniëren op 28 april in Walhalla, Rotterdam: een dubbelprogramma met de helft van Noodweer, Theo en ik, als het reëel bestaande akoestische duo Blind Vertrouwen. Door die reünie worden we met onze neuzen op dat Noodweer-repertoire gedrukt dat we al heel lang niet meer hebben gespeeld. Dat omvat natuurlijk veel meer dan de hit In de disco.
En dan moeten me twee dingen van het hart. We waren twee keer de eersten met iets, terwijl dat aan anderen wordt toegeschreven. Het is een luttele voetnoot in de Nederlandstalige popgeschiedenis, maar het moet een keer gezegd worden.
In 1982 kwam het nummer The message uit, van de Amerikaanse rapper Grandmaster Flash (youtube.com/watch?v=PobrSpMwKk4). Het ging over het mensonterende leven in de getto’s. Terugkerende regels: ‘Don’t push me cos’ I’m close to the edge/ I’m tryin’ not to loose my head huhuhuhuhuh/ It’s like a jungle sometimes, it makes me wonder/ How I keep from goin’ under.’ Ik vond het fantastisch. Het inspireerde me tot een tamelijk heftig rapnummer: Amsterdam (youtube.com/watch?v=UxT3BtUbHaM; we speelden het in 1984 in Sonja’s Goed Nieuws Show, waarbij de blik van Piet Römer in het publiek onbetaalbaar is).
Mijn vader, een geboren Amsterdammer, vond het maar niks. Dat was niet voor niets, ook al ging het niet over zijn Amsterdam, maar over het arrogante, zichzelf feliciterende, naar beroemdheid snakkende stuk Amsterdam, dat gemakshalve wordt aangeduid met de grachtengordel. Ik vond het wel leuk als in Amsterdam geboren Rotterdammer overdreven af te geven op die stad. Extra pikant: ik was columnist van Het Parool. Een redacteur zei me ooit dat er wel degelijk een kern van waarheid zat in die tekst. Citaat: ‘Zakkenvullers, laaienlichters graaien naar het geld/ Snel nog een pinaatje coladaatje besteld/ Goh, wat ben je mooi en wat zie je er goed uit/ Hoe het met je gaat, dat interesseert geen hond een fluit/ Zuipen, vreten, zwetsen met een cultureel gezicht/ Als een vriend zich doodspuit, heb je stof voor een gedicht/ Roddel, achterklap, ledigheid, haat en nijd/ Leef niet echt, krom is recht, jong zijn kent geen tijd/ Als je niemand bent, ga naar Amsterdam.’
Ons rapnummer ontstond in 1983 en verscheen een jaar later op de elpee Het water stijgt. Desalniettemin claimde de hiphopgroep Osdorp Posse dat zij de eerste Nederlandstalige rappers waren, eind jaren ’80 (hun eerste elpee verscheen in 1992). En die claim wordt algemeen erkend. Ten onrechte, weten we nu.
En dan was er het Nederlandstalige reggaenummer Stropdasreggae, dat in 1979 verscheen op de verzamelelpee Uitholling Overdwars. Dat was een Noodweer-nummer. Op diezelfde elpee stond een nummer van Doe Maar, op een soort discoritme. Zoals bekend werd Doe Maar de grootste Nederlandstalige band allertijden, met reggae. Zij worden vanzelfsprekend gezien als de grondleggers van die muziek in Nederland. Maar ja, dat Rotterdamse bandje was toch eerder. Het is een luttele voetnoot in de Nederlandstalige popgeschiedenis, maar het moet een keer gezegd worden.

Bob Frommé

Zelfhulp

Toen ik in 1973 een paar maanden in de Verenigde Staten was, stuitte ik op het fenomeen mannengroep. Mannenzelfhulp. Zoals bij meer nieuwigheden – McDonald’s, hippiecultuur, gezondheidscultus, zelfhulpboeken en dus ook die mannengroepen – ging Amerika ons vijf jaar voor.
Mannengroepen waren een reactie op de tweede feministische golf. De man deugde niet. Zelfhulp is niet de beste omschrijving van die beweging. Zelfkastijding komt meer in de buurt. De mannen kwamen bijeen om zichzelf opnieuw te definiëren als de mensensoort die het leed in de wereld veroorzaakte. Wie waren de onderdrukkers, de geweldplegers, de oorlogsvoerders? De mannen.
Een van de deelnemers aan zo’n groep haatte zijn geslacht (in beide betekenissen) zo zeer, dat hij serieus overwoog zich er – met een mes – van te ontdoen. Daar zat namelijk de oorzaak van alle ellende. Ik begreep de redenering, maar vond de oplossing toch wat ver gaan.
De zelfhulpcultus was groot in Amerika. Op mijn liftreis daar kwam ik in San Francisco in een soort boeddhistische groep terecht. Een vriendelijke man nodigde mij op straat uit om binnen te komen kijken. De voornaamste bezigheid was het chanten van de mantra ‘nam myo-ho renge kyo’. Het waren juist die mantraklanken die vibreerden met de kosmos.
Je hoefde alleen maar ‘nam myo-ho renge kyo’ uit te spreken, en dat vele malen, en het geluk zou je deelachtig worden. De mens had namelijk het geluk in eigen handen, de stelling in alle zelfhulpboeken. En die mantra zorgde voor enorme successen, lieten de deelnemers een voor een weten. Iemand had gechant voor een nieuwe baan en ze kreeg die nieuwe baan. Een ander had gechant voor succes in een loterij en hij bleek winnaar te zijn. Ook obstakels in de liefde en nare ziektes verdwenen als sneeuw voor de zon. Dit leek weer op de krankzinnige claim van het recentere Landmark Forum:  ‘Als u eenmaal kennis heeft gemaakt met deze nieuwe dimensie van mogelijkheden, heeft u toegang tot een methode om voortdurend doorbraken te verwezenlijken op ieder gebied van het leven.’
Om de zelfhulpindustrie beter te begrijpen, moet je AEX van de ziel. Hoe zelfhulpboeken de tijdgeest weerspiegelen van Maarten van den Heuvel lezen, een ijzersterke, op grondig onderzoek gebaseerde analyse van de zelfhulpboeken in de laatste decennia. Van den Heuvel oordeelt niet, hij beschrijft en ontrafelt.
Ik was namens Het Parool ooit bij een conferentie van reclamemakers. Op het podium van een grote, geheel gevulde zaal verscheen een drukke man van wie ik nog nooit had gehoord: Emile ‘Tsjakka!’ Ratelband. Mijn weerzin tegen deze schreeuwer was zo groot, dat ik ondanks mijn journalistieke opdracht en ondanks mijn gêne om als enige een volle zaal te verlaten, dat toch deed. Halverwege het gangpad maakte ik nog een wegwerpgebaar.
Dat doet Van den Heuvel niet. Die citeert af en toe Ratelband, alsof hij serieus te nemen is. Dat is de houding van een onderzoeker.  Ratelband was invloedrijk en nam in de zelfhulpindustrie wel degelijk een serieuze plek in. Het woord oplichterij komt in zijn boek niet voor.
Mijn eerste kennismaking met de door anderen aangereikte zelfhulp was de methode Coué. Die dateert niet van na de oorlog, maar van 1920. Hij komt ter sprake in De Avonden van G.K. van het Reve. Frits van Egters geeft ironisch advies aan zijn vriendin Bep, die lijdt aan een ernstige vorm van eczeem: “‘Waarom ga je nog niet naar een goede wonderdokter? Een bekwame handoplegger?” Hij sloeg zich op de dijbenen. “Werkwijze Koewee. Ik voel me goed. Ik voel me nog steeds goed. Ik voel me beter. O, wat voel ik me al beter. Ik ben alweer beter dan daarnet.’”
Dat is een constante in al die zelfhulpboeken, die in hun adviezen heel verschillend kunnen zijn, maar die gemeen hebben dat de mens zijn eigen lot kan bepalen, of het nu gaat om zelfontplooiing of het streven naar een succesvolle carrière.
Een van de ergste adviezen van zelfhulpboekenschrijvers gaat zo ver dat de mens zichzelf ziek, maar ook gezond kan denken. Louise Hay was daarvan overtuigd (You can heal your life, 1984). Zij schrijft, weet ik dankzij Maarten van den Heuvel, dat hersentumoren komen door je koppigheid en brandwonden doordat je ‘laaiend kwaad’ bent. Ziekte is dus eigenlijk je eigen schuld. Maar je kunt jezelf genezen. Hay genas van haar kanker onder andere door voor de spiegel te staan en te zeggen: “Louise, ik hou van je, ik hou echt van je.” (Zulke onzin inspireerde mij ooit tot de liedtekst Dokter! Zie onderaan.)
Nee, dan de ideeën die in de eerste naoorlogse jaren leefden. Het belangrijkste advies was toen je best doen en je plaats weten. Een kras voorbeeld stond in De Volkskrant van 1948. Fanny Blankers-Koen had op de Olympische Spelen overweldigend succes gehad, maar: ‘Zij gaat na de vakantie heus wel weer de sokken stoppen van Jan Blankers. Want zij weet dat er nog belangrijker dingen zijn dan vier gouden medailles.’
Toen bliezen de mensen nog niet hoog van de toren. De moderne zelfhulpboeken leren dat je dat wel moet doen, met titels als ‘Krijgen wat je wilt en willen wat je hebt’, ‘Dit wordt jouw jaar’ en ‘Grip’. De mensen doen maar.
Ik houd het op mijn devies van vorige week: zelf nadenken, zelf doen. Eigen hersens eerst.

Bob Frommé

Dokter!

Je bloed kan stromen en het stroomt god zij geloofd
Tot het stromen ophoudt door een bloedprop in je hoofd
Ach, kleine bloedprop, zeg me waarom zijt gij daar
Verlaat mijn schedel, breng een ander in gevaar

Dokter, ik ben de volgende patiënt. Ach, zie toch goedgunstig op mij neer. In mijn hoofd zit een kleine verstekeling. Ja, u wrijft zich in de handen, dokter, u kunt wel enige sympathie opbrengen voor zo’n kleine speling der natuur, maar ik word er door bezocht. Is er nog redding, dokter? Zeg het me en doe mij niet weg!

De dokter gaat mijn ziekte smoren in de kiem
Hij doet dat eigenhandig, zonder traumateam
Hij zegt: Het is uw eigen schuld, men is wat men gelooft
U haalt zich ongewenste dingen in uw hoofd

Natuurlijk! Ik haal me dingen in mijn hoofd. Nu ja, een klein ding, een bloedpropje. De aandoening van een tobber. Zo krijg je ook luizen omdat je je op je kop laat zitten en buikloop omdat je de greep op de dingen verliest. Gezonde geest, gezond lichaam! Vaarwel, mijn kleine bloedprop, tot nimmer weerziens, ik laat de geest waaien voortaan, eindelijk vrij!

Hersens

Mijn basketbalclubje – gemiddelde leeftijd dik in de zestig – zat na de training gezellig bijeen voor een koffiegesprek.  Het ging over iets waar we allemaal veel van hebben: vroeger. Wat er toen allemaal niet was en nu wel. Douchen? Hahaha. We moesten het doen met een lavet of een zinken teil, en als je daar niet meer in paste, wachtte het badhuis. Mijn moeder waste ooit nog met een wasbord (nu alleen nog een ritme-instrument). Daarna kwam de wasmachine met langzaam draaiende schoep, met daarboven de handgedreven wringer. Kleren droeg je toen veel langer dan nu.
Dat is allemaal sterk verbeterd. En daar bovenop fantastische nieuwigheden als de computer en de mobiele telefoon, waarvan menigeen eerst dacht die niet nodig te hebben. Ja hoor, en er dan niet meer buiten kunnen. We waren het er wel over eens dat sommige dingen overdreven zijn: praten tegen een lamp dat-ie moet dimmen, je voordeur vocaal openen of je magnetron op grote afstand bedienen.
Maar aan de vooruitgang kleven bij nader inzien toch nadelen, die ik toen niet te berde bracht. Ik noem er één. Iedere langdurig bedlegerige weet dat je spieren verslappen. Je gaat bijna door je hoeven, als je weer opstaat. Wat voor je spieren geldt, geldt ook voor je hersenen.
Ik heb heel lang geen agenda gehad. Ik onthield mijn afspraken. Kwestie van je concentreren en je de dingen inprenten. Menigmaal nam ik een schrijfopdracht aan waarbij een deadline hoorde. De opdrachtgever zag dat ik geen agenda tevoorschijn trok en zei: “Moet je dat niet opschrijven?” Ik: “Nee, ik onthoud dat.” Het werd met ongeloof begroet, maar dat moest die opdrachtgever weten. Ik onthield het en leverde alles ruim op tijd in.
Sinds ik op mijn smartphone een agenda bijhoud, vergeet ik mijn afspraken. Ik kom op het juiste tijdstip op de juiste locatie, maar dat dank ik aan mijn agenda. Ik kan er niet meer buiten. Mijn geheugen laat me in de steek, omdat het niet meer nodig is de dingen te onthouden.
De smartphone is iets geweldigs, net als google en de apps, maar de hersens worden er wel luier van. Waarom zou je nog hoofdrekenen, als je een rekenmachientje bij je hebt? Waarom zou je nog dingen willen weten en onthouden, als je ze meteen kunt opzoeken? Waarom zou je moeizaam op een kaart kijken, als je een app hebt die je op een fietstocht de weg wijst? Al die slimmigheden maken je dommer.
En je wordt er totaal afhankelijk van. Ik maakte een keer een lange fietstocht met een groep. Ik had op de kaart gekeken hoe je bij het dorp moest komen waar we collectief zouden vertrekken, maar het precieze adres vinden liet ik over aan een fiets-app. (Van Google Maps hadden we nog geen weet.)
Maar ja, de app weigerde dienst. We wisten vagelijk hoe we moesten rijden, maar vagelijk was niet genoeg. We reden rond als kippen zonder kop. Zelf proberen, dan de weg vragen, verkeerd rijden, weer de weg vragen et cetera. Door al dat gedoe reden we kilometers om en kwamen we bijna een half uur te laat. Ik heb daar een bloedhekel aan en moest in de tuin van de gastheer bijkomen van de woede. Ik haatte mijn eigen domheid en vermetele vertrouwen.
Mijn devies is daarom nog steeds: zelf nadenken, zelf doen. Eigen hersens eerst.

Bob Frommé

Verlezingen

Zeer onlangs sprak Joe Biden gedenkwaardige woorden. Hij verkondigde dat hij volledig achter ‘the Iranian people’ stond. Daar hoorden de Oekraniërs pijnlijk verrast van op. Het was niet de eerste en ook niet de laatste verspreking van Biden. Of moet je zeggen ‘verlezing’? (Hij doet zo’n toespraak echt niet uit het hoofd.)
Een heerlijke verlezing klonk tijdens de Golfoorlog in een Utrechtse snackbar. De radio stond aan op een piratenzender. De plat Utrechts sprekende nieuwslezer zei dat er weer een bomaanslag was geweest in Irak, ‘zokkum van Baasrôh’. Wat zei hij nou? Zokkum van Basra? Hoezo zokkum? Degene die me hierover vertelde, had opeens het licht gezien. De radiopiraat had een papiertje voor zich waarop ‘20km van Basra’ stond, en zij begreep dat hij die twee van 20 had aangezien voor een z en die nul voor een o. Zokkum.
Ik hoorde een ander sterk staaltje over een vakbondsleider op Aruba, die moeite had met de officiële taal, het Nederlands. De man las een keer een Nederlandse toespraak voor die door een ander geschreven was. Hij riep middenin zijn betoog krachtig: “Zoz!” Een uitroep die niemand nog kende, maar die werd opgevat als een strijdkreet, en begroet werd met gejuich en applaus. (De toespraak stond op een tweezijdig bedrukt papier, met onderaan pagina 1 de aanwijzing ZOZ).
Een van de onhandigste sprekers in de geschiedenis van de mensheid was zonder twijfel de jonge Bush. Die stond bekend om zijn lijzige woordenvloed, zijn versprekingen (verlezingen) en zijn blunders. Ze werden Bushisms genoemd. Een columnist van The New Republic omschreef Bush jr. als ‘een grote, onhandige golden retriever, die kwijlend van enthousiasme meubels omver gooit’.
Ziehier een voorbeeld van een oenige Bush-blunder. Rondlopend in Auschwitz kraamde hij uit: “Tjonge, ze waren wel groot in crematoria, hè?” En dan nu een voorbeeld van zijn eindeloze woordenstroom. Aan het eind van een persconferentie in 1991 zei hij woordelijk: “Ik moet nu hardlopen en me ontspannen. De dokter heeft me gezegd dat ik me moet ontspannen. De dokter heeft me gezegd dat ik me moet ontspannen. De dokter heeft het me gezegd. Hij was het. Hij zei: ontspannen.” (Trump is ook dol op zulke zielloze herhalingen.)
In die hele stortvloed van woorden waarop Bush het patent had, sprong er een blunderende verlezing uit. Tijdens een verkiezingsbijeenkomst in New Hampshire liet hij zijn struikelende toespraak voorafgaan door het zinnetje: “Message: I care.” (Boodschap: het gaat mij ter harte.) Het was een aantekening die niet voor zijn gehoor bestemd was.
Zo sprak de leider van de Westerse wereld. Op de vraag of dat geen probleem was, antwoordde hij: “Ik praat al jaren zo, dus ernstig kan het niet zijn.”
Intussen houden we ons hart vast als Joe Biden het woord neemt. Hij is misschien minder oenig dan Bush junior, maar in zijn versprekingen steekt hij hem naar de kroon.

Bob Frommé

Stukjes

Oekraïne en Rusland zitten aan de onderhandelingstafel. Dat is eigenlijk ongelooflijk, want hoe kun je onderhandelen als de ene partij een pistool tegen de slaap van de andere partij houdt? De onderliggende partij kan alleen maar toegeven, toegeven en nog eens toegeven, net zo lang tot de agressor het genoeg vindt. Of de trekker overhaalt.

Anekdotisch terzijde: ik ben slecht in onderhandelen, maar één onderhandeling op miniformaat bracht ik tot een goed einde. Het jaar was 1981 en ik was aangenomen als columnist bij Het Parool. Nu moest nog worden gesproken over de beloning en de naam van de rubriek. Belangrijkste gesprekspartner in café Leentje aan de Wibautstraat: Philip van Tijn, chef kunst van de krant. Ik had nog nooit onderhandeld over geld en deed een wilde gooi: tweehonderd gulden. Van Tijn: “Dat is wel mijn bovengrens.” Ik, onverwacht bijdehand: “Dat is dan afgesproken.” Van Tijn keek enigszins beduusd, maar had er niet van terug. Nu de naam nog. Wat ik niet wilde: een woordspelige naam. “Niet zoiets als dat radioprogramma Loco, een programma zonder motief.” Van Tijn: “Dank je, die naam heb ik bedacht.” Gelukkig was toen de geldkwestie al afgedaan. De naam werd overigens simpelweg FROMMÉ.

De oorlog of zoals de Russen zeggen ‘de speciale militaire operatie’ (verg. ‘politionele actie’) wordt verslagen door journalisten ter plaatse. De NOS heeft verslaggevers in onder meer Moskou, Lviv en Kiev. Dat is een groot goed. Hoe vaak komt het niet voor dat journalisten (correspondenten) enorme afstanden verwijderd zijn van de plaats waar het nieuwsgebeuren zich voltrekt. Ze bestrijken hele continenten. Nog niet zo lang geleden deed een NOS-correspondente verslag van de strijd tussen Afghaanse opstandelingen en de Taliban. Plaats van handeling: de Pansjirvallei. Dat deed ze vanaf haar standplaats New Dehli, op duizend kilometer afstand. Zo kan een correspondent in Zuid-Amerika vanuit standplaats Paramaribo zijn of haar licht laten schijnen over een aardbeving in het zuiden van Chili. Afstand: bijna zevenduizend kilometer. “We zitten er bovenop.”

Waarom vingers van de hand bij veel mensen een aaneengesloten geheel vormen. Mensen bij wie dat niet geval is, kunnen geen goochelaar worden. Het ziet er bijzonder uit: die vingerkootjes die precies in elkaar passen en nog geen straaltje licht doorlaten. Een goeie vriend had antwoorden proberen te vinden op de vraag waarom, maar was daar niet in geslaagd. Ten slotte kwamen we tot de conclusie dat het voordeel geeft als een mens water wil drinken. Dat kun je dan scheppen en hoef je niet als een hond of gnoe onbeschermd je kop te buigen. Je kunt om je heen blijven kijken.

Hoe een waarheid als een koe je toch kan treffen als een soort openbaring. K. Schippers schreef:
als je goed
om je heen kijkt
zie je dat alles
gekleurd is
Op het terras van uitspanning De Eekhoorn zag ik duiven en kauwen rondscharrelen, op zoek naar kruimels. Mij viel iets op:
als je goed
om je heen kijkt
zie je dat vogels
geen handen hebben

Bob Frommé

Troost

Is er nog troost in tijden van oorlog? Om den donder wel. Het moet je overkomen. Het overkwam me in lijn 25, op weg naar het Franciscus Gasthuis (echootje van het hart, dat – weet ik nu – goed uitpakte). Ergens op de Schieweg stapte een elegant uitziende, vrijwel witharige vrouw in, die voor mij op een tweezitter plaatsnam. Ze bleek een boek zich te hebben, een vrij dik boek dat niettemin een dichtbundel was, zag ik schuin over haar schouder. Iemand die in de tram gedichten zat te lezen!
Ik aarzelde, maar deed het toch: haar aanspreken. (Aarzeling, omdat een vrouw kan denken dat je bijbedoelingen hebt.) Ik zei: “Mag ik iets zeggen? Jij bent een bijzondere verschijning.” Meteen dacht ik: o jee, dat kan verkeerd worden opgevat, maar ik legde het uit. “Jij zit poëzie te lezen. Dat zie je anders nooit. Iedereen kijkt op z’n telefoon en niet in een boek, laat staan een dichtbundel. Wat lees je?”
Ze had zich half naar me toegekeerd en leek eerder prettig verbaasd dan ongerust. Ze toonde het boek: Kraai. Uit het leven en de liederen van de kraai van Ted Hughes. Wacht even, Ted Hughes, Ted Hughes. Dat was toch die dichter, de man van die schrijfster die zelfmoord had gepleegd? Hoe heette die ook alweer? Zij dacht met me mee en ineens wisten we het weer: Sylvia Plath, The Bell Jar.
“Is dat zo uniek dat iemand gedichten leest?” vroeg ze. “Lees jij gedichten?” “Zelden. Leo Vroman af en toe.” “Schrijf je ook zelf gedichten?” “Heb ik wel gedaan, maar vooral veel liedteksten. Ik heb ook wel poëzie vertaald. Funeral Blues van W.H. Auden, dat ook werd voorgedragen in Four Weddings and a Funeral.” Tijd om op te scheppen. “Dat deed ik als columnist van Het Parool. Het leuke was dat ik daar ontzettend veel reacties op heb gekregen: 69 om precies te zijn, allemaal vertalingen van datzelfde gedicht, ook in het Fries, ook in het Zuid-Afrikaans. We hebben daar zelfs een bundeltje van gemaakt in een oplage van tachtig of zo en dat opgestuurd naar de deelnemers. Alles handmatig ‘geraapt’ zoals vroeger met stencils.”
“Wat leuk. Dat rapen herken ik wel. En de lezers zullen dat hebben gewaardeerd.”
“Zeker. Maar nog even over die gedichten van Ted Hughes – zijn die mooi? Zijn ze persoonlijk, zoals Funeral Blues? Gaan ze over het verlies van zijn vrouw?”
“In elk geval niet direct. Het zijn wel indrukwekkende, hevige, geïnspireerde gedichten. Bitter en zwart. Op een bepaalde manier dus mooi.”
Ik wilde toch nog even terugkomen op hoe ik was begonnen. “Je zal misschien toch gedacht hebben: wat moet die man met z’n ‘Jij bent een bijzondere verschijning’.”
Ze schudde geruststellend van nee. Haar precieze gelaatsuitdrukking bleef verborgen achter een grote mondkap.
De tram naderde mijn bestemming en ik vroeg: “Ben jij toevallig ook op weg naar het Franciscus?”
“Nee, ik ga naar een tante in het verpleeghuis Wilgenborgh verderop.”
Toen ik uitstapte, zwaaiden we nog even. Troost in tijden van oorlog.

Bob Frommé

Om een schim van een idee te geven van Kraai doe ik hierbij een kort fragment. Het lijkt op de taal van Dylan Thomas in het levensomarmende Onder het Melkwoud, maar dan in het negatieve:

Kraai zag de kudde bergen, stomend in de ochtend.
En hij zag de zee
Donkergerugd, met heel de aarde in zijn lussen.
Hij zag de sterren, het zwart in dampend, zwammen van
het nietswoud, hun sporen maskerend, het virus van
God.
En hij rilde bij de gruwel van de Schepping.
In de hallucinaties van de gruwel
Zag hij die schoen, zonder zool, verregend,
Die op een heide lag.
(…)

De bom

Zestig jaar geleden was het 1962. (Ik beweer graag onomstotelijke dingen.) In dat jaar dreigde een kernoorlog. De Russen – zij weer – dreigden kernraketten te plaatsen op het communistische Cuba, ‘in de achtertuin’ van de VS. Het gevolg: de Cuba-crisis. Een directe confrontatie tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten dreigde en kon maar net worden afgewend.
Veertig jaar geleden was het 1982. Het jaar daarvoor had de tot dan toe grootste demonstratie op Nederlandse bodem plaatsgevonden, tegen de plaatsing van kruisraketten. Het was Koude Oorlog. De dreiging van een nieuwe wereldoorlog was weliswaar voelbaar, maar in feite niet groot. De VS en de SU hielden elkaar in evenwicht.
In 1962 was de angst wel groot, en nu, in 2022, wederom. Als je de wanhoop van de Oekraïners ziet en de dodelijke verwoestingen die de Russen aanrichten, is het bijna niet voor te stellen dat de Westerse landen niet ingrijpen. Dan heb je wel WO III, want Poetins hand gaat al langzaam naar de rode knop. De dreiging is nu net zo groot als in 1962. En dat had niemand kunnen voorzien.|
Terug naar 1982, het jaar van De bom van Doe Maar. (Een jaar later ging de zomerhit Vamos a la playa krankzinnig genoeg ook over het vallen van de bom, gezien vanaf het strand.) Doe Maar had een tamelijk omineuze tekst op een gezellig skadeuntje, waardoor je toch de indruk kreeg dat het niet zo’n vaart zou lopen met die oorlogsdreiging. Citaat:

Carrière maken (voordat de bom valt)
Werken aan m’n toekomst (voordat de bom valt)
Ik ren door m’n agenda (voordat de bom valt)
Veilig in het ziekenfonds (voordat de bom valt)

En als de bom valt
Dan lig ik in m’n nette pak
Diploma’s en m’n cheques op zak
Mijn polis en mijn woordenschat
Onder de flatgebouwen van de stad naast jou

[refrein]
Laat maar vallen dan
Het komt er toch wel van
Het geeft niet of je rent
’k Heb jou nooit gekend
Wil weten wie jij bent

Wisten de mannen er toch nog een liefdesdraadje doorheen te weven.
In datzelfde jaar had de Rotterdamse band Noodweer, waartoe ook steller dezes zich mocht rekenen, eveneens een oorlogslied: WO I II III. Citaat zonder liefdesdraadje:

Eerst had je ’14-’18 spektakel overal
Toen de Tweede Wereldoorlog sjonge jonge wat een knal
Gespreksstof voor eeuwen een daverend succes
We kunnen heel benieuwd zijn wat er nog komen zal

[refrein]
Eerst had je WO I en daarna kreeg je WO II
En als het meezit maak ik WO III persoonlijk mee
Maar ondertussen ga ik nog een dag naar zee zee zee

Het is bekend dat eb en vloed door de maan ontstaan
Maar als de bom in de zee valt zal dat wel even anders gaan
Als de bom in zee valt is de zee in een klap leeg
Kijk daar komt de zondvloed, doe je doe je badpak aan

[refrein]
Pour moi la vie va commencer
Pour moi la vie va commencer-cer-cer zee zee

De studiotechnicus die ons toen bijstond, had grote moeite met die tekst. Hij kon niet tegen het cynisme. Dat cynisme was toen acceptabel in onze ogen, omdat de dreiging niet acuut was. In de huidige, acute toestand zou ik hem gelijk hebben gegeven.

Bob Frommé

Het Mes

O ja, ik zou het bijna vergeten: ik kom dit jaar met mijn kop op de ruit. Oekraïne zat in de weg. Daar kan ik niets over zeggen, anders dan dat ik Poetin een lul vind en de Russische inval ‘ten scherpste veroordeel’. Weet de lezer dat ook weer.
Terug naar de televisieruit. Wat wil het geval? Het geval wil dat ik me heb opgegeven voor Het mes op tafel en dat ik moeiteloos door de test ben gekomen. Ben ik dan zo goed in quizzen? Als het gaat over Het mes durf ik daarop ja te zeggen. Maar dat is heel betrekkelijk. Ik heb een keer in Utrecht meegedaan aan een pubquiz die gemaakt was door dertigers. Ik bakte er niets van.
Nu die test. Daartoe moest ik mij vervoegen in Studio 5 op het Hilversumse Mediapark. Het was lang zoeken naar die studio, maar ik deed dat in het gezelschap van een oudere man (een categorie waartoe ik ook mezelf moet rekenen) die net als ik met de trein was gekomen. Hij kwam uit Voerendaal, een kleine plaats onder Heerlen, waar ik vanuit Kasteel Terworm vaak op de fiets doorheen ben gereden, op weg naar de heuvels. De man woonde op enkele honderden meters van dat hotel. Zoiets schept een band. Ik hoopte voor hem dat hij door de test zou komen na die ellenlange treinreis.
Toen we de grote, kale studio betraden en al die zorgvuldig gespreide tafeltjes met papier en pen zagen staan, riep ik: “Eindexamen!” Daar deed het verdomd veel aan denken, maar dan zonder de bijbehorende zenuwgierende spanning.
Van de 24 deelnemers was een kwart vrouw. Als je als echtgenote was meegegaan, werd je positief gediscrimineerd. Hoewel je je niet had opgegeven, mocht je toch aanschuiven. Meegereisde mannen kregen dat aanbod niet.
In stilte wachtten de 24 deelnemers op de eerste van de negentig vragen. Die luidde: ‘Wat is de hoofdstad van Chili?” O, God, dat weet ik, maar ik kan er niet op komen. Goddank was die blokkade net voor de tweede vraag opgeheven. Santiago, natuurlijk! Ik wist veel, maar lang niet alles.
Toen de voorleesman vroeg welke van de kleuren zwart, geel en rood van de Belgische vlag het verst verwijderd was van ‘de hijszijde’ (“U heeft dat woord nooit gehoord, maar u begrijpt wat het betekent”), gokte ik verkeerd. Moest rood zijn, bleek achteraf. Ik maakte nog wel een opmerking die niet meteen werd begrepen. Ik zei: “De hijszijde, dat is toch de kant van de bar waar de krukken staan?” De man begon de vraag nog een keer uit te leggen, voordat hij begreep dat het een grap was.
Toen de uitslag bekend werd gemaakt, bleek ik tot mijn geruststelling – toch een lichte onzekerheid – door te zijn. De man uit Voerendaal niet. Ik liep nog even naar hem toe om hem uit medeleven een goeie reis te wensen. Hij was er laconiek onder. “Ik ga nu naar Utrecht om met mijn vrouw, dochter en kleinkinderen gezellig uit eten te gaan. Ik vond het wel een ervaring.”
Ergens dit jaar kom ik dus aan die tafel met Herman van der Zandt te zitten (met mijn snuit op de televisieruit), als de wereldgeschiedenis dat tenminste toelaat.

Bob Frommé

Jaimee

Met spontaan ontzwabberd hart – hier dringt zich de vergelijking Zwitsers uurwerk op – deed ik mee aan het festival ‘Noorderdicht bij de bar’ in het Oude Noorden van Rotterdam. Allerlei dichters en muzikanten traden op in verschillende cafés. Duur van het optreden: een kwartier per keer. Theo van Duijl en ik speelden als het akoestische duo Blind Vertrouwen (zie de cd Wonder op Spotify), aangevuld of nee, versterkt door de hilarische verhalen die Roland Vonk voorlas. (Vonk is ‘de muzikale voddenman’ op Radio Rijnmond en is te herkennen aan zijn stem en zijn wenkbrauwen.)
De thema’s van Vonk sloten naadloos aan bij de onze: Ziekte, Rotterdam, Dood en God, wat zwarter en somberder lijkt dan het is. We hadden grote lol en – ik durf het bijna niet te zeggen – het publiek had dat ook. Het blijft heerlijk: die intense aandacht en dan overspoeld worden door applaus. Dat is toch iets heel anders dan in een café staan waar de clientèle nul aandacht voor je heeft en zich, om toch maar iets te beleven, verdringt bij de wc’s voor een snuif.
Zoals gezegd traden allerlei artiesten op, zodat we af en toe een staartje meekregen van hun optreden. Het staartje van spoken-word-dichter Jaimee Brown – ik had nog nooit van haar gehoord – maakte al indruk in café Faas: zo op het oog een meisje nog, een gevoelige, frêle verschijning, die even kwetsbaar als sterk naar voren trad. Maar toen ik in café Jacob Cats haar gedichten in hun geheel hoorde, gebracht in die zangerige spoken-word-stijl, had dat een overweldigend effect. Ik vond het prachtig, het mooiste dat ik die middag had gezien.
Ik aarzel nu. Ik wil haar citeren, maar daar doe ik haar maar gedeeltelijk recht mee. Je moet het haar zien doen. En dan wil ik ook nog een fragment citeren uit haar gedichten van aanzienlijke lengte. Hier volgt een deel van Rugdekking, een lyrische poging om een naaste op te beuren met aanmoedigingen op deels bijbelse grondslag. Jaimee omhelst het geloof. Ik ben diep ongelovig, maar dat maakte kennelijk niets uit.

Uit Rugdekking:

‘Dit is bescherming, compromissen en het kruisigen van ego
Dit is zeven maal zeventig
Kostte me zeven jaar om geen zwaard meer boven je hoofd te hangen
En nu
Nu bevecht ik mijn Damocles met blote handen
Omdat de wonden gemaakt in liefde het tonen waard zijn
Dit is van day one verrrrr na openbaring
Dit is weten wat zijn wil is en het claimen
Dit is ’s nachts gewekt worden als Samuel
En hoe onwaarschijnlijk ook, trouw spreken van de visie als Daniël
Dit is je handen hoog houden als het vermoeiend is
Noem mij
Noem mij dan maar Aäron
Dit is onvoorwaardelijk
Dit is onmetelijk
Dit is weten wie de Vader is en hem dagelijks om zijn hand vragen
En gehavend doorhameren
Dit is een schuilplaats
Dit is onnatuurlijk van boven
Dit is
Broer, ik heb je’

Ik moest denken aan Amanda Gorman die een fraaie performance weggaf bij de inauguratie van Joe Biden. Jaimee Brown had ook een mooie performance. Alleen was haar tekst origineler, verrassender en minder clichématig dan die van Gorman. Ik vond Jaimee een stuk beter en dat heb ik haar ook gezegd.

Bob Frommé

Medische makke

Deel zoveel van de medische memoires van Bob ‘Ik heb nergens nooit geen last van’ Frommé, waarin de patiënt achtereenvolgens onwetend is, treurig, blij, treurig, blij, nog veel blijer, treurig, blij en nog steeds blij. Welgeteld een achtbaan. Dat kan ik uitleggen.
Dinsdag 11.00 uur. Ik voel me snel vermoeid en controleer mijn hartslag. Die is raar hoog: 140. Vijf jaar geleden kreeg ik mijn laatste cardioversie (elektrische kaboem, waardoor de zwabberende boezem – atriumfibrillatie – weer in het gareel schiet). Zou ik nu weer zwabberen? Jazeker. De eerste ‘treurig’.
Dinsdag 11.30 uur. Ik bel het ziekenhuis, afdeling cardiologie . Eerstvolgende mogelijke afspraak is op 1 april. Daar hebben we niets aan. Ik bel de huisarts. Kan die middag meteen komen. Daar belt hij mijn cardioloog Nierop. Hier wordt danig doorgepakt. Ik kan reeds de volgende dag een kaboem krijgen. Blij.
Woensdag 13.00 uur. Er is bloed geprikt en dat vertoont een iets te hoge waarde kalium. Schijnt slecht te zijn voor een cardioversie. Mogelijk zelfs leidend tot een hartstilstand. Het gaat dus waarschijnlijk niet door. Treurig.
Woensdag 14.00 uur. Na cardiologisch overleg krijg ik te horen dat de kaboem toch doorgaat. Blij.
Woensdag 15.00 uur. Kaboem is gelukt. Nog veel blijer. Net als vijf jaar geleden zing ik na het roesje het toepasselijke couplet van ons Blind Vertrouwen-nummer Een wonder dat je leeft: ‘Ah, slagadervervetting, gebrek aan oestrogeen/ Boezemfibrillatie, in elke nier een steen/ Trage spijsvertering, te snelle hartenklop/ Gerommel in je darmen, de kolder in je kop/ Houdt het dan nooit op?// Het is een wonder dat je leeft.’
Voor de zekerheid houden ze me nog wel voor een nachtje ter observatie. Daartoe lig ik – wat klinkt dat heerlijk dramatisch – op de hartbewaking. Zoals zo vaak ook hier fijn personeel. In het donker vanaf de achtste verdieping een schitterend uitzicht op Rotterdam en zijn verlichte skyline.
Donderdag 07.00 uur. Zuster Kelly maakt me wakker. Ze heeft ‘een vervelende mededeling’: mijn hart is stiekem weer gaan zwabberen. Ben een minuut sprakeloos. Wat nu? Een nieuwe cardioversie heeft geen zin. Dan maar een hogere dosis van zeker medicijn (Amiodaron) om mijn hart te ‘marineren’ en zo gereed te maken voor een volgende cardioversie over een maand. Ik mag naar huis. Ik moet zondag optreden, maar dat gaat zeer waarschijnlijk niet door nu. Treurig.
Donderdag 19.00 uur. Ik houd op de iWatch die ik van mijn vrouw heb gekregen, de tussenstanden bij. Ik zie dat mijn hartslag niet alleen gunstig laag is (68), maar ook regelmatig. Ik ben spontaan geconverteerd! Klein wonder. Blij of liever nog: opgetogen.
Vrijdag 08.30 uur. Ik heb het midden in de nacht gezien, maar het blijkt ’s morgens ook nog zo te zijn: geen trilstand, maar een regelmatig kloppend hart. Ik bel de hartbewaking en vertel zuster Alice het goede nieuws. Nog steeds blij.
Vrijdag 11.00 uur. Ik heb zin hierover een stukje te schrijven. Heb ik zojuist gedaan.

Bob Frommé

Poëzieweek

Laat ik verdorie bijna de afgelopen poëzieweek door mijn vingers glippen. Ik ben immers ook een dichtah. Bij Het Parool schreef ik al jaarlijks een sonnetje op het thema van de poëzieweek. Dat verscheen dan – klaroengeschal – linksboven op de voorpagina, waar ik anders nooit stond. Natuur is het thema van dit jaar. Lekker ruim bemeten weer. Ik wacht op thema’s als de mens of de wereld of het heelal.
Hier komt het sonnetje van heden.

Poëzieweekthemaoverleg

Daar zat het poëziebestuur
Met beide handen in het haar
Geef ons toch een thema dit jaar
Anders zijn we met ons allen zuur

Misschien de hippische dressuur
Dan wel de geur van een boudoir
Anders de stank van een pissoir
Of toch de cirkelkwadratuur

Altijd goed: de mens als creatuur
Al is ook de wereld wonderbaar
Daar is een dichter nooit mee klaar
Of wordt het kunst en literatuur?

Nee, we gaan voor echt, voor puur
Weet je wat? We doen gewoon natuur


Bob Frommé

Kleine luitjes

Ik hoorde er van op. Mensen die klein van stuk zijn worden gediscrimineerd. Er zijn (Amerikaanse) stemmen die liever niet spreken van ‘klein’, maar van ‘verticaal uitgedaagd’. En verdomd, het is onderzocht dat klein zijn een nadeel is. Dat las ik in de column van Volkskrant-journalist Peter de Waard, in het economie-katern (dat ik vrijwel niet lees op de stukjes van De Waard na). Je hebt dus niet alleen dingen als rassendiscriminatie, geslachtsdiscriminatie en leeftijdsdiscriminatie, maar ook lengtediscriminatie.
Ik heb mazzel met mijn 1m.86. Volgens een Australisch onderzoek stijgt met elke vijf centimeter lengte het salaris met 1,5 procent. Dat wil dus zeggen dat ik bij een jaarsalaris van 40.000 euro 1.200 meer verdien dan iemand van 1m.76. Is toch honderd euro per maand meer. Als je geen basketballer bent, is dat niet uit te leggen. Als stukken- en stukjesschrijver had ik bij het tikken geen enkel voordeel van mijn lengte. En toch dat verschil.
Toen Randy Newman in 1977 het lied Short people uitbracht, weigerden sommige radiostations dat te draaien wegens discriminatie van de kleine medemens. Dat bezwaar zou nu nog veel luider klinken. Als je de tekst letterlijk neemt, is dat begrijpelijk. Newman wil niks met die kleine luitjes te maken hebben, omdat ze nare piepstemmetjes hebben en akelige voetjes op hun plateauzolen. Hun geestjes vol grote leugens zijn klein en viezig, en je moet ze optillen om hallo te zeggen. Weg met die kleintjes!
Newman is hier een schoolvoorbeeld van wat in schrijverskringen ‘een onbetrouwbare verteller’ heet.  Hij voert, op een grappige manier, iemand op die niet deugt, net zoals Raymond van het Groenewoud dat, ook grappend, deed in zijn lied Italianen (‘Vertrouw geen Italianen, ze stelen uit je wagen/ In liegen zijn ze eerste prijs’) en steller dezes, serieuzer, in Alles voor het geld, over een geldhaai (‘Ik wil heel veel verdienen/ Daar doe ik alles voor/ Al wordt uw leven een ruïne/ En heeft u het al tijden door/ Dat u vreselijk wordt bedrogen/ Maar daar was u zelf toch bij?/ Ik zie het aan met droge ogen/ Want de schuld, de schuld ligt niet bij mij’).
Het lijkt erop dat Newman de bui voelde hangen of de A&R-manager van zijn platenmaatschappij heeft druk op hem uitgeoefend, omdat díe de bui voelde hangen. Newman voerde een tussenstukje in (de brug) waarin hij verklaart dat kleine mensen net zo zijn als wij en dat alle mensen broeders zijn. Daar slaat hij dus een totaal andere toon aan dan in de rest van het lied. Ik ben dol op Randy Newman, maar die stijlbreuk heb ik altijd zwak gevonden.
Ik moet wel zeggen dat ik toen geen idee had van lengtediscriminatie. Die bestaat. Net als het onbegrip voor de ironie van een onbetrouwbare verteller.

Bob Frommé

#MijOok

Personen die andere personen ongewenst betasten, zijn in bijna alle gevallen personen van het mannelijk geslacht. The Voice of Holland is het zoveelste bewijs. Vrouwen doen zulke dingen niet. Of bijna niet. Maar ook zij zitten niet stil. Ik ben op de dansvloer wel eens onverhoeds gezoend door een vrouw die ik nog maar net had leren kennen, maar dat was niet ongewenst, sloerie die ik ben.
Ik ben wel ongewenst betast, tweemaal, maar dan wel door mannen, die overigens minder erg waren dan Ali en Marco B. Nog een geluk, want ik was een katholiek jongetje, een misdienaar ook, en een verkennertje. Het misbruik in die kring heb ik alleen van horen fluisteren.
De eerste ongewenste betasting kwam van een liftgever, een Franse vrachtwagenchauffeur. Ik mocht in zijn cabine slapen. Ik lag met mijn rug naar hem toe, toen ik zijn hand voelde. Hij kriebelde onder mijn shirt, waarop ik zei dat ik dat niet wilde. “Ik hou van vrouwen én mannen,” zei hij. “Jij toch ook?” “Nee,” zei ik, “alleen van vrouwen.” Hij begon me weer te strelen. “Ah, wil je het ook niet proberen?” “Nee,” zei ik ferm. “Absolument pas.” De chauffeur zuchtte en liet me tot mijn intense opluchting met rust.
De tweede keer gebeurde het in New York. Ik was als 23-jarige een maand of twee op bezoek bij mijn vriend Arthur, die in Philadelphia woonde. We gingen een dagje naar New York. Ik was zo onder de indruk van die stad, dat ik er langer wilde blijven dan die ene dag. Arthur moest terug, maar ik bleef, vrijwel zonder geld. Ik at voor het eerst van mijn leven een hamburger en hing rond in het legendarische Greenwich Village en keek naar de schakende mannen op Washington Square. De sfeer daar was zo ontspannen, dat ik in het park wilde slapen.
Dat werd me afgeraden door mensen van het Leger des Heils, die me een slaapplaats aanboden. Die eerste nacht bracht ik door in een soort meubelopslag, in een fauteuil. Op de tweede dag kwam ik op Washinghton Square een Duitse jongen tegen, die wel een slaapplaats voor me wist. Hij had een logeeradres in Brooklyn. De Amerikaan die daar woonde, bleek een enorme kerel te zijn met het lichaam van een bodybuilder. Daar was hij trots op. Hij liet met een triomfantelijke blik zien hoe hij met slechts één vinger een schuifraam wist te openen.
Later die avond liet hij me zijn rood verlichte slaapkamer zien. Ik moest naast hem op het bed komen zitten. Hij zei dat hij me gorgeous vond en pakte met een speels gebaar een pluchen nijlpaard. Met een lief, hoog stemmetje – “Hippo likes you” – liet hij dat speelgoedbeest over mijn borst lopen en streelde hij mijn rug. Ik zei dat ik erge slaap had en stond op om naar een matras in de huiskamer te gaan. Tot mijn intense opluchting – alweer – hield hij me niet tegen.
De volgende morgen bezwoer hij me dat ik moest blijven. Hij zou me, als hij terug was van zijn werk, de stad laten zien. Ik deed die dag wat ik al van plan was: met de bus terug naar Arthur in Philly (het geld was op, ik had alleen nog de dollars voor de terugreis in mijn schoen). Ik was ontsnapt.

Bob Frommé

Stukjes

Mart Smeets verdient nog een nahik. Veel reacties gehad op het stukje van vorige week. Allemaal medestanders, mannen en vrouwen, die het hunne denken van Mart Smeets. Iemand schreef dat hij Haarlem een leuke stad vindt. ‘Daar komt ook de grote Godfried Bomans vandaan. Er is echter een groot nadeel aan die stad verbonden: Mart Smeets komt er vandaan.’
Een Nederlands-Schotse lezer noemde hem een ‘fucking wanker, met z’n enorme kritiek op z’n medeverslaggevers’. En Kick van der Veer wees me op het al oudere anti-Smeets-lied MS van Pieter Nieuwint. Die zong aan het eind, nadat hij meermalen zijn hekel aan Mart Smeets had laten horen, dat hij een folder in de bus had gekregen met de tekst ‘Help MS de wereld uit’. Hij hoopte dat zijn lied daar een bijdrage aan had geleverd.
In dat koor van Smeets-versmaders klonk één andere stem: ‘Sorry mannen, ik kan de Mart prima hebben…’ Erg leuk, zo’n tegengeluid, maar ik wil toch nog even wijzen op een zinnetje uit dat Varagids-interview dat ik vorige keer heb laten liggen. Smeets: “Ik loop de 100 meter niet meer in 11 seconden, kan ik je mededelen.” Niet iedereen zal dat meevoelen, maar van zo’n zinnetje – en dan vooral het tweede gedeelte – word ik gek. Het zijn twee enorme clichés aaneengeregen, maar gebracht als een superieur staaltje ironie en zelfspot. Ik zie daar dat zelfvoldane hoofd bij.

Ik hoorde van de week dat door het liedje Zoutelande van Bløf het toerisme in Zoutelande flink is toegenomen. In de tekst wordt over Zoutelande eigenlijk alleen maar gezegd dat het een strand heeft en Zoutelande heet. Zo gaan Chinezen en Italianen naar Giethoorn, omdat dat nietige plaatsje ‘het Venetië van het Noorden’ wordt genoemd.
Radioman Jan Donkers, die net als ik Little Feat-fan is, liet zich ooit inspireren door de tekst van Willin’. Daar komen nogal wat plaatsnamen in voor. (Amerikaanse tekstschrijvers hebben een streepje voor. Van Denver naar de oceanen reizen klinkt toch beter dan van Apeldoorn naar de Noordzee.) Lowell George zingt: ‘And I’ve been from Tucson tot Tucumcari, Tehachapi to Tonopah.’ Het ligt voor de hand dat alliteratie een belangrijk motief is voor die opsomming. Maar Donkers was kennelijk zo gegrepen door de romantiek van die exotische Amerikaanse plaatsnamen, dat hij, op reis in de VS, besloot bij alle vier langs te gaan. Dat werd – vanzelfsprekend – een grote teleurstelling. Dan denk ik toch dat Zoutelande het beter doet.

Op het terras van uitspanning De Eekhoorn in het Kralingse Bos zat, niet ver van een verliefd oud stel, een protestants bebrilde man. Hij was alleen. Hij had grijs haar met links een scheiding van waaruit de schaarse lokken over de kalende schedel waren gekamd. Hij had zich, met een patatje en een slaatje, moeizaam neergezet aan een picknicktafel. Wat je nooit meer ziet en vergeten bent dat het kan bestaan: hij vouwde zijn handen voor een stil gebed. Ik las lip dat hij eindigde met Amen. (Deed me denken aan de Israëlische prachtserie Shtisel, waarin de orthodoxe pater familias voortdurend zit te eten, altijd voorafgegaan door gebed.) Ik had het roerende tafereel met verbazing gadegeslagen en wilde de bidder smakelijk eten wensen, maar hij zat te ver weg.

Bob Frommé

Mart 75

Morgen, lieve kijkbuisvrienden, morgen is een grote dag. Morgen is Mart Smeets jarig. Hij wordt 75! Wegens die unieke prestatie staat zijn hoofd op het voorplat van de Varagids. Binnenin wordt hij geïnterviewd, achttien pagina’s lang. Veel foto’s, maar nog veel meer tekst zodat de man in heel zijn glorie op je afkomt.
Iedereen kent Mart Smeets. (Op een vriend na die – gekke vent – niet van sport houdt en nauwelijks tv kijkt.) En Smeets is nog steeds in beeld, in talkshows. Daar zit hij onuitstaanbaar te wezen, ook als hij niets zegt. Dan is hij, door de manier waarop hij zit, de manier waarop hij uit zijn ogen kijkt, een altijd licht geïrriteerde, pompeuze man, die zo overtuigd is van zijn eigen superioriteit, dat hij niemand anders serieus hoeft te nemen. Iedereen moet blij zijn dat hij daar zit, want hij heeft natuurlijk veel leukere en belangrijkere dingen te doen dan naar het gesnater van anderen te luisteren.
Hij vindt zichzelf bescheiden, een van de grappigste uitspraken in dat mega-interview in de Varagids. “Mij werd altijd gezegd: niet jezelf op de voorgrond plaatsen. En bescheidenheid begint bij enige rust.” Volgens eigen zeggen zou hij nooit een sportman vlak na een wedstrijd opdringerig benaderen. Is-ie veel te bescheiden voor. “Weg met die camera in ’s mans huig.” Maar we herinneren ons de overwinning van Gerrie Knetemann in de Amstel Gold Race, toen Knetemann na de streep in huilen uitbarstte (hij kwam uit een lange revalidatie). Wie duwde hem onmiddellijk na de race een microfoon onder zijn neus? Mart zelf.
Wat hij ook zei in de gids: bij een shot van een weids landschap hoef je helemaal niks te zeggen. Iedereen kletst er maar op los tegenwoordig, ook als er niks gebeurt. Toen de Ronde van Spanje door de Sierra Nevada ging, meende Smeets het landschap van de spaghettiwesterns te herkennen. Hij zweeg dus niet. Hij zei verder dat hij Clint Eastwood op een zwart paard zag zitten en barstte van genoegen om de originaliteit van zijn eigen geestesoog. Even later: “Eastwood, waar ben je? Toch?”
Dat woordje ‘toch’ is helemaal Smeets, net als het woordje ‘ja’, ook met een vraagteken. Ooit zei hij over het jaarinkomen van Alberto Contador: “Tweeënhalf miljoen! Tweeënhalf miljoen! Zo zit het in elkaar. Zo zit het in elkaar. Ja?”
Nee, hij was wel degelijk kritisch over topsporters. Behalve dan bij dopekampioen Lance Armstrong. De interviewster confronteerde hem daarmee. Smeets verweerde zich op hoge toon en veegde aldus zijn straatje schoon: “Noem mij één journalist die ‘alles wist’ en ermee naar buiten kwam? Die is er niet.” Wat dachten we van de Ierse journalist David Walsh, die de dopingaffaire aan het licht bracht en daardoor een paria werd in de wielerkaravaan?
Natuurlijk kon Smeets goed improviseren. Zie zijn necrologie van Gerrie Knetemann, die hij voor de vuist weg hield vanuit een platenzaak in de VS. Dat was een professioneel hoogtepunt.
Zijn monumentaal zelfverliefde hoogtepunt heb ik al eens beschreven: hij zat in het programma Vijf jaar later en Jeroen Pauw liet beelden zien van het gesprek dat die twee vijf jaar eerder hadden gehad. “Wat zie je?” vroeg Pauw. Smeets legde zijn wijsvinger tegen zijn onderlip en zei bedachtzaam: “Een beetje dikke man die gek doet.” Hier liet hij een pauze vallen. Toen zei hij in alle bescheidenheid: “Zelfkritiek…”
Daar moet je Mart Smeets voor zijn.

Bob Frommé

Dank u, dokter!

Tijdens de kerstkneut, toen een vriendin met een blindedarmontsteking in het ziekenhuis kwam te liggen, moest ik denken aan de blindedarmontsteking die mij lang geleden ten deel viel. Ik moest, in verontwaardiging, vooral denken aan wat voorafging aan de diagnose. Dat had aanleiding kunnen zijn voor een klacht bij de Medische Tuchtraad. In de juridische wereld zou je hebben gesproken van klassejustitie. De medische wereld heeft daar geen woord voor. Klassezorg klinkt toch heel anders.
Ik was met mijn toenmalige vrouw ruim een week in een klein dorp in Anatolië, op bezoek bij familie van een Turks gezin dat bij ons om de hoek woonde. Een jaar eerder waren we ook al in dat dorp geweest, met onstuitbare buikloop tot gevolg. Ik at mee met wat de pot schafte en daar konden mijn ingewanden niet tegen. Dit keer had ik pillen bij me die de buikloop zouden tegenhouden. Die hielpen, maar ik kreeg wel last. Het was alsof een band strak om mijn middel zat gespannen. Ik voelde een pijnscheut bij elk opstapje dat ik maakte. Dat was nogal komisch, omdat ik het al had bij een lage stoeprand.
Ik had ook een afkeer van voedsel, wat niet zo goed uitkwam toen we in de bergen getrakteerd werden op stukken van een schaap dat onderweg ter onzer ere was aangeschaft. Ik kon geen hap door mijn keel krijgen. Ik kon alleen maar doen alsof.
Terug in Nederland bleek ik een acute blindedarmontsteking te hebben. Een arts in het ziekenhuis zei, naar aanleiding van de constiperende pillen die ik had geslikt: “Uw lichaam wilde van de rotzooi af, maar u heeft de kat ingemetseld.” (Hij verwees hiermee naar het gruwelverhaal The black cat van Edgar Allen Poe.)
Tegen deze arts had ik geen enkel bezwaar, wel tegen een vervangende huisarts bij wie ik in Nederland op spreekuur was geweest. Van hem kreeg ik een verwijzing om bloed te laten afnemen. De uitslag van het laboratorium zou ik snel te horen krijgen. Na een paar dagen stilte belde ik zelf maar. Het was op een vrijdag. De assistente zei dat de uitslag binnen was en dat de dokter die bekeken had. Ik hoefde me geen zorgen te maken. Maandag, als ik op het spreekuur kwam, zou meer uitleg volgen.
Ik stelde voor de zekerheid de vraag in hoeverre ik me rustig moest houden. Of het schadelijk was als ik me zou inspannen en in het weekend zou werken. Ik was namelijk journalist en moest een stuk schrijven. (Ik zou voor Elsevier een verhaal maken over mijn verblijf in Turkije, waar ons buurmeisje Selma tegen haar zin zou worden uitgehuwelijkt aan een neef uit dat dorp.) De assistente stelde me gerust. Als ik me lichamelijk maar niet zou inspannen.
Een half uur later werd ik teruggebeld. De assistente meldde met klem dat ik er ernstig aan toe was en onmiddellijk per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd moest worden. Dokter had kennelijk nu pas goed naar de laboratoriumuitslag gekeken. Maar waarom had hij dat gedaan? De reden moest zijn dat hij in actie was gekomen, omdat hij had gehoord dat ik journalist was. Slechte publiciteit dreigde en daardoor was mijn belangrijkheid met een enorme sprong gestegen.
Het was, vond ik achteraf, misschien wel een – zij het lastig te bewijzen – zaak voor de Medische Tuchtraad. Eerst die nalatigheid en daarna die voorkeursbehandeling – het maakt me nog steeds kwaad.

Bob Frommé

Dubbeldik kerstnummer!

‘Mutti’ Angela Merkel heeft afscheid genomen. Waarvan is dat het einde? Van een tijdperk. Maar eerst dit: een collega/vriend hield een toespraak toen ik afscheid nam van Het Parool. Hij begon zo: “Als hij sprak, werd er geluisterd. Zijn lach zette de donkerste ruimten in een stralend licht. Zijn humeur was altijd goed. En iedereen hield van hem… Maar we zijn hier niet bijeengekomen om het over Nelson Mandela te hebben.”
Dit inspireerde anderen een speech ook zo te beginnen, want eigenlijk was dit de Universele Opening. Maar een van die anderen had een probleem: hij moest zijn toespraak houden voor een vrouw. Wie kon in vredesnaam op de plek van Mandela komen? De keuze viel, na lang nadenken, op Angela Merkel. En dat is zo gek nog niet.
Angela is minder iconisch, minder ‘heilig’ dan Nelson, maar ook zij was alom geliefd en gerespecteerd. Vandaar dat liefkozende Mutti. Maar opinievrouwen op de radio hadden daar laatst bezwaar tegen. De term Mutti zou denigrerend zijn en vrouwonvriendelijk. Zij waren vergeten of wisten niet dat wij hier ‘vadertje Drees’ hadden.


Het is inmiddels doodgewoon dat presentatoren en stukkenschrijvers uitgebreid citeren wat willekeurige mensen op Twitter hebben geschreven. Het wordt, geloof ik, gezien als een soort volksraadpleging. Ik heb dat altijd idioot gevonden. Als ik op een zomeravond op mijn balkon sta en ik vang toevallig op wat een buurman te zeggen heeft over een bepaald televisieprogramma, zou ik het niet in mijn hoofd halen hem te citeren in een tv-recensie. En toch worden de tweets van virtuele buurmannen met grote ijver verspreid.


Een huiselijk probleem waar menigeen over klaagt: de partner snurkt. Daarvoor zijn veel verschillende oplossingen. Stem uit het publiek: “Kussen op het gezicht en stevig aanduwen!” Nee, zo zijn we niet getrouwd. Zachtjes aanraken, waardoor het snurken ophoudt zonder de slaap te verstoren is een mooie. Elders in het pand slapen kan ook. Of je zorgt dat er niet wordt geslapen door hem/haar de hele nacht te overladen met kussen en andere liefkozingen. Ik heb het geluk dat ik wegens de voorbije ziekte van Menière aan één kant vrijwel doof ben. Dus op het goeie oor gaan liggen helpt ook. Maar laatst ontdekte ik nog een manier. Mijn vrouw snurkte, zoals ze heel af en toe doet. Ik besefte dat ze dat deed, maar nam daarna haar geluid op in een droom. Wat ik hoorde, was een Amerikaanse soldaat, die zwaargewond uit Afghanistan was teruggekeerd en alleen nog maar onverstaanbare klanken kon uitbrengen. Nare droom, positief effect. Ik sliep.


De kerstkneut nadert en daar horen gepaste liederen bij. Ik heb er zelf eentje gemaakt met de devote titel Twee ballen en een piek. Alvast, ondanks alles, een zalige kerst gewenst!

Maria heeft een kindje gebaard
Wij staan rond de kribbe geschaard
Engelen zingen ontroerende dingen
We raken nu echt van de kaart

Jij staat daar met je engelenhaar
We hebben de boom en elkaar
Karrevrachten kerstgedachten
’t Is de mooiste tijd van het jaar

Twee ballen en een piek
En hemelse muziek
Dit kerstfeest wordt uniek
Hoor, hoor, een engelenkoor
Wat komt dat toch helder door

Jezus heeft de mensheid gered
En alle bevlekte zielen ontsmet
Amen, de redding zijn wij samen
Kom mee naar ons hemelbed

Twee ballen en een piek
En hemelse muziek
Dit kerstfeest wordt uniek
Hoor, hoor, een engelenkoor
Wat komt dat toch helder door


Je kunt ook een klassiek kerstlied bewerken. Hebben we ooit gedaan voor de kerstbomencompetitie op de redactie van Het Parool. De jury, bestaande uit dames van de kantine (‘krantine’), waardeerde allicht de driestemmigheid van ons koor, maar de tekst viel in minder goede aarde. Een van onze zangers hield er zelfs een blauwe plek aan over, doordat een van de juryleden hem in haar verontwaardiging iets te stevig beetpakte. Sindsdien weet ik dat je het niet bij alle gelegenheden kunt zingen. Dit is de tekst (wij zongen twee oorspronkelijke coupletten):

Nu syt wellecome, Jesu lieven Heer
Gij komt van also hooge, van also veer
Nu syt wellecome van de hooghen hemel neer
Hier al in dit aertrijck syt ghij ghesien nooit meer
Kyrieleis


Niemand kon nog weten, hoe het verder ging
Of Jezus jong zou sterven aan longtering
Of een andere ziekte die gewoon was in die tijd
Syfilis of pokken of toch de slingerschijt?
Nee, ’t werd het kruis


We blijven, taalkundig gesproken, muggen ziften, mieren neuken en diverse pieten lutten. Nog een keer over de apostrof. Ik vind het jammer dat die is verdwenen bij zinnetjes als Dat heeft wel iets logisch. Achter logisch moet eigenlijk een apostrof staan, maar die zie je nergens meer. Die komt in de plaats van de s, die je wel schrijft bij iets moois. Dan kun je ook onderscheid maken tussen iets mals’ eten (een sappig stukje vlees) en iets mals eten (gebakken schoenzool). Zonder apostrof valt ook het verschil tussen groot en groots weg. Ik geef toe, brand is erger.


Toen ik las dat Ed. van Thijn was overleden, was ik weer even terug in het clubhuis van de Amsterdamse roeivereniging Poseidon. Daar werd een jubileum gevierd en uw Parool-verslaggever kwam daar een verhaal over maken. Een van de aanwezige oud-leden was Ed. Van Thijn. Hij vertelde me iets dat me verbijsterde. Poseidon staat bekend als ‘joodse’ vereniging, dat wil zeggen, het was de enige vereniging waar joodse roeiers werden toegelaten. Van Thijn, die als jongetje wonder boven wonder de oorlog had overleefd, wilde in de jaren vijftig lid worden van de grote roeivereniging Nereus. Hem werd te verstaan gegeven dat hij, als jood, niet welkom was en maar beter lid kon worden van Poseidon. Na de oorlog!
Voor de oorlog was antisemitisme heel gewoon. In een beschaafd literair tijdschrift schreef de protestant Roel Houwink in de jaren dertig een recensie over een dichtbundel van de joodse dichter Herman van den Bergh, waarin hij opmerkte dat in die bundel het joodse weliswaar aanwezig was, maar niet op een storende wijze. Door dat gesprek met Van Thijn besefte ik voor het eerst hoe het antisemitisme ook na de oorlog nog volop bestond. En het bestaat nog steeds (zie Thierry B.), en dat is eigenlijk niet te geloven.  


We gaan dit jaar verlaten met een citaat van Drs. P. Hij zong lang geleden al over corona, nu ja, over een uit China afkomstig, ellendig fenomeen. Een voorspellende tekst:

Wacht u voor de baardmijt, de wrede, sluwe baardmijt
Wacht u voor de baardmijt, de baardmijt waart rond
Wacht u voor de baardmijt, de Zuid-Chinese baardmijt
Wacht u voor de baardmijt, de baardmijt waart rond

Verder wens ik iedereen een fijn, open, zo coronavrij mogelijk 2022. Tot volgend jaar!

 Bob Frommé

Stiekem snotteren

Kom er toch gewoon rond voor uit, mensen! Stop nou toch eens met die ‘guilty pleasures’, die zogenaamd laakbare liefdes, die zogenaamd foute favorieten, die onherroepelijk leiden tot stiekem snotteren. Vanwaar die schaamte?
Ik draai zelden of nooit muziek. Zelf muziek maken is weldadig, een live concert bijwonen kan dat ook zijn, maar muziek beluisteren vanaf een geluidsdrager kan ik niet goed hebben. Quasi-verklaring: “Het grijpt me te zeer aan.” Maar dat is het niet. Ik weet niet waarom, maar op de een of andere manier werkt het op mijn zenuwen. Vroeger niet, nu wel.
Maar als het laat is geworden en we hebben lang gepraat en stevig gedronken, draaien we muziek. Sentimentele, misschien wel foute favorieten draaien we ook, met het grootst mogelijke plezier.
Ik noem er drie. Just say you won’t let go van zanger/liedjesschrijver James Arthur (youtube.com/watch?v=0yW7w8F2TVA). Het is goed gezongen, maar met een iets te gevoelig kraakje. De tekst begint origineel: de ik (man) heeft gedanst met een jij (vrouw) en zij heeft te veel gedronken, waarna zij moet overgeven en hij haar helpt door haar haar achterover te houden. Maar op den duur – en dat is tamelijk gedurfd in het popgenre – bezingt James een leven (‘tot wij oud en grijs zijn’) waarin hij zijn vrouw koffie op bed brengt en de kinderen naar school rijdt. Mijn vrouw grijpt dan vaak even mijn hand. Just say you won’t let go.
Wat we ook graag draaien: Lieve koningin van Brigitte Kaandorp (youtube.com/watch?v=wWcX1flXy50), een heerlijk, ontroerend loflied op Beatrix, ‘nu u abdiceert/ En met pijn in ’t hart, ons de rug toekeert’. En dat op de melodie van Ne me quitte pas. Brigitte zingt het fantastisch en haar tekst is dat in al zijn simpelheid ook: Want u ging door het land/ Op die dagen van zon/ Op die dagen van feest/ Een boeket in de hand/ En door weer en door wind/ Ook in tijden van rouw/ U stond daar weer gewoon/ Ook als moeder en vrouw/ Want er was verdriet/ Maar geen denken aan/ Om niet door te gaan/ Niet rechtop te staan/ Lieve koningin/ U hield de moed er in/ Lieve koningin, lieve koningin.
Ik liet het op een middag horen aan een vriend die net als ik geen Oranje-klant is en bovendien geen kritisch woordje uit de weg gaat. Ik zag tot mijn verbazing dat hij ontroerd raakte. Daar zaten de heertjes dan, met natte ogen.
En dan André van Duin met Voor altijd, dat lied voor zijn overleden man, op muziek van Danny Vera (youtube.com/watch?v=9GV3vfZre-8). Vaste prik in de kleine uurtjes. De tekst is eenvoudig en waar. Mooi zinnetje (vooral dat ‘opgeraapt’): ‘Als ik terug denk aan die tijd/ heb ik beslist geen spijt van dingen/ Dingen die ik misschien heb laten liggen/ Of te laat heb opgeraapt.’ Fraai is ook de manier waarop André over de maat heen zingt met dat ‘spijt van dingen’. Een goeie kennis noemde dit lied ‘een beetje tacky’, maar die veronderstelde lichte klefheid/sentimentaliteit vergaf hij André wegens diens persoonlijkheid: “Bij hem doe ik aan kredietverlening.”
Het snottermoment van Voor altijd komt aan het eind, als André klaar is en vanuit het donker Danny Vera van opzij indringend naar hem kijkt. Dan kunnen ze ons wegdragen, en daar schamen we ons niks voor.

Bob Frommé

Sprekende dieren

Als ze in Vlaanderen willen zeggen dat iets lang geleden is, doen ze dat zo: in de jaren stillekes, toen de dieren nog konden spreken. Als dieren nu nog spreken, doen ze dat in boeken (en films). Je hebt fabels met alleen maar sprekende dieren, zoals die van La Fontaine, en je hebt Toon Tellegen, die een muis en een egel – filosofen in dierenvel – een wandelingetje laat maken door een bos, waarbij ze op een muur stuiten die simpele maar o zo diepe gedachten bij ze oproept aangaande de grenzen van het bestaan (de muur!) en de mogelijkheden die het misschien toch te bieden heeft (de andere kant van de muur!). Conversaties tussen mens en dier zijn er ook in overvloed, in sprookjes zoals Roodkapje, met die sprekende wolf, en Genesis, met Eva en die sprekende slang.
Ik moet zeggen dat ik eigenlijk niet van zulke ‘fantastische’ dingen houd. Behalve als ik er wel van houd. Zo las ik laatst Kafka op het strand van Haruki Murakami. Dat is een ‘fantastisch’ boek dat me door al die fantastisch-heden op den duur ging tegenstaan. (Wel uitgelezen, omdat die man nu eenmaal– in die andere betekenis – fantastisch schrijft.) Maar de eerste honderd bladzijden werd ik meegesleept. Daar komt een merkwaardige man in voor die Nakata heet en die met katten kan praten. Zo heeft hij moeizame gesprekken met een zwerfkat en interessante conversaties met Mimi, die uitblinkt in elegantie omdat ze een Siamees is. Ik accepteerde dat volkomen.
Zo accepteerde ik ook de sprekende Cheshire Cat in het boek dat ik het vaakst cadeau heb gegeven, Alice in Wonderland. Een van diens uitspraken: “Verbeelding is het enige wapen in de oorlog tegen de werkelijkheid.”
Niemand heeft een paard ooit horen spreken, maar de manier waarop Tolstoj het oude paard Cholstomer zijn levensverhaal laat vertellen aan de kudde die hem daarvoor nog pestte, is zonder meer overtuigend. Tolstoj is dan ook een geweldenaar.
Maar de top in het genre van de sprekende dieren is toch het verhaal Tobermory van de briljante Engelse schrijver Saki (Hugh Munro, 1870-1916). Saki kan de gekste dingen laten gebeuren zonder dat je je afwendt. Zo geeft hij een saaie man die aanwezig is op een saaie bijeenkomst een krankzinnig talent mee: de man kan katten laten spreken. Hij past dat toe op de kat des huizes, Tobermory.
Tobermory zegt, daartoe uitgenodigd, wat de gastheer denkt over de intelligentie van een der aanwezigen, een vrouw. De kat richt zich tot haar en zegt: “Toen werd voorgesteld u ook voor deze logeerpartij te vragen, protesteerde Sir Wilfred omdat u de meest hersenloze van al zijn kennissen zou zijn, en er een groot verschil bestond tussen gastvrijheid en zwakzinnigenzorg.”
Als Tobermory op het eind dood uit de bosjes wordt gesleept, tot opluchting van allen, roept dat een schok op die niet getemperd wordt door de ogenschijnlijke absurditeit van het verhaal.

Bob Frommé

P.S. Als Dichter des Parools heb ik ooit een sonnetje gewijd aan sprekende dieren. Dat ging zo:

Ondier

Hallo, ik ben een dier en ik kan praten
Ik sta bekend als ´t schaap Veronica
Wat Annie Schmidt mij voorzegt, zeg ik na
Ik kan wel duizend verzen voor u blaten

Opnieuw hallo, ik ben de mier van Tellegen
Ik ben Babar, gemaakt door De Brunhoff
Soms ben ik lang, soms ben ik kort van stof
En zeg ik niks, dan ben ik een eencellige

Maar stel, ik doe niet braaf wat schrijver zegt
Ik ben een dier van vlees en bloed, uw kat
Die – berg u maar – de taal heeft kunnen leren

U roddelt en u liegt, u bent vaak slecht
En ik zie alles, liggend op uw mat
Ik zal de mensen maar eens informeren

Kutvirus

Jawel! Een jaar en negen maanden uiterst voorzichtig geweest – op die keren na dat ik onvoorzichtig was – en een tijdlang in isolatie geleefd en hooguit met kinderen en vrienden buiten afgesproken om een rondje Plas te lopen en de kas van De Eekhoorn te spekken. En dan op het moment dat alles ongeveer is vrijgegeven en je ook weer aan het basketballen bent, toch besmet raken. Maf is dat.
En ik was niet de enige. Je hoort voortdurend om je heen dat mensen die bij wijze van spreken een zenboeddhistisch kloosterleven leidden, ongewenst bezoek hebben gekregen van Covid-19. In mijn geval gebeurde het op een ‘veilige’ plek, café De Wandelaar. Eigenaar Leo is een voorzichtig en verantwoordelijk man. Zonder QR-code kwam je er bij hem niet in. En toch was er op een vrijdagavond een soort van monsteruitbraak, bleek achteraf. Je vraagt je af hoe dat kan. Iedereen dubbel gevaccineerd en toch tegen de tien Covid-gevallen.
Ik had koorts, ik hoestte me kapot, ik had spierpijn, ik was moe. Goddank waren smaak en reuk niet helemaal verdwenen. Een mens is ontheemd als hij zijn eigen zalmpasta niet meer proeft of zijn eigen poep niet meer ruikt. Het is nu ruim twee weken aan de gang en de toestand verbetert langzaam, maar zeker.
Ik heb bijvoorbeeld weer lust om een stukje te schrijven. Die lust was verdwenen, wat me sterk deed denken aan de periode dat mijn boezem zwabberde (hartfibrillatie), waardoor de energie ernstig gekelderd was en ik het benodigde zelfvertrouwen miste om mezelf op de voorgrond te zetten. Ook als je over je eigen schaamte, je eigen zwakte, je eigen domheid wilt schrijven, heb je brutaliteit nodig, en die was weg.
Een van de vervelendste dingen, als je met Covid te maken krijgt, is de onzekerheid, de onwetendheid, de twijfel aan zekere voorschriften. Neem de zelftest. Als je het dubbele streepje hebt, ben je positief, maar, wordt er altijd bij gezegd, je moet je wel ook PCR laten testen. Nou is dat laatste bijna niet te doen. Volgens Diederik ‘Tuurlijk wel’ Ebbinge is er binnen honderd meter altijd wel een testplaats te vinden. Dat zei hij bij Op1, maar het was totale onzin.
Als je je zo beroerd voelt, is het al geen pretje om de deur uit te gaan, maar als je geen auto rijdt en de dichtstbijzijnde locatie is Zestienhoven (Rotterdam-The Hague Airport) komt van dat testen niets terecht. Dan is de vraag of dat erg is.
Na lang zoeken kwam ik erachter dat het niet erg was. Dat bleek uit een onderzoek in Tilburg. Drieduizend mensen die PCR waren getest, hadden een zelftest meegekregen om die twee te vergelijken. Tachtig procent kwam overeen, maar de niet-overeenkomstige resultaten waren in overgrote meerderheid de negatieve resultaten. De positieve resultaten kwamen op een enkele uitzondering na wel overeen. Bovendien had een aantal medebezoekers van De Wandelaar zich PCR laten testen: positief. Dus waarom zou ik me dan naar een testlocatie slepen?
Ik heb net nog een sneltest gedaan: negatief. (Gek genoeg bleek eerder een beetje positief ook te kunnen: een dún tweede streepje.) Ik ben dus positief gestemd. Ik weet alleen niet of ik nu in het vervolg helemaal gevrijwaard ben van dat kutvirus. De onzekerheden blijven.

Bob Frommé

KRRRU!!!

Ik beken, ik was een padvinder. Nu ja, een verkenner. (De verkennerij was de katholieke tak. Naast de rode lelie op de ene borstzak, had de verkenner ook een rood kruis op de andere.) Als een Wereld Jamboree wordt gehouden, een internationale bijeenkomst van boyscouts en girlscouts, zal ik daar niet bij zijn. Ik ben geen hopman geworden, hoe hulpvaardig, trouw, spaarzaam, rein en ordelijk ik ook ben.
Ik heb ooit een documentaire gezien over de padvinderij in Nederland: interviews met oud-padvinders, eigentijdse beelden en archiefbeelden (met de strenge beschermvrouwe koningin Wilhelmina en de vriendelijke beschermvrouwe koningin Juliana, die begiftigd was met de speciale padvindersnaam Movavedo, afkorting voor Moeder Van Vele Dochters). Wat in de film overheerste: de nostalgische terugblik.
Die komt niet overeen met de mijne. De verkennerij was begin jaren zestig nog helemaal hopman Van Roon, die schreeuwend zijn bruine tanden ontblootte als hij de troep in carré liet aantreden: “KRRRU!!!” Gelukkig kon je bij de verkenners ook vaak voetballen, ons clubhuis stond op het terrein van een speeltuin.
De verkennerij was een gouden opleiding in alles wat een mens nodig heeft om in deze wereld te overleven en anderen daarbij te helpen. Zo heb ik door het afleggen van een geheel theoretisch examen in een gebouw nabij de Rotterdamse Parkhaven het insigne ‘loods’ behaald. Daardoor was ik zonder meer in staat grote oceaanstomers de haven van Rotterdam binnen te leiden. Handig als alle volwassen mannen in één klap zouden sterven; er zou dan een elfjarige jongen zijn die de schepen bij Hoek van Holland zou kunnen opwachten. Dat geval heeft zich niet voorgedaan, maar – be prepared – ik was voorbereid.
Met touw en balken een tafel maken of een toren bouwen deed ik graag. En ik nam genietend deel aan de Heilige Mis die aalmoezenier Krempel tijdens het zomerkamp opdroeg op een open plek in het bos. Kathedraaltje van overhuivende boomtoppen, nietwaar.
Minpuntje: de competitie, het opjagen der jonge leeuwen met een puntensysteem. Elke ochtend kwam de leiding in hun te lange korte broeken en met hun harige mannenbenen de patrouilles en hun onderkomen inspecteren. Stond de tent wel strak genoeg, waren de sjorringen niet te slap, was je tandenborstel wel nat. Maar de eerste punten waren te verdienen bij het ochtendappèl. De patrouille die het eerst in het gelid stond, scoorde. Die van hopmanszoon Theo van Roon zat al aangekleed in de tent te wachten op het moment dat een vaandrig het reveil blies.
Vast onderdeel van de kampweek was de lianentocht. Op woensdagavond liepen de verkenners één voor één geblinddoekt langs een touw dat door het bos gespannen was. Onderweg gebeurden vervelende dingen. Je moest blind over de bosgrond kruipen om onder laaghangende takken door te komen en af en toe werd er plotseling in je oor geschreeuwd of een met bladen bedekt stuk zeil onder je weggetrokken. Daarbij voegden zich nog andere onaangenaamheden als gevolg van het steeds groter aantal kwelgeesten langs de route. De oudste verkenners gingen als eersten, de allerjongsten – onder wie ik – als laatsten. Wij konden op strategische plekken een onverwachte duw krijgen van de oudere kameraden zodat we zijwaarts in de brandnetels vielen. (Punt 4 van de Verkennerswet: ‘Een verkenner is een vriend voor allen en een broeder voor alle andere verkenners.’ Punt 8: ‘Een verkenner glimlacht en fluit onder alle moeilijkheden.’)
Wij werden zeer scherp gehouden. Op een dag tijdens een kamp in het Limburgse Gulpen, kwam een van de vaandrigs het terrein oprennen met de opgewonden mededeling dat hij onderweg – hij was aan het fourageren – was aangevallen door een boer. Daar moest tegen opgetreden worden. Wij eropaf.
“Dáár,” wees de vaandrig na enige tijd, “daar gaat hij.” We zagen een paar honderd meter voor ons op de landweg een boer in overall lopen. Hij keek schichtig over zijn schouder – we zagen duidelijk zijn gemene rode kop – en zette het op een lopen.
Ik was als een van de eersten bij hem. Terwijl anderen de boer op de grond wierpen, op zijn rug plaatsnamen en hem in bedwang hielden, begon ik hem ongenadig in zijn lendenen te schoppen. De boer wendde zijn gezicht naar mij toe. Ik zag dat hij vaandrig Peek was. De andere vaandrig, wiens naam ik niet meer weet, had in strijd met de verkennersmoraal onwaarheid gesproken.
De les die ik uit het gebeurde trok, was een andere dan de training in scherpte en gehoorzaamheid die door de leiding beoogd was. Mijn  les: nooit blindelings aanwijzingen opvolgen en zeker niet, als ze tot enorme schuldgevoelens kunnen leiden.
Deze dingen kwamen niet voor in die documentaire. Een ex-hopman keek genoeglijk terug en liet weten dat van drillen geen sprake was. Ja, bij muziekuitvoeringen was hij fanatiek, maar dat moest wel, dat was overal zo in de muziek. Wie slapjes dirigeert brengt slappe muziek voort. “Dat is toch niet militant?”
Een oud-padvindster, die Lady Baden Powell kort na de oorlog nog een gedenkboek had mogen overhandigen, roemde de vormende werking van haar padvindstertijd. Ze had er een gevoel voor ordelijkheid en zorgvuldigheid en ook doorzettingsvermogen aan overgehouden. En nog steeds sliep ze graag in de openlucht.
Eén persoon keek anders terug. ‘Vervangende dienstplicht’ noemde hij de padvinderij. En wat nog erger was: “Ik had een goed contact met de hopman, daar gaan we alweer. Het bleek dat hij er behalve het padvinderschap nog andere hobby’s op nahield. Hij vond het leuk om met jonge jongens te rommelen. Ik dacht dat dat bij het vrije spel in de natuur hoorde. Ik had geen idee.”
Zulk gerommel heb ik goddank alleen van horen zeggen.

Bob Frommé

Dit stuk verschijnt morgen in het tweewekelijkse kwaliteitskrantje Argus.

Rinus van de Earring

Vorige week stond in de Vara-gids een interview met Rinus Gerritsen. Onnodig te zeggen dat hij de bassist was van Golden Earring en onnodig te zeggen dat het een leuk interview was. Hij vertelde dat de Earring ooit optrad in hetzelfde tv-programma als The Who en dat die gasten niet alleen hun T-shirts met verkeersbordenopdruk aantrokken, maar ook strakke broekjes, waarin ze handdoeken propten om een gevuld kruis te suggereren. En dat was maar één van de vele verhalen.
Ik luister liever naar muzikanten dan naar schrijvers. Als je fijne anekdotes wilt horen, moet je bij een muzikant zijn. Wat een schrijver meemaakt, maakt hij mee in zijn hoofd terwijl hij aan zijn schrijftafel zit. Een muzikant gaat de wereld in, maakt contact met de medemens, beleeft avonturen.
Er is nog een groot verschil. Schrijven is een particuliere worsteling, muziek maken is een sociaal gebeuren van heb ik u daar. Daar komt bij dat de schrijver op allerlei nauwelijks uit te leggen technische problemen stuit, terwijl de muzikant technische problemen heeft die goed uit te leggen zijn. Het is heerlijk een gitarist te horen vertellen waarom de Dimarzio Dp191-bk Air Classic Bridge Humbucker Black zo fantastisch klinkt. En een bassist kan je duidelijk maken waarom zijn verveloze Precision uit ’63 met zijn zompige geluid zo veel beter past bij de harde punt van de moderne bassdrum dan zijn fonkelnieuwe Lakland.
Maar het belangrijkste verschil tussen muzikanten en schrijvers is dat muzikanten veel minder last hebben van kinnesinne en opgewekter zijn dan schrijvers, al zal men tevergeefs zoeken naar het zelfhulpboek Leven is lachen met medewerking van Ian Curtis en Kurt Cobain.
Rinus Gerritsen beantwoordt helemaal aan het bovengeschetste opgewekte profiel van de muzikant. Dat wist ik al, doordat ik hem een keer langdurig geïnterviewd zag worden in het bovenzaaltje van een café. Hij kon op een natuurlijke manier namen laten vallen omdat een internationale band als de Earring nu eenmaal op grote namen stuit. In een club in New York spelen en dan links vooraan Janis Joplin zien zitten, de legendarische jarenzestigzangeres met de geweldige krijsstem. En dan na afloop iemand op je af krijgen die Chas Chandler heet. Je moet een zekere leeftijd hebben om dan te roepen: “De bassist van The Animals! En de manager van Jimi Hendrix!”
Rinus vertelde, daartoe uitgenodigd, dat Chandler een bassist nodig had voor Jimi en of hij, Rinus, daar interesse in had. Maar ja, hij zat in de Earring en weinig mensen wisten toen hoe groot Hendrix was of nog zou worden. Mooi als je zoiets kunt vertellen.
De Earring werd almaar groter in Amerika. Ze promoveerden van voorprogramma tot special guest en na de hit Radar love tot hoofdact. Toen Little Feat, de beste band ter wereld volgens Frommé, bij de Earring in het voorprogramma stond, is Barry Hay nog naar hun kleedkamer gegaan om zich voor die volgorde te verontschuldigen.
Veel later, toen Hendrix in The Band of Gypsys speelde, ontmoette Rinus diens drummer, Buddy Miles. “Er kwam een grote neger op me af, die me zo hard omhelsde dat ik het er benauwd van kreeg. Hij dacht dat ik Neil Young was.”
Nu de Earring is opgehouden te bestaan door de tragische ziekte van George Kooymans, blijft Rinus muziek maken, onder andere in een Hendrix-coverband. Ook dat vertelde hij in de Vara-gids.

Bob Frommé

Dino’s en varkens

“Jongen en meisjes. en alles wat daar tussen zit of buiten valt, pak allemaal je boek erbij, we gaan het vandaag over economie hebben, over geld. Als je geld hebt, kun je dat uitgeven, maar je kunt het ook vasthouden. Dat noemen we… juist ja, sparen. Waar zet je de grote bedragen vast? Op… de… bank, ja. Maar waar laat je je kleingeld? In je portemonnee, natuurlijk, maar als je heel veel muntjes hebt, dan doe je die in een… hoe zal ik het zeggen, een ding waar niet iedereen blij mee is.” (Tekent het op het bord.) “Zo staat het in het leerboek, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen daar even blij mee is. Wie? Rashid, jij.”
“Dat is een spaarvarken, meneer. Is niet goed. Varkens zijn onrein, varkens zijn haram.”
“Ik begrijp je volkomen, Rashid. Daar moeten wij als meesters en juffen rekening mee houden. Eens even denken. Als we van dat varken nou eens een olifant maken? Een spaarolifant. Is dat een idee? Ik zal het opsturen naar de mensen die onze leerboeken maken. Dan komt het wel goed.”
(Tekent op het bord een olifant met een gleuf in zijn rug. Gelach, geroezemoes, geroep: “Ja, meneer, dat is goed! En eigenlijk leuker dan een varken!”)

We verplaatsen ons nu naar een andere basisschool. De juf neemt het woord. “Hallo allemaal! Hebben jullie er wel eens over nagedacht waar alles op aarde vandaan komt? Wie heeft dat ooit gemaakt? Jij, Jacob. Juist ja, God. Die heeft alles geschapen. In zeven dagen. Nou ja, eigenlijk zes, want op de zevende dag hield Hij rust. Dat had Hij ook wel verdiend, vinden jullie ook niet? Als ik zeg dat God alles geschapen heeft, bedoel ik ook ALLES. Van het kleinste miertje tot de grootste dinosaurus, en ons, de mensen, natuurlijk. Wat je nou vaak over dinosaurussen hoort, is dat ze miljoenen jaren geleden geleefd hebben. Is dat echt zo? Jacob?”
“Ik ben met papa en mama een keer in Amerika geweest, juffrouw, en daar hebben ze een museum, in Kentucky, zo heette die stad. Het Krie-jeesjun Mjoezie-jum en daar heb ik plaatjes gezien van mensen die samenleefden met dinosaurussen. Dat klopt, want God heeft alles in één keer geschapen.”
“Heel goed, Jacob. Maar in ons leerboek staan allerlei plaatjes van dino’s. En dan moeten wij denken dat die dieren ver voor de mens zijn geschapen en zijn uitgestorven voordat wij kwamen. Dat is in strijd met het Woord. Ik zal de mensen die onze leerboeken maken een brief schrijven om te vragen of ze die plaatjes weg willen halen. Dan komt het wel goed.”

Het bovenstaande is uit het leven gegrepen. Schoolboekenuitgevers (omzet: honderd miljoen euro per jaar) houden wel degelijk rekening met ideeën in islamitische en reformatorische kring. Dus die spaarolifant is werkelijk gebruikt en plaatjes van dino’s zijn uiterst schaars, zoals je ook vrijwel vergeefs – de NRC wees daarop – zult zoeken naar plaatjes van mensen op kermissen of vrouwen in bikini, of passages over homoseksualiteit. Daar rust Gods zegen namelijk niet op en die van Allah evenmin. (Maar ook verhalen over een vakantie in Frankrijk liggen moeilijk, want niet alle kinderen gaan op vakantie naar Frankrijk.) Daarom geven schoolboeken vaak een gekuiste en dus verdraaide versie van de werkelijkheid, en dat onder het mom van ‘rekening houden met gevoeligheden’.
Het is dat de platte-aardegelovers, gebedsgenezers en holocaustontkenners te gering in aantal zijn, anders zouden de schoolboekenmakers daar ook nog een mouw aan weten te passen. Ze zijn de pluimstrijkers van het Bijzonder Onderwijs.

Bob Frommé

Iets onvergeeflijks

Als je niet zo’n dikke nek hebt als Mart Smeets, is een publiek optreden geen sinecure. Mensen kijken naar je, terwijl jij iets moet doen wat zij hopelijk willen zien. Jij presteren, zij waarderen. Maar waar haal je het zelfvertrouwen en de moed vandaan? Wie denk je dat je bent?
Sommige mensen hebben dat zelfvertrouwen ogenschijnlijk vanzelfsprekend, ook zonder een uit zijn voegen barstend ego. Ik heb eens op Vlieland een grotendeels geïmproviseerd optreden gezien van Joris Lutz en Mike Boddé. Ze hadden nauwelijks voorbereidingstijd gehad, omdat Boddé zich moest bekommeren om zijn doodzieke vader. En op de veerboot vanuit Harlingen had hij te horen gekregen dat zijn vader was overleden. En toch een optreden dat in al zijn losheid stond als een huis. Ik vond het verbluffend knap. En benijdenswaardig.
Ik treed soms op, maar ik ben geen Smeets, gelukkig, maar helaas ook geen Joris of Mike. Ik moet het hebben van de vorm van de dag. Soms kan een blik op het publiek al genoeg zijn om de zenuwen de baas te worden en een zekere vrijheid en ontspanning te voelen of zelfs je brutaalste zelf te zijn. Maar het spant erom.
Vorige week trad ik met mijn muzikale wederhelft Theo – we zijn het akoestische duo Blind Vertrouwen – op in Burgh-Haamstede. De locatie was een kleine, gerestaureerde ‘bewaerschole’, die nu dienst deed als galerie – een mooie, lichte, kapelachtige ruimte. Ik had die nacht wegens de onderhuidse spanning belabberd geslapen en had er dus een hard hoofd in. Maar zie, na mijn openingspraatje voor het publiek van zo’n veertig welwillende mensen gingen we los, en met verve. Het ging gewoon hartstikke goed.
De ideale toestand is: dingen doen die je niet van tevoren heb bedacht, omdat je je volkomen vrij voelt. Zo inspireerde de hoge, hol klinkende ruimte me tot het zingen van een stukje Gregoriaans (‘Gloria, laus et honor tibi sit, Rex Christe Redemptor’). Het sloeg eigenlijk nergens op en toch was het passend en juist.
De interactie tussen Theo en mij liep heel goed, beter nog dan anders. Als de spanning groter is, kom je daar veel minder aan toe. Maar die ontspanning had kennelijk ook een keerzijde. Het zangertje begon zich groot en sterk te voelen, de koning in dit kleine rijk. En vanuit die eigenwaan deed hij iets onvergeeflijks.
We speelden een lekker, ironisch rock&roll-deuntje dat kon slaan op politici wie het naar de bol is gestegen: Ik stem op mij (refrein: Ik wil het en ik kan het, geef mij de heerschappij/ Ik doe en ik zal het, ik stem op mij). Aan het eind hoort een break te komen waarin nog één keer Ik stem op mij moet klinken. Maar Theo vergat die break en speelde door, waarop ik – en nu komt het – mijn hand op zijn snaren legde. Een doodzonde, natuurlijk.
Wat ik deed, gebeurde in het zicht van iedereen. Een heterdaadje. Goddank kon Theo zich er snel overheen zetten, waarvoor ik hem zielsdankbaar was. Zo kwam het toch nog goed met dat optreden, maar het schuldgevoel was immens.

Bob Frommé